Review

Indrukwekkend portret van polderdorp brengt zeventiende eeuw tot leven

A. Th. van Deursen: Een dorp in de polder - Graft in de zeventiende eeuw. Bert Bakker, Amsterdam; 380 blz. - ¿ 65 (geb.); ¿ 49,90 (pb).

Wetenschappelijk verantwoorde dorpsgeschiedenissen zijn in Nederland erg zeldzaam. Lange tijd haalden historici hun neus op voor deze specialisatie. De Franse Annales-school bracht daar verandering in. Zij liet zien hoe een gedetailleerde studie van een klein gebied het algemene beeld van de geschiedenis kan preciseren. Emmanuel Le Roy Ladurie gaf met zijn boek over het dorp Montaillou in de Pyreneeën een beter inzicht in hoe mannen en vrouwen leefden rond 1400.

Het Noordhollandse Graft heeft echter niet te klagen. Ruim 800 inwoners en een mooi, oud raadhuis, veel lijkt er over het dorpje ten zuiden van Alkmaar niet te melden. Toch verscheen ook vijf jaar geleden al een uitstekende geschiedenis van het plaatsje. In 'Een Hollandse dorpssamenleving in de late achttiende eeuw - De banne Graft, 1770-1880' liet G. J. Schutte zien hoe grote bewegingen als de Franse en de Industriële Revolutie uitwerkten op lokaal niveau.

Het 'geheim' van al die belangstelling voor Graft zit hem in het rijke archief van het dorp. Nooit had het te lijden van oorlogsgeweld of brand. Van Deursen, hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de VU in Amsterdam, nam er jarenlang alles door wat op de 17e eeuw betrekking had: belastinglijsten, kas- en trouwboeken, testamenten, notulen en resoluties.

In 'Kopergeld van de Gouden Eeuw' uit 1991 schetste Van Deursen al wat grote lijnen uit het alledaagse leven van de gewone 17e-eeuwer. Met de kennis over Graft weet hij dit beeld te onderbouwen en te verfijnen. Dat doet hij bovendien in de vorm van een spannend verhaal - een prestatie, omdat Van Deursen het moet stellen zonder een sensationele aanleiding als de kettervervolging in Le Roy Ladurie's 'Montaillou'.

In twintig hoofstukken neemt Van Deursen de lezer mee op speurtocht langs allerlei aspecten van het vrij welvarende gereformeerde dorp, dat vooral bestond van de zeevaart. Hij behandelt zaken als de opvoeding, het kiezen van namen voor pasgeborenen, de armenzorg, de criminaliteit en de invloed van de kerk. Voorzichtig stapelt hij kennis op kennis, om uit te komen op algemene verklaringen die gegolden zullen hebben voor grote delen van de Hollandse bevolking. Af en toe maant hij echter: 'Dit moeten we eerst verder onderzoeken'.

Welk onderwerp hij ook behandelt, steeds illustreert Van Deursen het met trefzekere schetsen van de 17e-eeuwer zelf. Hij voert Claes Dircksz. ten tonele om te laten zien hoezeer het namengeven beperkt werd door de familietraditie. Zijn eerste kind, een zoon, noemde hij Dirck, naar zijn eigen vader. Daarna kwamen twee meisjes, die naar de beide oma's, Trijn en Anna, werden genoemd. Toen hij echter een vierde kind kreeg - weer een meisje - kon Claes niets anders bedenken dan 'Jonge Trijn'. En zo heette ze nog toen ze een getrouwde vrouw was.

De onzekerheid van het zeemansbestaan is af te lezen aan de lotgevallen van schipper Lourens Jacobsz. Slot, die in 1668 met een slavenschip van Guinea naar Zuid-Amerika voer. Bij de monding van de Amazone sloeg het schip om. Slot en elf andere opvarenden wisten een sloep te bereiken. Onder hen was één negerslavin. Twaalf dagen dobberden ze rond zonder eten. Toen doodden zij 'de voorsz. swartinne, daer se haer honger mee stelpten'. Een Engels schip nam hen later op.

Belangrijker dan alle individuele lotgevallen is voor Van Deursen het collectief. Hij betoogt dat voor de Grafters de dorpsgemeenschap nog een hogere waarde was. Voor armen en mensen in nood werd gezorgd, ook als ze niet gereformeerd waren. Het geweld bleef in Graft binnen de perken. Pas als men op vreemde grond was, dreigde men niet alleen met zijn mes, maar stak toe om te doden.

In het hele boek klinkt tussen de regels door dat Van Deursen, zelf van gereformeerde huize, zich thuis gevoeld zou hebben in een vrij besloten gemeenschap als het 17e-eeuwse Graft. De regels van de Bijbel werden daar nog nageleefd, het begrip gemeenschapszin betekende nog wat. Een enkele keer kan hij het niet laten zijn wrevel uit te spreken over de moderne maatschappij. Naar aanleiding van een veroordeling wegens godslastering in 1699 merkt de historicus op dat moderne lezers het strenge vonnis wel moeilijk zullen begrijpen: “Aanstoot geven aan de vromen is juist een standaardmotief in de hedendaagse cultuur.”

Mogelijk zorgt dat gevoel van verwantschap er ook voor dat Van Deursen het dorpsleven soms wat idealiseert. Zo in het in het geval van Foockel Jans, een dienstmeid die in 1674 tot twee jaar tuchthuis veroordeeld werd voor het stelen van kleren. Toen zeven jaar later bij Adriaen Reyersz. gestolen werd, ging meteen het verhaal dat zij weer had toegeslagen. Foockel liet vier dorpsgenoten een verklaring opstellen dat zij onschuldig was. Volgens Van Deursen laten de stukken van goed gedrag zien dat in Graft het spreekwoord 'eens een dief altijd een dief' niet opging. Dat Foockel de verklaringen nodig had, kan met zeker zo veel recht dienen als bewijs van het tegenovergestelde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden