Review

Is die zwarte je bediende?

Nog niet zo lang geleden waren het niet moslims, maar zwarte immigranten die de blanke Europeaan angst aanjoegen. Amal Chatterjee bespreekt drie Engelse boeken die herinneren aan een nog niet zo ver verwijderd racistisch verleden.

De storm over het Zwitserse minarettenverbod is alweer wat geluwd. Maar dat xenofobie in veel Europese landen toeneemt, valt niet te loochenen. Zelfs Engeland, dat nog steeds heel veel immigranten trekt, heeft een Britse Nationale Partij die (net als de Nederlandse PVV) meent landgenoten te moeten beschermen tegen ’de islam’, kranten als de Daily Mail gaan dagelijks tekeer tegen asielzoekers en buitenlanders en de gevestigde partijen spreken van ’het probleem van de immigratie’.

De situatie is nog lang niet zo dramatisch als in de jaren vijftig en zestig, toen je in Engeland borden aantrof met ’Geen gekleurden, geen honden, geen zigeuners of Ieren’, maar het kan geen kwaad de tijden van openlijk racisme in herinnering te roepen. En dat gebeurt in de nieuwe romans van Gillian Slovo, Caryl Phillips en Andrea Levy. Misschien vond ook de BBC het onderwerp actueel: vorige week zondag was op tv al de verfilming te zien van Andrea Levy’s ’Klein Eiland’.

In sommige opzichten verschillen de drie genoemde vertellingen hemelsbreed. Gillian Slovo’s ’Zwarte orchideeën’ is een volkomen fictief verhaal over een in Ceylon geboren Engelse vrouw die in haar moederland stuit op de harde realiteit van het racisme. Andrea Levy's ’Klein eiland’ is een prachtig geconstrueerde roman over wat het betekende om Caraïbisch te zijn in het verwarrende, deprimerende Engeland van de jaren vijftig. En Caryl Phillips ’Buitenlanders’ vertelt het levensverhaal van drie ongebruikelijke zwarte Engelsen die berooid eindigden, maar een onuitwisbare indruk maakten op hun land.

Om met het laatste boek te beginnen: de daarin geportretteerde mannen – een bediende, een bokser en een dakloze – hebben echt bestaan. Phillips weet de historische gegevens echter om te vormen tot drie verontrustende verhalen, met elk een heel eigen stem.

Het eerste handelt over Francis Barber, de bediende, metgezel en geadopteerde zoon van de achttiende-eeuwse intellectueel Dr. Johnson. Dat is zolang geleden dat Francis’ relaas ons vooral treft als een bizar voorval uit een andere tijd. Dat Francis, die niet aan de intellectuele verwachtingen van zijn beschermheer kan voldoen, na diens dood genegeerd, bedrogen en beschimpt wordt door Johnsons stadsgenoten is wel onaangenaam, maar verrast nauwelijks.

Opmerkelijker is het lot van Randolph, ’Randy’, Turpin, de zwarte Engelse bokser van wereldklasse, die Sugar Ray Robinson nog heeft verslagen. Randy, een knorrig, moeilijk kind, groeit al snel uit tot de schrik van zijn buurt: een hangjongere van het ergste soort. Later brengt hij het als bokser tot nationale held, maar alleen dankzij zijn overlevingsdrift. Als enige zwarte te midden van blanken stond hij tenslotte dagelijks bloot aan racisme.

Maar totdat Randy vader wordt, een goede vader bovendien, is het moeilijk mee te leven met deze onplezierige man. Dat komt misschien doordat ik niets heb met boksen, behalve natuurlijk met Mohammed Ali, die een voorbeeld was voor veel van mijn generatiegenoten – ook als ze niets hadden met boksen. En als zelfs Mohammed Ali, zoals Phillips vermeldt, respect had voor Turpin, wie zijn wij dan om hem te bekritiseren?

Die eerste twee delen vormen dus ongemakkelijke lectuur, maar in het derde deel, met in de hoofdrol de anonieme Nigeriaanse immigrant en dakloze David Oluwale, wordt de lezer beloond. Hier smeedt Phillps alle lijnen, alle stemmen, samen tot één geheel.

Eén daarvan, een agent, vertelt hoe zijn collega’s het steeds weer hebben voorzien op die éne dakloze, maar trotse man, hoe ze hem schoppen, gewoon omdat ze zich vervelen, omdat hij zwart is en daar toevallig ligt. Hoe ze hem uiteindelijk afmaken en daarmee weg komen. Dit verhaal is niet alleen ijzingwekkend, maar ook verrassend, want de agent komt in verzet en legt een belastende verklaring af: „Agent Constable Kenneth Higgins verklaarde dat de verdachten David Oluwale dwongen zijn hoofd hard tegen de vloer te slaan.”

En dan krijgen we ook nog iets te horen over de Romeinse tijd, toen de eerste Afrikanen als soldaten voet op Engelse bodem zetten, over het duistere, maar lucratieve tijdperk toen zwarten het Britse rijk van gratis werkkracht voorzagen, over Olaudah Equiano, de vrijgelaten slaaf die in de achttiende eeuw onvermoeibaar vocht voor emancipatie, over koningin Elizabeths zestiende-eeuwse besluit zwartjes uit Engeland te verbannen, en over de Joden die in de achttiende en negentiende eeuw zo'n beetje overal van buitengesloten werden.

Samen vormen al die stemmen uit het collectieve geheugen een betekenisvol geheel. Zwart én Brits zijn mag tegenwoordig niet meer klinken als strijdig of uitzonderlijk; nog niet zolang geleden was het dat wél. Phillips: „Het moederland heette deze burgers aan de voordeur welkom, om ze daarna via de achterdeur weer snel te lozen met kreten als ’Geen zwarten’ en ’Ga terug naar je eigen land’.”

In ’Buitenlanders’ speelt Londen nauwelijks een rol; Andrea Levy’s ’Klein Eiland’ daarentegen speelt zich helemaal af in de Britse hoofdstad. Van alle recente romans over multicultureel Londen (waaronder die van Zadie Smith en Monica Ali) is dit verhaal over zwart en blank Londen na de Tweede Wereldoorlog naar mijn oordeel de beste.

Hortense, een jonge vrouw uit Jamaica, komt in Londen wonen nadat haar man Gilbert is aangenomen bij de British Royal Air Force. Al snel ontdekt ze dat haar soort in deze stad niet welkom is, en dat haar man niet is wat ze van hem had verwacht. Teleurgesteld in het ’moederland’ én in haar echtgenoot weet Hortense niettemin een plek te veroveren in de Engelse maatschappij. Al was het maar als antwoord op de taxichauffeur, die haar vraagt: „Ben je bekend met bellen en kloppers? Heb je die waar jij vandaan komt ook?”

Ook Gillian Slovo’s boek begint op een eiland, maar dan op Ceylon (zoals Sri Lanka vroeger heette): een kleurrijk en weelderig land, dat Slovo soms verleidt tot al te weelderige adjectieven.

Evelyn is een jonge Engelse vrouw, geboren en getogen in koloniaal Colombia, waar haar moeder een deftig, maar in wezen armoedig pension drijft. Van de pretentieuze en sociaal gemankeerde Engelse mannen die daar op af komen moet Evelyn niets hebben. Ze geeft de voorkeur aan de oneindig veel slimmere, rijkere en charmantere Singalees Emil, die haar galant weet te redden uit een vervelend akkefietje.

Maar Ceylon is niets voor hen, besluit Evelyn, en dus reist haar knappe, rijke echtgenoot alvast naar Engeland. Als Evelyn zich kort daarna bij hem voegt, wordt ze onmiddellijk geconfronteerd met racisme: een vrouw veronderstelt dat Emil Evelyns kruier is en behandelt hem ook zo. Eerst vindt Evelyn Emils reactie nog wel grappig: hij voert de order zo gedwee uit dat de vrouw voor gek staat. Maar er zullen meer van zulke incidenten volgen.

De rijke immigranten Evelyn en Emil verschillen hemelsbreed van Andrea Levy's arme stedelingen. Maar hun ervaringen – gekleineerd worden in winkels, scholen, ja waar eigenlijk niet – vertonen angstaanjagend veel overeenkomsten; zelfs Evelyn, blank, maar getrouwd met Eén van Hen, een Zwarte, ontkomt er niet aan. Ze betrapt zich zelfs op de volgende wens voor haar ongeboren kind: „Alsjeblieft, God, maak dat het niet te zwart wordt.”

Wat ook niet helpt is dat andere ouders in de eliteschool die ze voor haar zoon heeft gekozen haar laten weten zelfs de stadse, sophisticated Emil nog altijd te beschouwen als buitenstaander. Zodra er problemen ontstaan op deze exclusieve privéschool moet hun zoon boeten, niet diens witte medeplichtigen.

Te midden van al die verwarring, van het ergens bij horen en dan weer niet, zwicht Evelyn voor Charles, de Engelse upperclass zakenpartner van haar echtgenoot. Emils reprimande komt hard aan: „Je beseft toch wel dat die hele verleiding van jou bedoeld was om mij te raken?” Op dat moment begrijpt Evelyn dat Emil ondanks al zijn rijkdom voor zijn zakenpartner niet meer is dan een ’omhooggevallen koloniale kleurling’. Beschaamd, stuurloos, vlucht ze weg en wist haar sporen uit. Haar zoon vindt haar later terug op het ’andere eiland’, het vruchtbare Ceylon, dat zo scherp contrasteert met Engelands eindeloze nuances in wit en grijs.

Hoe verschillend de romans van Phillips, Levy en Slovo ook zijn, ze herinneren eraan dat ras in Engeland nog heel lang een rol heeft gespeeld, en niet alleen in een ver verleden.

Intussen is er wel degelijk veel veranderd. De op de Caraïben geboren Caryl Phillips is nu lid van de Royal Society of Letters, de Engels-Jamaicaanse Andrea Levy zorgt voor prime time televisie en Gillian Slovo, dochter van Zuid-Afrikaanse anti-apartheidstrijders, is een alom gerespecteerd Britse romanschrijfster.

Reden tot waakzaamheid is er nog steeds, maar ik geloof niet dat Groot Brittanië, zelfs al verkeert het in een economische crisis, snel minaretten zal verbieden of teruggrijpen op openlijk racistische termen, borden of beelden. Anders dan in Nederland, waar trots op het verleden de verwerking van het slavernijverleden steeds verder uit het geheugen terugdringt, komen in Engeland bovendien nog romans uit die het pijnlijke verleden durven op te rakelen, zonder dat de auteurs onmiddellijk als politiek-correct worden weggezet. Je zou Nederland meer van zulke romans toewensen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden