Review

In het land der 'wreede Kristenen'

Over Suriname, de Antillen en Aruba is nooit zoveel geschreven als over Indië. Voor het eerst zijn teksten van Nederlandse 'passanten' in West-Indië gebundeld. Interessante, soms beschamende lectuur.

De bekendste Nederlandse roman, 'Max Havelaar', is ontstaan door een kortstondig verblijf van de schrijver, Eduard Douwes Dekker alias Multatuli, als ambtenaar in Nederlands-Indië. Het boek maakt deel uit van een hele bibliotheek met verhalen van Oostindiëgangers, van Daum tot Couperus tot Alberts. Deze koloniale literatuur geniet ruime bekendheid, de geschiedenis ervan is beschreven, onder anderen door Rob Nieuwenhuys, en de bestudering ervan gaat nog steeds door.

Voor de Nederlandse West-Indische literatuur ligt de situatie volstrekt anders. De verhalen van Nederlanders die voor korte of langere tijd in Suriname of op de Antillen waren, zijn nauwelijks bekend en moeten nog onder de aandacht worden gebracht. Daarom hebben Michiel van Kempen, de geschiedschrijver van de Surinaamse literatuur, en Wim Rutgers, de geschiedschrijver van de Antilliaanse literatuur, nu een dikke bloemlezing samengesteld met meer dan honderd teksten en tekstfragmenten van Nederlanders over de 'West'.

De bloemlezing is chronologisch opgezet en begint met een verslag aan de Staten-Generaal van A.Cabeliau uit 1597.

De man was uitgezonden naar de kust van Guyana om te onderzoeken of de verhalen over het goudland El Dorado op waarheid berustten. Hij meldt dat de bezettende Spanjaarden daar, en ook de indianen, beweren dat er goudmijnen zijn, maar dat hij ze niet met eigen ogen heeft gezien. De tekst geeft een duidelijk inzicht in het waarom van deze reis: handel en winzucht.

In die vroege tijd, tot en met de 18de eeuw, zijn er verhalen over West-Indië van kooplieden, piraten, soldaten, ambtenaren, predikanten, onderwijzers.

Literair gesproken moet men zich hierbij weinig bijzonders voorstellen. Inhoudelijk echter is er van alles aan te beleven, want de koloniale wereld wordt door de blik van de Nederlander, de overheerser, bekeken en beoordeeld. Al spoedig gaat het niet meer om goud, maar om handel, in het bijzonder slavenhandel en de behandeling van slaven op de plantage.

Een opvallend geschrift hierover dateert van 1760 en is van de hand van Lodewijk uit Middelburg. Hij beschrijft een slavenopstand in Suriname, waarbij een jonge slaaf 'door den drank verhit' zijn kans waarneemt en een zwarte slavendrijver de kop in slaat 'dat de harssens er uit spatte'.

Vervolgens neemt 'een der Zwarten' het woord om uit te leggen dat er een eind moet komen aan de tirannieke behandeling van de slaven door hun zwarte opzichters. Bij een menselijker behandeling zou de opbrengst van de plantage en ook de vruchtbaarheid van de vrouwen toenemen. ,,Hier sweeg de Neger, en alle Slaven en Slavinnen klapten in hunne handen, en maakten een groot getier en gejuich.''

Hier behartigt de slaaf nog de belangen van zijn heer, de plantagehouder. Enkele jaren nadien, in 1764, krijgt wederom een slaaf het woord, Kakera Akotie, die gelukkig 'uit de Slaaverny der wreede Kristenen ontslagen' is.

Op een heel slimme wijze uit hij zijn protest tegen de slavernij, door degenen die de slavernij vanuit racistisch en christelijk perspectief verdedigen op het verkeerde been te zetten. Bij voorbeeld door een redenering als deze, waarin hij laat zien dat wel erg gevaarlijk is de zwarten opeens als mens te gaan beschouwen, omdat we hen dan menselijk, christelijk, zouden moeten behandelen, wat natuurlijk slecht uitkomt:

,,Het is onmooglyk, dat wy deeze luiden zouden veronderstellen menschen te zyn; om dat, indien wy hen veronderstelden menschen te weezen, men zou beginnen te gelooven, dat wy zélf geen Kristenen zyn.''

Pas in 1863, als laatste, schaft Nederland de slavernij af en tot die tijd zijn er talloze teksten die de slavernij tot onderwerp hebben. Bekend is de roman in brieven 'Reinhart, of Natuur en godsdienst' van Elisabeth Maria Post uit 1791, waarin een planter het goede voorbeeld wil geven en zijn slaven uitstekend behandelt.

Roerend is het rond 1770 geschreven verhaal van een planter die met zijn vrouw en dochter terugkeert naar Nederland en een intelligente en gevoelige negerslaaf, die hem persoonlijk diende, meeneemt.

De jongen krijgt een huwelijksaanzoek van de dochter des huizes en, waarachtig, na enige aarzeling en overweging komt dit huwelijk nog tot stand ook. Het 'wierd met eenige Kinderen gezegend'.

Racisme, superioriteitsgevoel, ze zijn niet weg te denken uit deze verhalen en ze bezorgen de lezer herhaaldelijk een schaamtegevoel en de neiging tot protest. Het kan ook in kleinigheden schuilen, in een zinnetje uit 1819 in een beschrijving van het eiland Curaçao en het papiaments: ,,Onverdragelijk is dit gekakel voor het fijnere oor van den Europeaan bij zijne eerste aankomst, en moeijelijk kan men zich aan dit kalkoenen geluid gewennen.''

Fenomenaal is de tekst van W.R. van Hoëvell 'Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet', uit 1854. Het is heel begrijpelijk dat dit intensieve strijdschrift tegen de misstanden en de gruwelen van de slavernij een grote invloed hebben gehad.

In de 20ste eeuw kreeg de 'West' vanzelfsprekend een ander aanzien in de literatuur en volgen er reisverslagen, reportages en boeken waarin Suriname of een van de eilanden het decor van handeling zijn.

Veel schrijvers van de hier opgenomen teksten zijn onbekend in eigen land en hadden ook weinig literaire pretenties. Dat maakt ze nog niet oninteressant, als het gaat om de blik van de vreemde op deze verre, exotische wereld.

De koloniale literatuur over de westelijke kolonies heeft enkele hoogtepunten voortgebracht, zoals het werk van Johan van de Walle. Daarnaast moet Marinus M.Schoenmakers worden genoemd, die in de trilogie 'Stroomopwaarts en stroomafwaarts' de Surinaamse werkelijkheid in de jaren negentig panoramisch en grondig heeft verbeeld.

Simon Carmiggelt, Hans Dorrestijn, Gerard van Westerloo, Adriaan van Dis, Kees 't Hart, Leon de Winter, Jan Brokken, Pim Wiersinga, Nelleke Noordervliet -allemaal schrijvers die in hun verhalen de 'West' aandoen.

De schrijver die mij het meest bijblijvende beeld van, in dit geval, Suriname heeft gegeven is Hendrik van Teylingen, van wie uit zijn roman 'De huilspiraal' een hoofdstuk is opgenomen. Van Teylingen heeft zich zozeer met het Surinaamse willen vereenzelvigen, terwijl er toch altijd een kloof bleef bestaan, dat zijn beschrijvingen van het land de kern raken.

,,Wanneer in de windstilte zo'n blad uit een mangokruin omlaag komt, stoot het buitelend van hoofdtak op hoofdtak met een eigen, droog tokkelend geluid. Wonnie kijkt er niet van op. Ik denk: op de dag wanner ik er niet meer van op zal kijken, wanneer ik dat getokkel niet eens meer hoor, zal ik Surinamer zijn,ook al eet ik liever geen mango's - ik bedoel manjes.'' Literatuur van de bovenste plank.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden