Review

Jacques Lacan en het nut van morele plichten die geen nut hebben

Het is modern om de mens te beschouwen als een redelijk wezen dat zijn bedoelingen overziet en zijn leven inricht volgens bewuste keuzen. De wetenschap heeft niet alleen een gepland nageslacht mogelijk gemaakt, de medische ethiek heeft de ermee gepaard gaande formidabele levensvragen als betrekkelijk eenvoudig voorgesteld: men weegt af wat het nuttigste is.

Zelfs de theologie lijkt niet te ontkomen aan deze pragmatische mensvisie. Modern geloven betekent: alleen dat geloven 'waarin je je nog kunt herkennen'. De meest succesvolle theologen van dit moment leren ons uiterst argwanend te zijn tegenover rituelen zonder redelijke grond en overgeleverde gebruiken zonder nut. In het gunstigste geval heten die rituelen en gebruiken niet meer bij de tijd. Vaker worden ze gezien als bron van onderdrukking en infantilisme.

Het verhaal van de Leuvense psychoanalyticus en filosoof Moyaert is in dit licht tegendraads. Hij beroept zich op het weerbarstige en barokke denken van de Franse psychiater Jacques Lacan, die in Leuven school heeft gemaakt. Diens basisstelling: de mens weet niet wat zijn diepste drijfveren zijn en is geen heer en meester in zijn eigen huis. Het denkend en willend subject is maar een eilandje dat drijft in een zee van onbewuste verlangens.

Freud koesterde wellicht nog het ideaal dat grondige analyse het onbewuste bewust zou kunnen maken, maar daar wil Moyaert niets van weten: ook een kritisch denkend mens zal uiteindelijk niet achter zijn onbewuste verlangens en motieven kunnen komen. Hij zal een ondoorzichtige 'mist' aantreffen, die nooit optrekt. Dit hangt samen met de taal zelf: niemand van ons heeft de taal ontworpen, als individuen treden we erin als een werkelijkheid die ons voorafgaat. Het bewuste moderne ik is vanzelfsprekend niet blij met dit idee van een onbewuste dat meer aan waarheid over hem zou onthullen dan zijn bewuste ik. Wat dit concreet betekent, maken voorbeelden uit drie gebieden duidelijk: de liefde, de ethiek en de religie, die, wat de rol van het onbewuste betreft, opvallend overeenkomen.

Paardenkoopman

Allereerst de liefde: wie durft zeggen, dat hij ooit 'met reden' verliefd is geworden? Een mens die opsomt welke eigenschappen van de geliefde de doorslag geven, zou die werkelijk overtuigen? We zouden veeleer denken met een paardenkoopman van doen te hebben! Het is nu juist een pragmatische benadering waarin nuttigheid voorop staat, die van liefde handel dreigt te maken en van trouw een verzekering met garantie.

Anderzijds is liefde ook niet werkelijk zonder gerichtheid op concrete eigenschappen van de geliefde. Maar waar het Lacan om gaat, is dat de liefde nooit volledig rationeel te verantwoorden is, net zomin als trouw aan de geliefde ooit op zekerheid kan berusten. Dit is geen gebrek aan rationaliteit, maar de grondstructuur van het menselijk bestaan. Trouw is gefundeerd op de daad van het gegeven woord, een daad die zuiver pragmatisch gezien alleen maar onverstandig kan heten (en in onze maatschappij ook toenemend zo wordt beschouwd). Zoeken naar een redelijke fundering voor trouw betekent: de trouw als trouw opheffen.

Hetzelfde geldt voor ethiek. Onze morele gedragsregels gaan uiteindelijk terug op grondovertuigingen die niet met een beroep op nuttigheid of zelfs eigenbelang kunnen worden verklaard. Ze lijken in hun welhaast sacrale (d.w.z. onaantastbare en niet door mensen ontworpen) fundament nog het meeste op taboes. Het is nu juist de moderne medische ethiek geweest die taboes als overblijfselen van een primitieve en bijgelovige levenshouding heeft willen opruimen en in plaats daarvan rationele keuzen op basis van nuttigheid heeft gepropageerd. Maar - aldus Moyaert - is ons verbod op incest of onze nog steeds diepgewortelde overtuiging dat doden de laatste eer moet worden bewezen, op nuttigheid of redelijkheid gegrondvest? Nee. Al is incest op biologische gronden ongezond, dan is dat nog niet de diepste grond voor onze ethische overtuiging. Toekomstige medische uitvindingen die de schadelijke effecten zouden kunnen tegengaan, zouden immers het verbod niet opheffen.

Niet anders is het gesteld met de universele plicht om doden te begraven of hun anderszins de laatste eer te bewijzen, een plicht die uit nuttigheidsoogpunt wel heel moeilijk te funderen is. Ongetwijfeld zijn er doelmatiger wegen om van dode lichamen af te komen; onze eeuw laat daar genoeg voorbeelden van zien. Maar het is niet toevallig dat zelfs onze tijd, die zozeer op efficiency uit is, huivert voor de ermee gepaard gaande onmenselijkheid.

Doden begraven is een fundamentele morele plicht zonder redelijke grond, zonder nut, een absolute plicht.

Het verbod, de wet, moet worden gehoorzaamd zonder dat we weten waarom. Respect is het woord voor die volstrekt 'nutteloze' houding, die dan ook gemakkelijk als irrationeel weggeredeneerd kan worden. De symbolische orde, die kenmerkend is voor de mens, is niet individueel, maar collectief; niet bewust, maar onbewust en ondoorzichtig.

Al proberen ethici vliegensvlug duidelijk te maken, dat het uiteindelijk ook weer nuttig is om de wet te volgen, omdat het mijn eigen geluk of het welzijn van allen bevordert, wij weten volgens Lacan maar al te goed dat ons gedrag ten diepste niet daardoor wordt bepaald. Het sacrale grenst aan het absurde, juist omdat er geen redelijke fundering voor te vinden is.

Dat de religies hun leidinggevende rol voor de samenleving kwijt zijn, wil niet zeggen dat het sacrale fundament van de ethiek overbodig nu is. Het christendom heeft zich trouwens zelf voortdurend bewogen in het dilemma van rede en geloof: wil God het gebod omdat het goed is (en de mens het dus met zijn rede kan doorgronden of zelfs funderen) of is het gebod goed omdat het Gods wil is?

Het verhaal van Abraham die zijn zoon Izaük aan God moest offeren, illustreert dit dilemma: Abrahams overgave aan God was zo onvoorwaardelijk dat hij gehoorzaamde hoewel hij wist dat het gebod menselijkerwijs gesproken niet goed was. Het onbegrijpelijke van deze goddelijke openbaring maakt van het geloof van Abraham een sprong, letterlijk een salto mortale, zonder overwegingen van nut of haalbaarheid. Kierkegaard begreep uit dit verhaal, dat Gods woord alleen in vrees en beven gehoord kan worden. Moyaert verwijst voor verwante ervaringen naar Mozes bij het brandend braambos en naar Paulus op weg naar Damascus.

Maar voor een utilistisch redelijk denker is er geen reden voor vrees en beven. God wil immers alleen het goede en sluit dus aan bij wat ik zelf toch al als het beste zie. Met alle (levens)gevaar van dien leert het verhaal van Abraham echter dat het geloof ten diepste niet in redelijkheid is te funderen, en ook dat religieuze overgave onvoorwaardelijk is en niet terug te brengen tot een ethiek van recht doen aan de naaste, aldus Moyaert, die hiermee ook het ethische denken van de joodse filosoof Levinas kritiseert.

Liefde, ethiek en religie zijn dus niet door de rede te doorgronden. Of het vele dat Lacan beweert, nu ook allemaal waar is, komt men bij Moyaert niet aan de weet. Hij heeft zich met bewonderenswaardige bescheidenheid geheel in dienst gesteld van de meester, terwijl zijn presentatie meer door passie en overtuiging wordt gekenmerkt dan door onzekerheid of twijfel.

Men zou zich kunnen afvragen of het verhaal van Abraham niet ook de verwoestende kracht leert van een overgave aan het onredelijke religieuze geweld van de afgoderij. De God van Abraham vraagt zeker de totale overgave (net als afgoderij), maar - zo leert de afloop - alleen maar samen met volledige humaniteit. Misschien is het toch de medemens als beeld van God die elke vorm van afgoderij als het beeld maken van God verbiedt en een grens stelt aan het geweld. Meer Levinas dan Lacan dus.

Neo-orthodoxie

Ook beweert Moyaert - in zijn ijver om de sacramenten voor te stellen als rituele handelingen die niet afhangen van mijn subjectieve intentie - dat het klassieke adagium ex opere operato (vanuit de handeling werkzaam) dat óók zou leren. Absolutie in de biechtstoel zou automatisch vergeving schenken, al heb ik subjectief geen berouw! Dat is een veel voorkomend misverstand: het gaat er echter om dat de vergeving niet afhangt van de gesteldheid van de bedienaar, de priester. Moyaert gaat hier te veel de toer op van de 'neo-orthodoxie', een tendens die bij meer Leuvense filosofen valt waar te nemen.

Zijn grote verdienste is echter dat hij de ethiek van utilistische snit alsook de rationalistische theologieën van dit moment als volstrekt verschraalde en verschaalde visies op de werkelijkheid ontmaskert.

Het succes van deze theorieën schuilt in hun gemakkelijke aanpassing aan moderne opvattingen over technische beheersbaarheid, en wellicht ook in de therapeutische 'bevrijdende' werking voor een overigens slinkende groep oudere gelovigen die zich door het verleden bekneld voelt. Maar voor een omvattende mensvisie schieten ze te enen male te kort.

Paul Moyaert: Ethiek en sublimatie - Over de ethiek van de psychoanalyse van Jacques Lacan. SUN, Nijmegen, ¿ 34,50. M. Poorthuis promoveerde op de Talmoedcommentaren van Levinas ('Het gelaat van Messias', '92); hij coördineert aan de KTU Utrecht onderzoek over de verhouding jodendom-christendom.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden