InterviewIngmar Heytze

Ingmar Heytze houdt van de roes van het dichten

Ingmar Heytze Beeld Jildiz Kaptein
Ingmar HeytzeBeeld Jildiz Kaptein

Janita Monna spreekt met drie dichters die ieder een gedicht schreven geïnspireerd op ‘Tweestrijd’, het thema van de boekenweek later dit jaar. Deze week spreekt ze met Ingmar Heytze over ‘Hoe Nederland de wereld redt’, het gedicht dat hij schreef voor Trouw.

Het eerste wat opvalt als Ingmar Heytze in beeld verschijnt is een grote microfoon, type dat zangers gebruiken als ze studio-opnamen maken. “Een echte Neumann TLM 103”, grijnst hij. “Aangeschaft dankzij de coronasteun voor schrijvers. Ik kan het Letterenfonds en de Auteursbond niet genoeg bedanken.”

Heytze zag, zoals veel schrijvers, vorig jaar maart van de ene op de andere dag zo’n beetje de helft van zijn jaarinkomen in rook opgaan. “Alle optredens die stonden gepland, werden afgezegd. En toen kwam dat hulpplan voor auteurs. Bij het Letterenfonds kon ik geld aanvragen om mijn online zichtbaarheid te vergroten. Voor de compensatieregeling van de Auteursbond moest ik aantonen wat ik aan inkomsten was misgelopen. Nou, dat was makkelijk, haha. Ik had een hele stapel mails met dezelfde tekst: “Helaas, het gaat niet door.”’

Beluister via onderstaande speler het gedicht Hoe Nederland de wereld redt, dat Heytze schreef voor Trouw.

Ingmar Heytze (1970) dicht sinds zijn vijftiende. Op een Adler Gabriele 5000 ‘knalde’ hij als puber in een paar weken tijd tweehonderd gedichten op papier. “Ik kreeg mijn klasgenoot Joris zover om het pak papier te lezen. Een paar dagen later meldde Joris eerlijk dat hij het allemaal prut vond, op twee gedichten na, waar hij wel om kon lachen”, is te lezen in het binnenkort te verschijnen De honderd van Heytze, een bloemlezing met honderd gedichten en de inleidingen die hij er on stage altijd bij vertelde. Gymles was zo’n gedicht dat Joris wel geestig vond. Het zou niet veel later Heytzes eerste publicatie worden, in Achterwerk, de kinderbrievenrubriek van de VPRO-gids.

Sindsdien doet hij niets liever dan schrijven, hij houdt van het ‘verdwijnen in de tijd’ en ‘wakker worden met de eerste aanzet op het scherm of op papier’. Hij houdt van de roes.

Heytzes oeuvre telt inmiddels zo’n zevenhonderd gedichten – de ongeveer driehonderd gedichten die hij schreef als stadsdichter van Utrecht niet meegerekend. ‘Figuratieve poëzie’ noemt hij het zelf. Gedichten met een klein verhaal, gedreven door ritme en klank, teksten die het op een podium goed doen. Als er tenminste een podium is.

Heytze kan er weer om lachen, maar, zegt hij: “Aan het begin van de coronacrisis was het of ik alleen maar aan het vallen was. Opeens bestaat je baan voor onbepaalde tijd niet meer. Als kunstenaar leef je altijd met het idee dat wat jij doet belangrijk is, zelfs al doe je wel­eens ironisch alsof dat niet zo is. En als alles dan stilvalt, realiseer je je dat je als dichter geen verpleegkundige of politieagent bent. Je hebt geen beroep waar mensen niet buiten kunnen.”

Of dat zo is, is de vraag. In De honderd van Heytze, staat ook het gedicht Vogels, vissen. Hij schreef het maart vorig jaar, in de eerste dagen van de lockdown, op verzoek van het actualiteitenprogramma EenVandaag.

‘Ik ben net zo bang als jij, net zo bezorgd voor iedereen/ die ik niet missen kan. Ik had ook gespaard voor andere dingen:/ verre reizen, eerste hulp bij een gebroken hart,/ een auto die wat vaker start.’

Een paar miljoen Nederlanders zagen je op televisie dat gedicht voorlezen. Mensen putten er moed uit. Is dat niet ook een vorm van zorg?

“Misschien wel, het waren woorden die goed vielen op dat moment. Het is natuurlijk een soort zelfhulp van mensen die iets met zo’n tekst hebben. Maar het is fijn als een gedicht dat kan doen.”

In De honderd van Heytze staan meer voorbeelden van momenten waarop woorden even een duwtje in de rug of een arm om een schouder waren. Het gedicht voor Benjamin bijvoorbeeld, ooit ziekelijk couveusekind, nu een reus van een kleine twee meter. Het zou voor zoveel andere kinderen kunnen zijn:

‘Hier is de wereld, te groot om in te pakken./ Hier is de wereld, te klein om meer te zijn/ dan één tussen miljarden, net als wij.’

Het idee voor de bundel bestond al langer, de crisis bracht tijd. Heytzes korte toelichtingen klinken zoals ze dat ook in een zaal zouden doen, ze onthullen iets van de aanleiding van gedichten, scheren daar associatief langs. Helder, licht, soms melancholisch, vaak geestig, zoals ook zijn poëzie dat is.

Dankzij het werken aan de bloemlezing, dankzij optredens – coronaproof –, online poëzieworkshops met scholieren, door alles ‘aan de lockdown te ontrukken wat mogelijk was’, vond de dichter zijn zelfrespect terug, realiseerde hij zich: “Goed, er zijn nu andere dingen heel acuut belangrijk, in leven blijven mag de basis zijn, maar als er geen liefde is, of schoonheid om voor te leven, waar doen we het dan voor? We hoeven niet te doen alsof kunst niks meer voorstelt.”

Wat stelt kunst, wat stelt poëzie volgens jou dan voor?

“Dat vind ik een lastige vraag. Voor de een is het een verrijking, de ander snapt er niks van. Dat is ook best. Ik zal het niemand door de strot duwen, maar ik geloof wel dat het je een blik op de wereld kan verschaffen die je anders niet gehad zou hebben. Een gedicht kan je in aanraking brengen met een groot overkoepelend raadsel. En zelfs als je totaal niet religieus bent, zoals ik, brengt dat toch een soort verwondering teweeg over het feit dat alles er maar is. Goeie poëzie geeft je het gevoel dat even iets wordt aangeraakt waar je anders met je brein niet bij had gekund.”

Jouw poëzie wordt geprezen om de ‘souplesse’, het gevoel voor absurdisme en de originele beelden. Bij wie keek je de kunst af?

“Eigenlijk heb ik maar één truc, en dat is ritme, daaruit komt alles voort. Die truc keek ik af van cabaretiers. Mijn moeder had anderhalve meter platen van Don Quishocking tot Neerlands Hoop, van Boudewijn de Groot tot Herman van Veen en Frans Halsema. Als jongetje zat ik uren met mijn koptelefoon op te luisteren. Ik raakte doorkneed met ritme en timing.

“Die artiesten schreven niet al hun liedjes allemaal zelf, en zo werd die vinylcollectie meteen een audiobloemlezing van tekstdichters als Willem Wilmink, Hans Dorrestijn, Lennaert Nijgh, Rob Chrispijn.

“En daarna kwam al snel de poëzie. Bloem, Slauerhoff, Nijhoff, Alain Teister. En Frank Koenegracht. Die beschouw ik als mijn literaire vader. Die vreemde, sfeervolle en ook wel donkere beeldentaal, zijn rare metaforen, de humor. Dat zou ik ook willen kunnen.

“Je kunt Koenegracht overigens prima aan kinderen voorlezen, wist je dat? Ik las Laat je zoon studeren met mijn dochters van vier en zeven: ‘Ik ontmoette iemand die mij denken leerde’. Kinderen en poëzie gaan sowieso goed samen, het zijn de volwassenen die meestal de drempels opwerpen.”

Heytze, die oneindig veel gedichten schreef over meisjes – “Als ik mijn gedichten tot pakweg 2001 teruglees, struikel ik werkelijk over de meisjes” – werd in 2013 vader. Hij schreef erover in De man die ophield te bestaan.

Heeft het vaderschap je als dichter veranderd?

“Ja. Ik was heel lang een romanticus, zo’n dichter die als hij ’s nachts van het café naar huis fietste, stopte voor elke inval. Stond ik in de stromende regen een paar woorden op te krabbelen onder een lantaarnpaal. Met iemand die de poëzie van Gerard Reve niet gelezen had, praatte ik niet. Die tijden zijn voorbij. Dat soort aanstellerig verliteratuurd gedrag valt weg als je kinderen krijgt.

Dat je naar de randen van je eigen universum wordt geduwd, merkte ik toen mijn vrouw zwanger was. Als man hobbelde ik mee naar alle doktersafspraken, maar ik was niet belangrijk, het draaide niet om mij. Ik moest daaraan wennen, maar het was ook leerzaam. En er zat poëzie in.”

‘Ik kom in het verhaal niet voor. Ik ben een hand/ in een hand, een passant die kijkt en zwijgt,/ zo overbodig als een god na afloop van de zesde dag.’

Ingmar Heytze (1970) schrijft poëzie, (dag­­)boe­ken en columns. Hij de­bu­teerde in 1997 met De allesvrezer. In 2008 ontving Heytze de C.C.S. Croneprijs voor zijn gehele oeuvre. De oud-stadsdichter van Utrecht speelt in een band.

Schrijven met kinderen die vanwege de lockdown een tijd thuis zaten, vond Heytze ‘een interessante combinatie’. “Ik houd wel van ruis tijdens het schrijven – ik schreef graag in koffietentjes – maar met de kinderen in huis werk ik vooral ’s avonds, en ’s nachts. Wanneer ik dit gedicht voor Trouw maakte? Even denken. Op een zondagochtend. Ik werd wakker met een idee, stormde naar boven terwijl mijn vrouw beneden onze dochters in toom hield, haha! Hoewel, die zaten waarschijnlijk lekker tv te kijken.”

Het gedicht speelt in op de actualiteit. Je neemt stelling tegen ‘wappies’. Waarom vond je dat nodig?

“Zie het gedicht als een soort traumaverwerking van allerlei online discussies. Steeds vraag ik me af: hoe kunnen die zo uit de hand lopen? Ik wilde boven die discussies hangen, maar uiteindelijk werd het toch een ironisch pamflettistisch gedicht aan het adres van virusgekken. Nee, ik steek niet de hand in eigen boezem. Waarom niet? Ik geloof in het wetenschappelijk principe: niks is waar, hooguit voorlopig waar. Iedereen die nu zegt alles zeker te weten is of gek of bloedfanatiek of heeft iets te verkopen. De rest twijfelt als de ziekte. Ik wel in ieder geval. Ik word totaal heen en weer geslingerd. Die hele coronacrisis is zó’n ingewikkeld probleem. Maar die gerede twijfel aan dingen, wordt door anderen aangegrepen om te zeggen ‘zie je wel, de wetenschap weet ook niet alles en de media zijn omgekocht’. Daar houdt voor mij het gesprek op.”

Is Nederland, om bij het thema van je gedicht te blijven, een land in tweestrijd?

“Dat lijkt me wel. De ene helft van het land is het schreeuwend oneens met de andere helft. Alles verandert voortdurend, iedereen is boos. Ik ook. Ik denk ook als ik mensen zie hossen, ‘ja en nu kan ik weer drie maanden het theater niet in’. Terwijl ze natuurlijk niet hossen om mij dwars te zitten. Bij problemen is het fijn als je iemand de schuld kan geven, maar aan deze coronacrisis heeft niet één iemand schuld. Ja, de mensheid heeft schuld. De manier waarop we leven. En het is moeilijk om daarmee om te gaan.”

En wat hoop je dat dit gedicht doet?

“Dat mensen een beetje moeten lachen, dat zou ik wel aardig vinden. Ik hoop dat voor- en tegenstanders, misschien niet anders gaan denken, maar zien: Dat gelul over en weer, we gaan er enerzijds aan ten onder, maar het is hier gelukkig geen China. Dat iedereen hier zijn zegje kan doen over de coronamaatregelen, ertegen mag demonstreren, dat is – zolang er niks in de hens gaat – ook mooi. Dat geouwehoer is ook Nederland.”

HOE NEDERLAND DE WERELD REDT

Als morgen de wereld vergaat, blijft Nederland bestaan.

Een aantal mensen zal erop wijzen dat het vergaan een hoax is,

bedacht door De Grote Samenzwering.

Sommigen zullen zeggen dat de wereld zo vaak vergaat

en alleen maar een griepje heeft.

Anderen zullen wijzen op onderzoek waaruit blijkt

dat de wereld slechts in 0.02 procent van de gevallen vergaat.

Dat de wereld trouwens blij mag zijn als hij de zestig haalt.

Weer anderen zullen schrijven dat er al lang medicijnen

tegen zijn, die de wereld worden onthouden

door het grootkapitaal.

Sommigen gaan door met zingen in hun kerken.

Anderen vertrouwen op hun immuunsysteem. Of uierzalf.

Wat later zal de oppositie stellen dat de minister wel

kan wíllen dat de wereld vergaat, maar dat hij in dat geval

wat minder steken had moeten laten vallen met de routekaart

et cetera. Tot de wereld het opgeeft en verder draait.

-Ingmar Heytze

Lees ook:

Lieke Marsman

‘Soms dan wordt er een soort oerkracht aangewakkerd’

Esther Jansma:

‘Ja, ik ga een blije oude moeder worden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden