Review

J.J. VOSKUIL: Het Bureau is een gevangenis

Afgelopen weekend hebben drommen verslaafde lezers zich weer naar de boekhandel gespoed om het nieuwste deel aan te schaffen van Voskuils 'Het Bureau', naar verluidt de omvangrijkste roman ter wereld. De verschijning van de eerste druk van deel vier, 'Het A. P. Beerta-Instituut', werd zelfs aangekondigd op het achtuurjournaal. J. J. Voskuil is nog steeds verbaasd over de heuse hype die rond zijn boek is ontstaan: “Ik wist niet dat het zo erg was. Kennelijk kunnen de lezers na deel drie niet meer stoppen.”

ONNO BLOM

In 'Het Bureau' beschrijft Voskuil even vilein als humoristisch de dertig jaren, die hij werkzaam was op het P. J. Meertens-Instituut, als hoofd van de afdeling 'Volkskunde'. Voskuils alter ego, de wetenschapper Maarten Koning - “kantoorbediende was beter geweest” - gaat tot wanhoop van zichzelf en zijn vrouw Nicolien steeds meer op in zijn werk, dat hij als volstrekt zinloos ervaart. In dit gesprek typeert Voskuil het schrijven van zijn megalomane en indrukwekkende sleutelroman als zijn coming-out: “Dit ben ik, hier sta ik voor.”

Na het koele marmer in de hal van het statige grachtenpand volgt, na twee kleine trappetjes, het warme hout dat past bijde onopgesmukte wereld van het romanpersonage Maarten Koning. Zijn schrijver, J. J. Voskuil, staat in de deuropening te wachten. Een slanke man met asgrijs haar. Onder de grote, donkere wenkbrauwen vonken zijn ogen spottend. Hij draait zich om en gaat voor door de duistere lange gang, langs de opgeprikte kaart van Frankrijk die op de vouwen is gescheurd, naar de voorkamer aan de gracht waar het winterlicht in scherpe bundels naar binnenvalt.

De kamer doet aan alsof die een aantal decennia geleden is verlaten en daarna onaangeraakt is gebleven. Een bruingerookt plafond, een oude radio zonder knopjes, groene deuren en, vooral, hout: houten stoelen, uitpuilende houten boekenkasten en een ouderwets houten bureau. Het enige wat detoneert is de glanzend nieuwe computer. “Mijn vrouw heeft er bezwaar tegen”, zegt Voskuil. “Al die technische dingen kosten ruimte, vernielen ruimte, en dat is weer slecht voor de dieren, enzovoort. Ze wil geen nieuwe dingen. Dat wil ik ook niet, maar ik ga er toch in mee.”

Voskuil voert op de computer voor zijn uitgever, Van Oorschot, de tekst in van de zeven dikke delen van 'Het Bureau'. Hij is net klaar met het intikken van deel zes en loopt dus twee delen voor. “Ik heb dat hele boek, het hele Bureau, als één geheel geschreven. Pas daarna heb ik gekeken waar de cesuren zaten. Dat is ook de reden dat de delen van ongelijke grootte zijn. Toen ik dit vierde deel binnenkreeg, bijna duizend bladzijden dik, dacht ik wel: Dit wordt 'Eeuwig waaien de rotsen' of zoiets dergelijks.” “Toch zou dit boek niet dunner kunnen. Het moet zó. Als je op een Instituut werkt, zoals het mijne, duurt het heel lang voordat je iedereen leert kennen. Iedereen gaat zo in zijn rol op dat dramatische gebeurtenissen zich niet voordoen. Pas na jaren van nauwkeurig kijken vult iedereen zichzelf langzaam in. Tegelijkertijd groeien mijn collega's steeds verder van me weg. Mensen worden, naarmate je ze langer kent, steeds onbegrijpelijker. Toch weet ik uiteindelijk wat ik aan ze heb: niets. Maar om dat te ontdekken, heb ik tijd nodig, en als schrijver dus ruimte. Alleen in de details kun je ontdekkingen doen.”

Het valt op dat die persoonlijke details, die u prijsgeeft, nogal eens dezelfde zijn. De eindeloze herhaling van dezelfde observaties krijgt iets voorspelbaars en hilarisch. Van Maartens medewerkers Ad Muller en Bart Asjes weet je na een tijdje dat ze zich ziek zullen gaan melden (vanwege 'moeie ogen', 'warm' zijn of 'een stip in de keel') of zich zo star en 'principieel' opstellen dat er niets meer uit hun handen komt.

“Bart en Ad zijn heel simpel”, geeft Voskuil toe. “Bart zet zich schrap en Ad vlucht, die onttrekt zich aan alles.” Hij buigt zich samenzweerderig voorover en zegt: “Al zullen de ziektes van Ad opeens verdwijnen. Heel gek! Heel verrassend! Maar het is belangrijk te onderkennen dat dat niet alleen aan die twee zelf ligt, maar vooral aan de verhouding met Maarten. Tussen Maarten en Ad en Maarten en Bart sluipt ook een patroon. Ze krijgen een vaste rol tegenover elkaar. Mensen zoeken naar een beschermende rol, waarin zij zich niet hoeven bloot te geven.”

Uw ontmaskerende methode van schrijven heeft veel weg van wetenschappelijk onderzoek. Bestaat er, meer nog dan met romanschrijvers, een overeenkomst met het werk van historici als Ginzburg en Le Roy Ladurie, die in persoonlijke details de vingerafdruk van de tijd zien?

“Er is een belangrijk verschil. De historici proberen door middel van de details greep te krijgen op de hele cultuur. Dat doe ik niet. Ik probeer door middel van de details greep te krijgen op mijn eigen situatie. Ik beschrijf mijn eigen invloed op de omgeving. Daarom ben ik ook niet onder de indruk van het verwijt dat mijn karakteriseringen 'meedogenloosheid' zouden zijn. Ik ben er niet op uit het gedrag van die mensen aan de kaak te stellen, ik ben eropuit de relatie tussen die mensen en mezelf te beschrijven.”

“Je leert jezelf pas kennen in het contact met anderen. Zo'n instituut is natuurlijk een prachtig middel om je te leren kennen. Mensen door en door leren kennen is de ingang tot het leven. Zoals ik mijn vak heb beoefend, zo schrijf ik ook. Ik relativeer. Ik prik mijn eigen illusies door, probeer ze kapot te maken. Ik kan niet tegen mensen die illusies hebben, omdat ik ze zelf heb en er door bedrogen wordt. Dat heeft mij ook wel vrienden gekost. Ik kan niet tegen mensen die niet inzien dat ze een zak zijn. Je mag best een zak zijn, maar zie het in.”

Voskuil gniffelt sarcastisch, zwijgt even, en doceert dan verder. “Stel: je wordt geboren als een varken in een donkere ruimte. Je ziet niks. Dan ben je er ook niet. Je bestaat pas als er ook anderen zijn. Er zijn wel vage lichamelijke gevoelens als honger en dorst, maar verder is niets. Je bent niet moedig, niet laf, je kunt niet hard lopen. Dat kun je allemaal pas zeggen als er ook een ander mens is - of in dit geval, een varken - aan wie je dat kan afmeten. Dus wat ik in mijn boek beschrijf, via botsingen en reacties, ben ik zelf.”

Daarin verschilt 'Het Bureau' wezenlijk van uw debuut, 'Bij nader inzien', waarin we niet alle personages (onder wie de latere schrijfster Frida Vogels, nog steeds een van de beste vriendinnen van het echtpaar Voskuil) te zien krijgen door de ogen van Maarten Koning.

“Het Bureau is duidelijk een ik-boek. In 'Bij nader in-zien' maakt Maarten deel uit van een groter lichaam: de vriendschap. Het drama van dat boek is dat Maarten ontdekt dat dat lichaam verlaten wordt of er zelfs nooit echt is geweest. Het is toen niet mijn bedoeling geweest een portret van mijzelf te geven via de anderen. Nee, ik wilde de ideologie van de vriendschap beschrijven. Zo langzamerhand heb ik wel begrepen dat ik daar alleen in sta, in de verheerlijking van de waarden van die ideologie.”

Is dat wel zo? In 'Het Bureau' formeert u - of liever ge-zegd: Maarten Koning - opnieuw een groep mensen, van wie u ten onrechte grote loyaliteit verwacht.

“Blijkbaar kan ik niet zonder de illusie van solidariteit. Ik vind: je doet samen je werk zonder jezelf te willen bevoordelen. Schouder aan schouder. Met z'n allen probeer je je tegen de buitenwereld sterk te maken. Ik heb altijd, tegen beter weten in, in die illusie geloofd. Ik ben met dit soort solidariteitsgedachten grootgebracht en kan me daar niet van losmaken. Bij De Arbeiderpers, waar mijn vader werkte, werd nooit iemand ontslagen. Uitgekafferd desnoods, maar nooit ontslagen. Als iemand iets niet kan, moeten de anderen het maar overnemen. We moeten ook zorgen voor de kneuzen, de mensen waar we niks aan hebben. Ik geef toe, het is allemaal krankzinnig en komt uit een tijd die helemaal voorbij is. Desondanks drukt die mentaliteit heel sterk zijn stempel op dit boek. Naar mijn idee zijn die mensen op mijn afdeling potentiële vrienden. Tot echte vriendschap komt het niet, maar een ding hebben ze gemeen: ze staan voor elkaar, ze staan voor hun werk. Vandaar dat het zo'n indruk op Maarten maakt dat Ad zich steeds ziek meldt, dat Bart zich consequent verzet tegen onontkoombare maatregelen.”

De lezer is op dit punt wijzer dan Maarten. Hij weet allang wat er gaat gebeuren, terwijl Maarten steeds opnieuw verbijsterd raakt.

“Precies. En de lezer moet daaruit concluderen: Maarten is op dit punt monomaan. Maarten registreert slechts wat zijn wereldbeeld verstoort. Een van de mensen op wie ik in het boek het meeste gesteld raak - hij is nog niet in 'Het Bureau' verschenen, maar heet Erik Visser - schreef mij: ,Ik heb nu dat 'Meneer Beerta' gekregen voor mijn verjaardag. Wat een vreselijk irritante man, die Maarten!' Voskuil moet er hardop om lachen.

Dat doet u deugd?

“Ik had het wel verwacht van deze man. Een heel rechtschapen, rechtlijnig mens waar heel weinig muziek in zit. Er moet wel muziek in je zitten om gecharmeerd te raken van een koppig en dwars persoon als Maarten. Ik denk dat vooral de kritiek op de wetenschap hem niet lekker zat.”

Hij zal niet de enige academicus zijn, die zich in zijn hemd gezet voelt door uw boek, waarin de wetenschap wordt voorgesteld als het najagen van wind.

Voskuil fronst de zware, donkere wenkbrauwen: “Dat vind ik dom. Als je wetenschapper bent, moet je kunnen relativeren. En je moet kunnen inzien dat het werk dat je doet totaal zinloos is voor de gemeenschap. Mijn bezwaar is niet dat iemand er plezier in heeft iets uit te zoeken. Ik was zelf ook vaak totaal gefascineerd door mijn onderzoek naar de dorsvlegel, de kerstboom en het ophangen van de nageboorte van het paard. Maar je moet wel het inzicht hebben dat geen hond er wat aan heeft. Niemand leest het, behalve de kleine kring van vakgenoten die het moeten lezen. Mijn bezwaar tegen de wetenschap betreft ook niet de onbenulligheid van de onderwerpen. Alle onderwerpen zijn onbenullig. Nee, mijn bezwaar is dat de wetenschap betaald wordt. Ze bezuinigen verdomme op bibliotheken en archieven en laten op de universiteiten een stelletje mensen werk doen wat alleen die mensen zelf leuk vinden. Ik maak bezwaar tegen dat systeem.”

Maar u maakte zelf bijna dertig jaar lang deel uit van dat systeem, door aan het P. J. Meertens-Instituut te blijven werken.

“Dat is het belazerde van onze cultuur. Als je niet in het ravijn terechtkomt, zoals Frans Veen in het boek (in werkelijkheid Voskuils vriend Bert Weijde, de auteur van de tragische ziektesgeschiedenis 'Onder het ijs'), heb je geen keuze. Als je niet in de armen van de WAO wilt vallen, moet je wel. Dat is voor Maarten een groot dilemma, vooral omdat Nicolien hem constant herinnert aan de idealen van hun jeugd. En terecht. Er zijn natuurlijk avontuurlijker mensen. Die stappen eruit, en gaan iets doen wat wel zin heeft. Maarten zit sociaal slecht in elkaar, kan nooit wennen in een nieuwe omgeving en zal dus niet snel overstappen. Hij is oorspronkelijk niet op het werk afgekomen, maar op Beerta. Vanaf het moment dat hij daar is aangenomen voelt hij zich verantwoordelijk tegenover Beerta en blijft".

Maar die morele plicht vervalt toch als directeur Beerta afscheid neemt, en zeker als hij aan het einde van deel drie 'plankton is geworden' omdat hij een hersenbloeding krijgt?

“Ja, maar toen voelde ik me verantwoordelijk voor de afdeling.”

Waar komt dat overdreven plichtgevoel vandaan? Hoe kon Maarten, zo vervuld van afkeer, al dat werk verdragen?

“Daar zijn heel wat antwoorden op. In de eerste plaats heeft Maarten een fabelachtige werkkracht, al zeg ik het zelf. Geweldig. Dat is een manier om vrijheid te kopen. Arbeit macht frei! Als je bureau leeg is, dan mag je niks gaan zitten doen. Dat is een idioot idee, temeer omdat dat moment nooit komt. Maar ik geloofde er wel in. Ten tweede is het werk een vlucht in het niets. Als Maarten keihard werkt verdwijnt hij in het niets, is hij onbereikbaar en geïsoleerd. Dat is het Nirwana. Toen ik dit boek schreef, was er vier jaar en drie maanden lang helemaal niks. Heerlijk. Ten derde heeft Maarten een groot probleem iets te begrijpen. Maar door eindeloos gegevens te verzamelen, rangschikken en heel mechanisch te werken ontstaat de oplossing voor het probleem. Ik maakte bijvoorbeeld lijsten van gegevens. Dan zette ik die lijsten allemaal op aparte fiches, vervolgens zette ik die fiches weer over op lijsten. Een opeenstapeling van handelingen die op zichzelf zinloos zijn en toch met een bliksemflits inzicht brachten. Ten vierde: hard werken is het inlossen van een schuld. Je bent schuldig als je niet gelooft in je werk. Hoe los je schuld in? Door boete te doen. Dat is calvinistisch. Om met Maarten te spreken: Het Bureau is een gevangenis waar we ingestopt worden in ruil voor ons hoge salaris.”

Het vreemde is dat de collega's in Maartens omgeving hem juist dat verantwoordelijkheidsgevoel verwijten. 'Dit is Stalin!' roept Bart Asjes ergens uit. Hoe kunt u iets al dat verzet zo haarscherp beschrijven en het toch niet zien?

“Ja, dat is gek. Maar dat komt ook omdat ik pas achteraf dat boek heb geschreven. Het inzicht dat het allemaal een illusie was, volgt pas na afloop. De zaak viel vrij snel nadat ik wegging uit elkaar. Toen bleek dat er een aantal mensen was dat mij wel kon schieten, omdat ik zulke hoge eisen stelde. Dat had ik nooit begrepen. Hoe scherp ik ook observeerde, de vooringenomen ideeën in mijn kop deden me dat niet inzien. Ik geloof nog altijd niet dat ik een bullebak was, maar ik was wel heel dwingend.

“Al dat geforceerde contact met anderen op Het Bureau bezorgde mij gruwelijke hoofdpijnen. 'Zaterdagmigraine' noemde mijn huisarts dat. Toen ik ophield met werken was dat in één keer weg. Totdat ik een paar jaar na mijn afscheid een migraine kreeg waarbij al die andere hoofdpijntjes in het niet vielen. Het was zo erg, dat artsen dachten dat ik een hersenbarst zou krijgen. Toen dacht ik: het werk zit me dwars, ik moet erover schrijven. Ik had dertig jaar op Het Bureau geleefd, maar besefte dat ik er eigenlijk net zo goed niet had kunnen zijn. Er was een totale vervreemding opgetreden. Daar moest ik me rekenschap van geven. Na een paar weken schrijven verdween de hoofdpijn.”

En was daar toen meteen die nauwgezette én wijdlopige stijl?

“Dat is nu eenmaal mijn vorm. Ik volg de gebeurtenissen op de voet en verklaar niets. Zo kom je voortdurend met open eindes te zitten, maar dat is in het leven ook zo. Als je een normale roman schrijft, dan werk je dat allemaal weg. Dan beperk je je tot een bepaald probleem. Maar als je het leven op de voet volgt, dan zie je dingen waar je soms pas na jaren het belang van inziet. Dat dagelijkse noteren, dat is terug te voeren op mijn dagboekervaring. Ik heb altijd aan het eind van de dag gebeurtenissen opgeschreven. Korte stukken, caleidoscopisch. In mijn dagboek wisselde ik voortdurend van stemming en probleem. Dat is een groot verschil met 'Het Bureau'. In de roman zit een overkoepelende vaart. Het hele patroon lag klaar. Hoe dat precies kwam, weet ik nog steeds niet.”

U zegt het niet precies te weten, maar u maakt een welbe-wuste keuze in de dingen die u beschrijft. Ondanks de spanne van 5500 bladzijden heeft u nooit naar een vorm van volledigheid gestreefd.

“Ik maak een uitsnede uit de werkelijkheid. Er komt zoveel niet in het boek voor: de verhouding tot bepaalde vrienden, bepaalde gebeurtenissen, seksualiteit. Het is geen complete biografie, het gaat alleen om de dagelijkse omgang op het werk. Saamhorigheid, daar draait het hele boek om. En dan nog alleen op de manier waarop Maarten dat heeft ervaren.” “Ik heb daarvan een aardig voorbeeld: de directeur van het Zeemuseum neemt afscheid. In de trein daar naar toe zitten Buitenrust, Hettema, Beerta, Van der Land en Maarten. Ze praten erover dat de directeur in de oorlog fout is geweest en ook Van der Meulen. Dan zegt Van der Land: 'Dat is het enige aardige van mijn oude heer. Als ik ook maar de behoefte had gehad fout te zijn, dan had hij mij er uitgetrapt. Daar ben ik hem dankbaar voor.' Ze komen in het Zeemuseum aan en Van der Land loopt recht op Van der Meulen af en geeft hem een hand.”

“Van der Land, althans de man die daar achter staat, belde me daarover op. Hij zei: 'Je stelt het voor alsof ík fout ben geweest.' Ik zei hem dat ik alleen maar weergaf wat ik had gezien, maar gaf toe dat mij dat had geschokt. Toen zei Van der Land: “Weet je waarom ik Van der Meulen een hand gaf? Zijn dochter was net opgenomen in een inrichting. Ik had met hem te doen.' Al zou je me dit eerder hebben verteld, zei ik, dan zou ik dat nog niet in mijn boek hebben opgenomen. Het past niet in de manier waarop ik dat toen heb beleefd. De eenheid van visie moet blijven. Als ik het op dat moment geweten had, had ik het er misschien niet ingezet.”

Heeft de kritiek van mensen die zich in uw roman kunnen herkennen u nooit aan het twijfelen gebracht over de publicatie van 'Het Bureau'?

“In het geval van 'Bij nader inzien' is dat een probleem geweest. Ik had het manuscript impulsief naar Querido gestuurd, maar was in mijn hart blij toen ik hoorde dat de uitgever, Reinold Kuipers, 't niet hebben wou. Maar toen heeft Henk Romein Meijer het tijdens mijn vakantie naar Van Oorschot gebracht. Toen ik terug van vakantie kwam, belde Van Oorschot mij midden in de nacht op dat hij het wilde publiceren. Daarna heb ik drie weken niet geslapen. Ik vond het laf om me toen terug te trekken. Bovendien wilde ik mijn oude vrienden, de groep studenten met wie ik zo intensief omging, ook wel laten zien wat zij hadden verspeeld.”

“Als je eenmaal de schrijver van een boek bent, is het vanzelfsprekender dat een nieuw boek ook echt verschijnt. Ik zag geen kwaad in publicatie. Bovendien vind ik dat je moet denken om je soortgenoten. Ik zou het zelf fijn vinden om zo'n boek te lezen. Waarom zou je je lotgenoten dat werk onthouden. Tenslotte heeft publicatie het gevolg dat je kunt laten zien: dit ben ik, hier sta ik voor.”

Toch heeft u ook nog een roman uit de jaren zestig liggen, getiteld 'Binnen de huid', die u niet heeft gepubliceerd. Waarom niet?

Voskuil wijst op een plank hoog in de boekenkast, waar vier bruine kartonnen mappen - “vroeger waren ze lichtgroen” - opgestapeld liggen. “Daar ligt het manuscript. De reden, dat ik dat boek niet wil publiceren, is dat ik het niet kan voorlezen. Dat vind ik een criterium. Daar is het boek te aangrijpend voor. Het stamt uit een periode vlak nadat ik 'Bij nader inzien' schreef, een periode waarin ik helemaal niet meer wist wie ik was en wat ik wilde. Ik voelde me toen doodongelukkig, en als ik het lees voel ik me weer doodongelukkig.”

Desondanks zitten er in dit vierde deel van 'Het Bureau' ook schrijnende passages. Steeds explicieter wordt de wanhoop van Maarten Koning onder ogen gebracht, getuige zinnen als “Waar zijn we eigenlijk mee bezig?” en “Als het erop aankwam, was hij niet thuis, voor niemand”.

Voskuil knikt. “Daar heeft u gelijk in. In de eerste Beerta-periode voelde Maarten zich een vreemde. De buitenwereld wordt geobserveerd. Er wordt een muur opgetrokken tussen de wereld en hemzelf. Maarten denkt over zichzelf niet na. Het Bureau blijft vreemd. In de periode, die wordt beschreven in de delen 'Vuile Handen' en 'Plankton' ziet hij in dat hij niet meer weg zal kunnen komen van Het Bureau, uit redenen van loyaliteit.”

“Mijn dagboek schreef ik in die tijd in de hij-vorm. Ik schreef over mezelf als De Ambtenaar. De Ambtenaar doet dit, De Ambtenaar doet dat. Er is een Maarten thuis en er is De Ambtenaar op Het Bureau. Frida Vogels zei een keer, en dat vond ik heel treffend: “Jij beschrijft jezelf net alsof je een klein beest ziet lopen en zegt: hé, wat is dat nou?” Het is een schizofrene situatie. In dit deel, het A. P. Beerta-Instituut, begin ik mij te identificeren met mijn werk. De Ambtenaar verdwijnt, Maarten slaat naar binnen. Er worden steeds meer gevoelens beschreven, accenten aangebracht. Het zevende deel, dat verraad ik u dan nu, zal uitsluitend nog bestaan uit zelfobservatie.”

Voskuil loopt nog na het einde van het gesprek nog even mee naar beneden. Weg uit de houten kamer en de marmeren hal weer in, om zijn krant van de mat te pakken. Sinds kort hebben Voskuil en zijn vrouw een abonnement op een deftig avondblad. “Mijn vrouw is ertegen”, zegt Voskuil. Omdat de krant te rechts is? “Ja, dat ook, maar vooral omdat ze het jammer vindt dat het halen van de krant, elke avond bij de sigarenzaak, voorbij is. Ze is tegen verandering. Ik kan dat goed begrijpen.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden