Review

Iraans wantrouwen tegen het Westen is van alle tijden

Iraniërs moeten weinig hebben van buitenlandse bemoeienis, al weten ze de MTV-clips wel te waarderen. Maar ook binnenlandse tirannie kunnen ze slecht verdragen, blijkt uit een handvol recent verschenen boeken.

Barack Obama had zulke goede voornemens. Een maand geleden nog, stak hij een uitnodigende hand uit naar de Iraanse leiders. De Verenigde Staten en Iran kunnen op voet van gelijkwaardigheid met elkaar onderhandelen, stelde Obama. „Als jullie je vuist ontspannen.” Irans geestelijk leider Ali Khamenei gaf deze week antwoord, zo direct als maar kan. Bemoei je met je eigen zaken, voegde hij buitenlandse machten toe, anders zullen de Iraniërs ’zich tegen hun vijanden verenigen in één vuist’.

Dit diepe wantrouwen over de bedoelingen van, vooral, westerse landen, kent een lange traditie in Iran. De Iraans-Nederlandse politicoloog Peyman Jafari laat in zijn boeiende boek ’Het andere Iran’ zien dat het in ieder geval teruggaat tot de negentiende eeuw, toen Iran via economische concessies aan de Britten zijn onafhankelijkheid bijna volledig verloor.

Het verzet tegen deze buitenlandse uitbuiting leidde uiteindelijk in 1905 tot de Constitutionele Revolutie in Iran, gedragen door een coalitie van geestelijken, kooplieden en intellectuelen. De almacht van de sjah – die immers de concessies had verstrekt – werd ingeperkt ten gunst van een gekozen parlement en een grondwet. Iran was er in de regio uniek mee, hoewel de soevereiniteit van het volk al snel op grenzen stuitte en de sjah weer machtiger werd, ondanks dat het parlement blééf (tot nu aan toe).

Het patroon zou zich in de twintigste eeuw herhalen. Want de Britten bleven machtig, zeker nadat het belang van olie toenam, en later wonnen de Amerikanen aan invloed. Weliswaar kwam onder druk van de bevolking premier Mossadeq aan de macht, die begin jaren vijftig besloot de olie-industrie te nationaliseren, maar hij werd in een Brits-Amerikaanse coup afgezet. De Islamitische Revolutie van 1979 was evenzeer een afrekening met de door de VS gesteunde politiestaat van de sjah. Ook hier was het een coalitie van geestelijken, kooplieden en intellectuelen die de revolutie mogelijk maakte.

Jafari beschrijft in zijn boek hoe de rol van de sjiitische geestelijken in de loop van de tijd veranderde. Die werd lang gekenmerkt door quiëtisme, met gelovigen die zich afzijdig houden van wereldlijke zaken. Vanaf de negentiende eeuw werd religie echter een bron van verzet, tegen buitenlandse overheersing. Dat culmineerde uiteindelijk in het islamisme van ayatollah Khomeini, die vanaf de jaren zestig het verzet leidde tegen de sjah.

Uit die tijd stamt ook de in Iran nog steeds populaire term gharbzadegi, dat zoveel betekent als ’door het Westen geslagen’. De intellectueel Jala Al-e Ahmed beschreef het als een ziekte die van buitenaf de samenleving binnendringt, met als symptomen vervreemding, materialisme en imitatie van de westerse cultuur.

Carolien Omidi, correspondent voor Trouw in Iran, noemt de term ook. In haar boek ’Standplaats Teheran’ laat zij tegelijkertijd zien dat wantrouwen jegens en liefde voor het Westen in de praktijk van alledag vaak samengaan. Want het Westen staat ook voor kosmopolitisme, en daar laat de gemiddelde Iraniër zich graag op voorstaan. „Ik heb gek genoeg wel eens een zeer religieus gezin verzocht of de tv uit mocht omdat ik veel MTV-clips niet echt geschikt vond voor Yeganeh (Omidi’s dochter, red.)”, schrijft ze ergens.

Zo tekent Omidi – vaak hilarische – verschijnselen uit de hedendaagse Iraanse samenleving op, waarin niets is wat het lijkt en waar mensen dingen weten te verenigen die je in het Westen niet meteen zou verwachten.

Het spiegelbeeld van anti-westerse gevoelens is het enorme Iraanse patriottisme, een trots op de grootsheid van land en geschiedenis. Tijdens een reis langs de belangrijkste archeologische vindplaatsen van het oude Perzische Rijk onderzocht archeologe Nanny de Vries de liefde en kennis van Iraniërs voor hun pre-islamitische geschiedenis, .

In het islamitische Iran ligt trots op die voor-islamitische tijd enigszins gevoelig – en kan zelfs opgevat worden als verkapte kritiek op de Islamitische Republiek als zodanig. Onderwijs over de periode liet lang te wensen over, misschien ook wel omdat de verdreven sjah lang koketteerde met de Perzische geschiedenis, met haar ’Koning der Koningen’, zoals de leiders sinds de oudheid genoemd werden.

Maar De Vries laat zien dat de meeste Iraniërs linksom of rechtsom wel een rechtvaardiging vinden voor hun fascinatie. Het levert soms aardige observaties op – zoals van een vrouw die de oude maar populaire uitspraak ’Goed denken, goed spreken, goed doen’ uit het zoroastrisme (de belangrijkste godsdienst in Iran vóór de islam) gemakshalve toeschrijft aan de Koran. Meestal overstijgen De Vries’ beschrijvingen het anekdotische helaas niet.

Een boek waarin de samenhang van de historie van het land beter tot uitdrukking komt is ’Iran, een cultuurgeschiedenis’ van de Brit Michael Axworthy, dat in zijn soort een prima inleiding is. Een ’Koninkrijk van de Geest’ noemt Axworthy Iran, omdat de Iraanse taal en cultuur millennia bleven bestaan, ondanks invasies van Mongolen, Arabieren of Turken.

De Islamitische Revolutie van 1979 brak evenmin de continuïteit, blijkt uit Axworthy’s boek. En ook Peyman Jafari laat overtuigend zien dat de revolutie op dezelfde principes en wensen rustte als de eerdere Iraanse revoluties: vrijheid van buitenlandse én binnenlandse tirannie, sociale rechtvaardigheid, economische ontwikkeling.

Jafari laat ook zien dat opeenvolgende presidenten sinds de Islamitische Revolutie elk op hun eigen manier deze idealen nastreefden. President Rafsanjani probeerde Iran begin jaren negentig economisch op te stuwen, de president na hem, Khatami probeerde meer binnenlandse vrijheden af te dwingen (en faalde).

De huidige president Mahmoed Ahmadinejad, zo stelt Jafari, appelleert ook altijd aan genoemde idealen. Hij wil het oliegeld bij mensen ’op tafel brengen’, Iran onafhankelijkheid en welvaart geven, bijvoorbeeld door middel van een nucleair programma. En geen inmenging van buitenaf. In 2005 won hij met overmacht, vooral onder armen die de soberheid en diepgelovigheid van Ahmadinejad waarderen én zijn populistische oproep tot sociale rechtvaardigheid.

Misschien heeft deze zelfde strategie hem een maand geleden wel een nieuwe verkiezingsoverwinning opgeleverd, ondanks de beschuldigingen van fraude. Maar als Ahmadinejad en Khamenei naar de recente geschiedenis van hun land kijken, moeten ze één ding onthouden: afgeven op het buitenland en populisme is niet genoeg. Iraniërs hebben óók een geschiedenis van verzet tegen binnenlandse tirannie. En daar lijken Ahmadinejad en Khamenei meer en meer op af te stevenen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden