Review

Is kapitalisme goed voor ons?

Weinigen denken nog dat het kapitalisme ’overwonnen’ kan worden. Maar kritiek is er wel. De Amerikaan Sennett, bijvoorbeeld, ziet ook verliezers van de mondiale vrijhandel. Zijn landgenoot Frieden is optimistischer.

Economie heeft een reputatie te verliezen: ze geldt als aanstichter én als remedie van groot kwaad. Wie die dubbelzinnigheid erkent, heeft alvast een streepje voor op een uitgesproken voorstander of criticus van de wereldwijde handel.

De Amerikaanse socioloog Richard Sennett en de econoom Jeffry Frieden gaan allebei in op de twijfelachtige gunsten van het moderne kapitalisme. Ze volstaan met goede raad en geen van beiden propageert een wezenlijk ander stelsel. De soort en de mate van kritiek verschillen echter.

Sennett, die in 1972 een opzienbarende reportage schreef over de psychische schade die het sociaal-economisch bestel onder arbeiders aanrichtte (’The Hidden Injuries of Class’), heeft ’de cultuur van het nieuwe kapitalisme’ de maat genomen, en laakt de trend die hedendaagse werknemers dwingt om zich bij voortduring aan te passen. Frieden schreef een algemene historie van het internationale kapitalisme, met de nadruk op de prestaties van de wereldhandel.

Beide boeken nemen het einde van de negentiende eeuw als ijkpunt, de sociaal bewogen Sennett omdat de eerste overheidsbemoeienissen met de economie in die tijd vielen, en Frieden omdat pas toen werkelijk sprake was van een wereldomspannende economie.

Sennett betoogt dat de arbeid waarvan de arbeider de voorwaarden kende sindsdien veranderd is in ’flexwerk’ dat de werknemer eigenlijk zelf moet invullen. Taak, omgeving en beloning zijn niet langer gegeven met de werkplek, maar opgaven voor de employee zelf. Die is daarmee ook verantwoordelijk voor eigen succes of mislukking. Want de machtsverhoudingen zijn er niet minder scherp op geworden, en als de werknemer zich in zijn opgaven ’vergist’, wordt hem sneller dan ooit de deur gewezen.

Onder een glossy imago brengt ook de soepele vierentwintiguurseconomie werknemers schade toe: een intense onzekerheid die het ’sociale kapitalisme’ juist bestreden had.

Het ’sociale kapitalisme’ nam een aanvang toen regeringen inzagen dat de misère waarin de arbeiders verkeerden het kapitalisme in zijn hoge vlucht hinderde. Als de werknemers een minimum aan garanties geboden zou worden, zouden zij zich trouw van hun arbeid kwijten, en hadden de staat en de ondernemingen minder van opstanden en stakingen te vrezen. Dit pact tussen politiek en economie dat de ’ijzeren kanselier’ Bismarck aan het einde van de negentiende eeuw sloot, liep uit in de verzorgingsstaat van de twintigste eeuw.

De econoom Jeffry Frieden komt langs een andere weg tot een vergelijkbare conclusie als Sennett: dat een minimum aan sociale zekerheid goed is voor de markteconomie. ’Global capitalism’ heeft de opkomst, ondergang en wedergeboorte van het mondiale kapitalisme tot onderwerp. In de laatste decennia van de negentiende eeuw koppelden bedrijvigheid en handel de economieën van de wereld steeds nauwer aan elkaar. Die verbondenheid kreeg gestalte in het algemeen aanvaarden van een vaste wisselkoers voor het internationale geldverkeer, de ’gouden standaard’.

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging het onderling vertrouwen verloren, vielen landen terug op hun eigen hulpbronnen en maakten zich los van de gouden standaard. Dat ’ieder-voor-zich’ in de economie vond zijn oorsprong in nationalisme en oorlogszucht. Pas in 1944 maakten de geallieerden in de conferentie van Bretton Woods weer onderlinge afspraken over de onderlinge afstemming van hun economieën. Het IMF en de Wereldbank waren het resultaat.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft het wereldhandelssysteem een ongeëvenaard succes gekend. Frieden weet knap uit te leggen hoe de ’wet van de comparatieve voordelen’ alle economieën op den duur ten goede komt, omdat vrijhandel voor een natuurlijke selectie zorgt van de goederen en diensten waarin een land uitblinkt. Tenslotte ontstaat dan een vereffening van rekeningen: de export van de een, is de import van de ander.

De cijfers over de toename van omvang en bereik van de uitwisseling na de Tweede Wereldoorlog zijn inderdaad indrukwekkend, en Frieden wil zijn lezers graag doen geloven dat iedereen die aan het mondiale kapitalisme meedoet wel lang en gelukkig moet leven.

Maar de uitruil pakt voor een aantal spelers verkeerd uit, en ook Frieden moet toegeven dat er verliezers zijn. Afrika en het Midden-Oosten zijn er de afgelopen jaren niet alleen niet op vooruit gegaan, maar verkeren in een slechtere staat dan ooit. Ghana bijvoorbeeld, dat dit jaar zijn vijftigjarige onafhankelijkheid viert, heeft in een halve eeuw zijn inkomen met de helft zien teruglopen.

Sommige economieën hadden van meet af aan weinig te bieden, andere boeten omdat ze het vrijhandelsspel niet goed spelen en productie en handel aan banden leggen. Veel landen lijden ook armoede omdat de grote spelers bij machte zijn de spelregels, de terms of trade, naar hun hand te zetten, en politieke en militaire argumenten gebruiken om hun voorwaarden op te leggen. Baande het mondiale kapitalisme – dat toen nog gewoon imperialisme heette – zich niet aan het eind van de negentiende eeuw met ’kanonneerbootdiplomatie’ een weg naar nieuwe markten? De politiek is de economie altijd de baas, ook al betaalt ze dat overwicht bij tijd en wijlen, zoals tussen de twee wereldoorlogen, met economische stuipen of krimp.

De twee boeken zijn min of meer bedacht om beleidsmakers die zich zorgen maken over de wereldeconomie, munitie te verschaffen. In Sennetts geval munitie voor een culturele hervorming, en wat Frieden betreft munitie voor een institutionele versterking van de markten. Frieden gelooft dat de ergste ongelijkheid verdwijnen zal als kortzichtige nationale politiek plaatsmaakt voor een bescherming van vrijhandel. Nog steeds krachtens de wet van de comparatieve voordelen.

Sennett, die in een lange Amerikaanse traditie van intellectueel radicalisme schrijft, heeft minder vertrouwen in de helende kracht van de onzichtbare hand, en verwacht meer van een culturele omslag van de economische bedrijvigheid. Ervaring, vakmanschap en onderling hulpbetoon dienen in ere hersteld.

Met enige spijt helt de lezer over naar de suggesties van Frieden. Een verstandige politieke elite zou diens verwachtingen kunnen bewerkstelligen, misschien. Sennetts hoop op een mentaliteitsverandering van producenten en consumenten lijkt helemaal te veel gevraagd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden