Review

Incest is niet voorbehouden aan 'witte maatschappij'

Bea Lalmahomed. 'Schade, schande, schuld'. Hulpverleners over seksueel en lichamelijk geweld onder Creolen en Hindostanen. Uitg. Jan van Arkel, Utrecht. Prijs: ¿ 25.

Het probleem bestaat, weten nu ook de Surinamers, maar het taboe om erover te praten, is nog lang niet doorbroken. Loochening, noemt drs. B. Lalmahomed dat gedrag. “Onder Creolen en Hindoestanen rust niet alleen een taboe op incest, er mag ook niet over gepraat worden.” Het leidt soms tot dr. Jekkyl en Hide-achtig gedrag, constateert Lalmahomed: “Een meisje vertelde dat ze van haar vader niet in de gebedsruimte mocht komen, omdat ze menstrueerde en onrein was. Maar in diezelfde ruimte pleegde hij wel incest met haar.”

Lalmahomed is onderwijskundig pedadoge, doceert aan de Hogeschool Holland in Diemen en is bovendien verbonden Instituut van wetenschappelijk onderzoek (LISWO) van de Leindse universiteit. Daarnaast doet ze al jaren onderzoek naar seksueel misbruik en lichamelijk geweld onder Creolen en Hindoestanen. Vandaag wordt in Den Haag een congres gehouden over de hulpverlening aan slachtoffers. Daar wordt ook het boek 'Schade, schande, schuld' gepresenteerd, dat Lalmahomed schreef, en dat is gebaseerd op gesprekken met hulpverleners-dienstverlenende personen uit Den Haag.

Die zijn zich door de stijgende hulpvraag van Creoolse en Hindoestaanse meisjes rotgeschrokken, signaleert Lalmahomed in haar boek. Ze laat een Creoolse maatschappelijk werkster aan het woord: “Toen ik voor het eerst werd geconfronteerd met de eerste cliënten schrok ik mij kapot. Hé, ook wij Surinamers? Maar als ik kijk naar de Creolen en Hindoestanen dan zeg ik: O, God wat hebben jullie toch zand in onze ogen gestrooid.”

Niet bekend

Het heeft lang geduurd voordat Surinaamse meisjes en vrouwen met hun verhalen naar buiten kwamen. Lalmahomed schrijft die geslotenheid toe aan de familieverbanden in Creoolse en Hindoestaanse kringen. Het wordt meisjes en vrouwen bepaald niet in dank afgenomen als ze de vuile was buiten hangen. En wie de moed heeft om weg te gaan, wordt soms zelfs verstoten door haar familie.

Lalmahomed is ook vertrouwenspersoon van een aantal slachtoffers van seksueel geweld. Een van de meisjes die ze onder haar hoede heeft, ging op haar veertiende uit huis, omdat ze misbruikt werd door haar stiefvader. Nu, op haar negentiende wil haar familie nog steeds niets van haar weten. Van haar begeleider moest ze onlangs horen dat haar moeder was overleden. Ze kreeg niet de kans zelf afscheid van haar moeder te nemen.

Lalmahomed, zelf van Hindoestaanse afkomst: “Een Hindoestaanse vrouw die weggaat bij haar man, omdat hij incest pleegt met haar dochter, krijgt misschien nog wel steun van haar eigen familie. Maar de schoonfamilie accepteert die stap niet. Ze zien haar als eerstverantwoordelijke, het is haar schuld. Seksueel deugt zij niet, anders had de man zich nooit aan haar dochter vergrepen. En de man? Die zoekt de oorzaak altijd elders, het ligt nooit aan hemzelf. De Hindoestaanse man blijft ontkennen dat hij de dader is. Dat maakt een kind nogmaals tot slachtoffer.”

Anders dan bij de Hindoestanen, vervult bij Creolen de grootmoeder (van moeders kant) een centrale rol in de familie, vertelt Lalmahomed. “Creolen hebben vooral los-vaste relaties. Als een man zijn biezen pakt, wordt de hulp van oma vaak ingeroepen. Zij speelt een centrale rol in het gezin. Voor kinderen die misbruikt worden, kan zij een belangrijk aanspreekpunt zijn. Creoolse grootouders nemen hun kleinkinderen altijd in bescherming.”

Creoolse vrouwen, zo leert de ervaring, zullen ook eerder hulp van buitenaf zoeken. “Een Creoolse is onafhankelijker dan een Hindoestaanse vrouw, gewend als ze is om op eigen benen te staan. Een Hindoestaanse voelt zich zeer ongemakkelijk als alleenstaande. Als je niet oppast, vergrijpen ze zich aan de eerste de beste azijnfles.” De angst om zonder man verder te moeten, is bij Hindoestaanse vrouwen soms zo sterk, dat ze gewoon ontkennen wat er in hun huis gaande is. Lalmahomed: “Als zij maar gelukkig is. Het gezin mag niet aangetast worden, ook al wordt haar dochter gepakt.”

Sporen van (seksuele) mishandeling worden vaak nog het snelst gesignaleerd op school, constateert Lalmahomed. Surinaamse meisjes die thuis seksueel worden misbruikt, zenden andere signalen uit dan hun autochtone leeftijdsgenoten. “Ze stellen vragen over maagdelijkheid voor het huwelijk. Deze kinderen zitten in een ambivalente situatie. Ze moeten als maagd het huwelijk in, maar ondertussen zijn ze al ontmaagd.” Een Hindoestaans meisje dat op haar veertiende, tegen het verbod van haar ouders in, een vriendje neemt, als bescherming tegen haar vader, kan ook een signaal afgeven, zegt Lalmahomed.

In haar boek haalt ze de zelfmoord van een 16-jarige Hindoestaanse aan. Het kind dronk met haar vriendje azijnzuur, en overleed na een lijdensweg van drie maanden. Pas een half jaar na haar dood kreeg haar mentrix op school, die zeer aangedaan was door het gebeurde, de waarheid te horen. Het meisje werd al jaren misbruikt door haar stiefvader, die niet wilde dat ze verkering had. De docente wist dat zij streng gelovig werd opgevoed en weleens geslagen werd. Maar niemand op school had ooit aan incest gedacht.

Nu Creoolse en Hindoestaanse hulpverleners de eerste schrik te boven zijn, wordt er, althans in de door Lalmahomed onderzochte situatie in Den Haag, goed samengewerkt met allerlei professionele instanties die op dat terrein werkzaam zijn, zoals het Bureau Vertrouwensarts, politie en justitie, het maatschappelijk werk. Lalmahomed: “Die samenwerking is nodig, want het staat garant voor een goede hulpverlening.” Wat haar betreft hoeven dat niet alleen 'zwarte' hulpverleners te zijn: “Het moet zo gemengd mogelijk, qua sekse, qua deskundigheid en qua bevolkingsgroep.”

Vrijwel alle hulpverleners die zij interviewde voor het boek, noemen de terughoudendheid in Creoolse, maar vooral Hindoestaanse kring om te praten over hun lichamelijk geweld en incest, 'het grootste probleem'. Dat maakt het werk er niet gemakkelijker op. Vooral maatschappelijk werkers klagen over het gebrek aan medewerking van daders en hun familieleden. Een Hindostaanse hulpverlener wordt wijsgemaakt, dat incest in het gezin van een Pakistaanse man en een Hindoestaanse vrouw van Surinaamse afkosmt een specifiek culturele oorzaak heeft.

Hij zegt daarover: “Een stiefvader pleegt incest met zijn dochters. Hij vindt het onterecht dat hij gestraft wordt voor het misbruiken van zijn voordochters (stiefdochters, red.). Hij verklaart dat na het huwelijk niet alleen de vrouw zijn bezit is, maar ook haar dochter. Daar zou hij naar eigen zeggen recht op hebben.” Een andere hulpverlener: “Ik begreep uit uitspraken van Pakistanen dat incest veel voorkomt. Als vader zich niet meer seksueel aangetrokken voelt tot zijn vrouw worden de dochters gepakt. Het wordt niet goedgekeurd, maar de familie is verplicht de man te ontzien voor zijn daden.”

Lalmahomed: “De vraag of je rekening moet houden met specifiek culturele achtergronden, speelt vooral bij rechtszaken een rol.” Volgens haar zijn Creoolse en Hindoestaanse daders door Nederlandse rechters al verschillende keren tot relatief milde straffen veroordeeld. Vanuit de hulpverlening en de advocatuur is dit beroep op 'verzachtende' culturele factoren aan de kaak gesteld. Lalmahomed hoopt dat haar boek ertoe bijdraagt, dat incest in Creoolse en Hindoestaanse kringen niet langer verzwegen en daadwerkelijk aangepakt wordt: “Ze kunnen de witte maatschappij niet bedonderen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden