Review

Jaap de Berg herleest Knuvelder

Welke Nederlandse naslagwerken van het soort dat tot voor kort 'in geen enkel huisgezin mocht ontbreken', doorstaan de test van 'het kanon'?

Jaap de Berg

Om onder neerlandici jammerklachten uit te lokken, is vaak één woord voldoende: Knuvelder. Zoek de naam op in het archief van de PCM-kranten en je vindt louter ingrediënten voor een scheldkanonnade, waaronder 'saai', 'tweederangs', 'oubollig', 'achterhaald' en 'een nachtmerrie'. De schietschijf is het 'Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde' van wijlen een Eindhovense leraar en schoolleider. De vier delen ervan hebben duizenden studenten van universiteiten en MO-opleidingen tot gids gediend op hun tocht van 'hebban olla uogala' naar Nijhoff en Bloem, Teirlinck en Elsschot, of in omgekeerde richting. Ook voor wie, zoals ik, maar wat liefhebbert in het werk van Nederlandse schrijvers van vroeger en nu, is 'Knuvelder' - in mijn geval de tweede, herziene druk uit 1957-1961 - nog altijd het enige samenhangende overzichtswerk. Zeker, boeiender en in sommige opzichten informatiever zijn de 151 korte essays in het eendelige 'Nederlandse Literatuur, een geschiedenis' uit 1993 (hierna aangeduid als NL), maar de grote lijn ontbreekt er, en menige figuur van het tweede en derde plan ook.

Is Knuvelders hoofdwerk werkelijk zo verouderd en onbruikbaar als zijn critici beweren? Het hangt er maar van af wie het waarvoor nodig heeft. Geinteresseerden in de cultuurhistorische en sociale context van onze letterkunde, in het literaire leven van weleer en in de receptie van oudere werken, bedient Knuvelder schriel, en dikwijls helemaal niet. Maar de amateur, op zoek naar een inleiding tot en een plaatsbepaling van schrijvers van vroeger, ziet zijn hand veelal gul gevuld.

Neem 'Sara Burgerhart'. Knuvelders schets ervan kan weliswaar in analytisch opzicht niet wedijveren met het essay van W. van den Berg in NL, maar ze is instructief en aanstekelijk genoeg om aan te zetten tot (her)lezing van de eerste psychologische roman in Nederland. Of neem 'Het Huis Lauernesse' en de 'Leycester-cyclus' (maar niet 'Majoor Frans') van Bosboom-Toussaint. Knuvelder maakt je wegwijs, desgewenst. NL niet. Zo zijn er vele voorbeelden te geven.

Te leren valt er in de vier delen veel, te genieten helaas wat minder. Knuvelder was een enthousiasmerend leraar - verzekerde onlangs een oud-leerlinge in een brief aan Trouw - maar op papier liep hij op stelten. Zijn stijl is ouderwets, overladen en pompeus. De middeleeuwse kloosterlinge Beatrijs vat bij hem geen obsessieve liefde voor een jongeman op, nee, de legende die haar naam draagt, 'verbeeldt de overmacht van de liefde die het vrouwenhart, zodra zij eenmaal daarin doorgedrongen is, met onweerstaanbare kracht beheerst'. Anna Bijns heeft het leven van haar tijd niet intens meegeleefd, maar 'met een hartstochtelijke drift des gemoeds'.

Als conservatief-roomse moraalridder billijkte Gerard Knuvelder in 1933 de boekverbrandingen in nazi-Duitsland. Zo bont maakt hij het in zijn handboek allang niet meer. Wel stempelt zijn katholieke levensbeschouwing meermalen de selectie ün de beoordeling van literair werk, en ook trouwens van historische ontwikkelingen. Je kunt je daaraan ergeren. Luchthartiger lezers zullen het advies volgen dat Jacob van Lennep boven een hoofdstuk van een van zijn romans zette. Vrij vertaald: desgewenst overslaan.

Toch een paar voorbeelden? Moet de dichter Dèr Mouw het met nog geen vier pagina's doen, en de Statenbijbel met negen regels, de 'onvervaarde strijder voor de moederkerk' Alberdingk Thijm en de politicus Schaepman, als dichter terecht vergeten, zijn samen goed voor achttien bladzijden. Op een mini-uittreksel van de historische roman 'Hermingard van de Eikenterpen' - het werk van Aer-noud Drosts 'blijvende roem' - volgt geen literaire analyse, maar een bespreking van Drosts godsdienstige drijfveren. En de uiteenzetting over Marnix van St. Aldegonde en zijn 'Bijencorf' lijkt haar ontstaan vooral te danken aan Knuvelders wens deze satiricus op zijn antipaapse falie te geven, met uithalen tegen - niet aangehaalde - 'kinderachtige drogredenen' en 'onbeduidende woordspelingen'.

Overigens: in de laatste editie van het handboek, uit de jaren zeventig, is van Knuvelders morele leerstelligheid weinig meer te merken, Hij nam, schrijft een van zijn biografen, afstand van paus en dogma en voelde zich in 1980 van Rome vervreemd. Twee jaar later zou hij, tachtig jaar oud, sterven.

Onbevredigend aan zijn hoofdwerk vind ik vooral dat hij zich in zijn literaire oordelen te vaak beperkt tot apodictische uitspraken. Ook voor de literair-historicus geldt, althans tot op zekere hoogte, het motto dat een Engelse criticus romanschrijvers voorhield: 'the writer shouldn't tell but show'. In alle vier delen, van de analyse van de Reinaert tot en met de evaluatie van Couperus, laat Knuvelder te veel kansen liggen om zijn oordeel met welgekozen citaten te illustreren en te rechtvaardigen.

En toch, voor de amateur die zich in oudere literatuur ori'nteren wil, is Knuvelder in sommige opzichten nog altijd - om een etiket te gebruiken dat premier Balkenende vermoedelijk met zorg voor zeker AIVD-onderzoek uitkoos - adequaat. Lang hoeft hij niet meer mee. Als iedereen zich aan de afspraken houdt, begint volgend jaar een opvolger te verschijnen, verzorgd door Nederlanders en Vlamingen. Onder anderen Frits van Oostrom, Herman Pleij, Jaap Goedegebuure en Hugo Brems werken eraan mee. Ongetwijfeld zal het niet alleen in zijn omvang - zeven delen - het werk van de leraar en rector van het Eindhovense Sint-Joris College royaal overtreffen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden