Review

In het kuuroord broeit het sensueel

“Kijk uit voor die jongens. Die willen allemaal wat. Dat hoort bij hun ziekte”, placht de hoofdzuster van het Scheveningse sanatorium de leerling-verpleegkundigen te waarschuwen. Na nog geen vier maanden als medisch student in Leiden gaf ik ineens bloed op. Ik schrok, want zo was de longkanker van mijn pas overleden grootvader ook aan het licht gekomen. 'Een gekneusde rib', meende de huisarts. Fout. Het bleek tuberculose te zijn.

In het fraai verluchte en voor leken zeer toegankelijk geschreven 'Kuuroorden naar kwaal' wordt tuberculose als reden van opname in een sanotorium niet eens genoemd. Vreemd, alsof je met de verdwijning van deze ziekte, zelf ook een beetje geschiedenis geworden bent. Vooral astmapatiënten die onvoldoende reageren op de juiste medicijnen gaan nog kuren in het Zwitserse Davos en Crans-Montana, het Italiaanse Misurina en het Franse Briançon.

Na een beknopt historisch overzicht zet een zestiental auteurs de feiten op een rij over het nut van kuurbehandelingen bij gewrichtsaandoeningen, huidziekten zoals psoriasis, luchtwegaandoeningen en hartkwalen. In Nederland is kuren bij hartkwalen niet gangbaar.

Vincent Priessnitz (1799-1851) maakte als eerste furore met hydrotherapie. Sinds hij zichzelf met waterstralen had genezen van gekneusde ribben (!) was zijn vertrouwen in deze therapie zo gegroeid dat hij al zijn patiënten ermee behandelde. In 1828 opende hij een kliniek voor hydrotherapie in Grafenberg in Silezië, waar mensen uit heel Europa op af kwamen.

De tweede hydrotherapeut was pastoor Sebastiaan Kneipp (1821-1897) die zichzelf op Spartaanse wijze van bloedspuwing genas. Ondanks de winterse koude in Beieren, nam hij als 23-jarige theologiestudent een duik in de ijskoude rivier, hetgeen hij dagelijks herhaalde. Kneipp ontwikkelde een eigen methode voor het genezen van ziekten door een kuur van licht, lucht en kruiden. Hij paste afwassingen, dompelbaden, natte omslagen, en wisselbaden met verschillende temperaturen toe. Niet voor welgestelden maar voor de gewone man en vrouw.

De Hippocratische artsen schreven al een geneeskrachtige werking toe aan zeewater bij reumatische klachten. Bij hardnekkige psoriasis bezoekt men Eind Bokek bij de Dode Zee en Bad Bentheim in Duitsland. Daarbij gaat het om een combinatie van baden en ultraviolet licht. Het bijzondere aan bronwater in Ijsland is de concentratie van siliciumzouten en algen.

De Engelse plaats Bath staat sinds eeuwen bekend om zijn zwavelhoudende water. De pakkingen met algen werken op de lachspieren: vingerwier, blaaswier en knotswier (en dan ook nog in het Latijn). Dat moormodder salicylzuur bevat en dus pijnstillend èn koortswerend werkt, wist ik niet. In de moderne kuuroorden verblijft men 3 tot 4 weken. In het astmacentrum in Davos duurt een verblijf voor volwassenen ongeveer 12 weken en voor kinderen 6 tot 12 maanden.

Jammer genoeg wordt aan herstellingsoorden en neurosenklinieken voor psychische kwalen geen enkele regel gewijd. Dat de beleving en het vakantiegevoel onmisbaar zijn voor het herstel in kuuroorden wordt duidelijk vermeld, maar over de binnenkant van die gezondheidscentra of de ziel van de patiënt horen we niets. Dat lees je wel in de romans die over sanatoria gaan. Overigens ontdekt men tegenwoordig een enkele keer nog wel eens een geval van tbc, dat meestal echter goed thuis te behandelen is met een combinatietherapie met tuberculostatica.

Tbc is van onschatbare waarde gebleken voor de literatuur blijkens mooie melancholieke en diepzinnige romans, zoals 'De Toverberg' van Thomas Mann. Daarin bezoekt de hypochondrisch ingestelde Hans Castorp zijn zieke neef in het kuuroord Davos. Eenmaal gearriveerd raakt hij in de ban van het leven in sanatorium Berghof, hoog in de Zwitserse Alpen. Bij Castorp wordt een verdachte plek op zijn long gevonden. Uiteindelijk blijft hij er zeven jaar. “Betoverd is de weg vandaag, wat ik u zeg, doldriest en dwaas; wijst straks een dwaallicht u de weg, dan moet u dat zo nauw niet nemen.” Behalve een genezingsproces maakt Castorp er een geestelijk groeiproces door.

Achterin staan adressen van kuuroorden en een aantal romans die zich daar afspelen zoals 'In een Duits pension' van Katherine Mansfield. Mijn favoriet blijft 'In het sanatorium', klemmend en vol existentiële vertwijfeling. Je ziet door de ogen van de grote zwarte kerel Irme Orniek hoe dit 'sanatorium voor minvermogenden' van binnen werkt. Op het eerste gezicht lijkt het er gezellig, maar onder de oppervlakte broeit het sensueel. Aan die mysterieuze sfeer draagt Orniek het zijne bij door te fluisteren, waarmee hij zijn longen zo veel mogelijk meent te kunnen sparen.

Net als Gastorp is Orniek een dwangmatige hypochonder die tabellen bijhoudt van zijn gezondheidstoestand. De rest probeert zich zoveel mogelijk aan de ijzeren regels van het sanatorium te onttrekken. Net als in Scheveningen is er een levendig contact met de opgenomen vrouwelijke patiënten.

Ornieks strak geregeld leven raakt plotseling in de war door de avances van Gretty Finger waarop hij niet duidelijk ingaat. Zij voelt zich afgewezen en keert zich van hem af. Nu zij onbereikbaar is geworden raakt Orniek doordrongen van de zinloosheid van zijn bestaan. Als hij zich voor een ravijn bevindt is het net alsof een kracht buiten hem bezit van hem neemt en hem 'optilt'. “Die avond is het sanatorium in rep en roer, men rent in grote haast de trappen op en af. De directrice snelt rusteloos heen en weer en haar gele knokige gezicht is nog geslotener van kwaadaardigheid dan gewoonlijk.”

Onvermeld in 'Kuuroorden naar kwaal', maar bovenaan mijn lijst staat 'De neef van Wittgenstein', waarin Thomas Bernhard (1913-1989) zijn herinneringen optekent aan de vriendschap met Paul Wittgenstein, neef van de filosoof Ludwig Wittgenstein. Paul lijdt aan een geestesziekte waarvoor hij regelmatig in paviljoen Ludewig van het Weense gesticht 'Am Steinhof' opgenomen wordt. De ik-figuur verblijft in de naburige longkliniek van 'Die Baumgartnerhöhe' wegens een ernstige longaandoening.

Intrigerend is dat Bernhard de mannen met hun beider ziekten beschrijft als spiegelbeeld van elkaar. Bij hemzelf openbaart de gekte zich lichamelijk, bij zijn vriend geestelijk. Ook dit boek eindigt triest. “In wezen ben ik alleen maar twaalf jaar getuige van zijn sterven geweest.”

In het Scheveningse sanatorium ging bij mijn weten gelukkig nooit iemand dood. En de (integere) hoofdzuster had trouwens ongelijk. De bronst had niks met de ziekte, maar alles met onze hormonen en leeftijd te maken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden