Hollands decor Cultuur

In het kielzog van Witsen door de havens van Dordrecht

Onderhuizen aan de Voorstraatshaven te Dordrecht (Voorstraatshaven VII). Dit schilderij werd 120 jaar geleden gemaakt door Willem Witsen.

Trouw bezoekt deze zomer plekken die belangrijk zijn in leven of werk van een kunstenaar. Vandaag: Willem Witsen schilderde 120 jaar geleden vanuit een bootje de vervallen achtergevels van havenpanden in Dordrecht. Zijn ze nog te herkennen?  

 Het is echt ‘Witsen-weer’, om met conservator Sander Paarlberg van het Dordrechts Museum te spreken. Na dagen vol zonneschijn en blauwe luchten is het deze middag grauw en druilerig. De schilder Willem Witsen (1860-1923) zou helemaal in z’n element zijn geweest met dit mistroostige weer. 

Net als de kunstenaar zo’n 120 jaar geleden zitten we in een bootje om door de Dordtse Voorstraatshaven te varen. De schilder roeide zelf, ons motorbootje wordt bestuurd door Timo Homburg. We gaan op zoek naar de plekken die Witsen – bekend van zijn bijna fotografische weergave van donkere stadsgezichten – in 1898 en 1899 vanaf een bootje heeft getekend als basis voor een reeks etsen en schilderijen.

Beeld Sander Soewargana

Zijn ze nog te herkennen, de achtergevels van de Voorstraat die hij vereeuwigde? We zijn vooral nieuwsgierig naar de panden die staan afgebeeld op het schilderij ‘Onderhuizen aan de Voorstraatshaven’, dat op een prominente plek in het Dordtse museum hangt. In de eerste zaal op de begane grond trekt het meteen de aandacht doordat het zo donker is. Het is een geheimzinnig schilderij dat zich niet meteen openbaart. Je moet er wat langer naar kijken, pas dan ontdek je de details op de verweerde gevels en doemen uit de donkerte de reflecties in het water op. Het schilderij ademt in alles de melancholieke sfeer die past bij deze oude stad op een sombere dag. 

Paarlberg heeft zijn collega Quirine van der Meer Mohr meegenomen, omdat zij gespecialiseerd is in de schilderkunst van de negentiende eeuw. Vanaf ongeveer 1850 tot 1900 kwamen er veel kunstenaars uit binnen- en buitenland naar het schilderachtige Dordrecht, dat toen zo’n 40.000 inwoners telde. Rond 1880 was de toestroom zo groot, vertelt ze, dat de kunstenaars bij wijze van spreken schouder aan schouder met schetsboeken en ezels op bruggen en steigers stonden en zaten om de pittoreske havens, gevels en doorkijkjes vast te leggen. Vooral de Grote Kerk die met zijn stompe toren het silhouet van de stad al eeuwen domineert, werd eindeloos vaak afgebeeld, zowel vanaf de overkant van de rivier, op de Zwijndrechtse oever, als vanaf de Lange IJzerenbrug. 

Accomodatie voor kunstenaars

Witsen, die het grootste deel van zijn leven in Amsterdam woonde en werkte, arriveerde eind augustus 1898 in Dordrecht. Met een onderbreking tijdens de wintermaanden zou hij daar tot half oktober 1899 verblijven. Zijn vrouw Betsy van Vloten bleef intussen achter in Ede, waar ze toen woonden. Net als veel andere kunstenaars logeerde Witsen in hotel Bellevue op het Groothoofd. Iets verderop stond Pennock’s Hotel, dat adverteerde met speciale accommodatie voor kunstenaars, zoals een atelier en een donkere kamer.  

Van de kunstenaars die er gelijktijdig met hem waren, veel Fransen en Amerikanen, nam hij weinig notitie. Hij meed de plekken waar anderen tekenden, vertelt van der Meer Mohr. Aan zijn vrouw schreef hij: ‘Die vreemdelingen zie ’k bijna niet – tenminste niet hinderlijk, in de verte hier en daar als ze staan of zitten te werken’.

Opgepoetste voorkant

Toch was hij absoluut geen einzelgänger, benadrukt de conservator. Integendeel, hij had veel vrienden onder de Tachtigers, een groep jonge kunstenaars met grote artistieke en zelfs politieke invloed in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Hij ging om met schilders als George Hendrik Breitner, Isaac Israëls, Eduard Karsen en Jan Veth, de componist Alphons Diepenbrock en schrijvers als Lodewijk van Deyssel, Albert Verwey, Hein Boeken, Frans Erens en Herman Gorter. Hij was vooral goed bevriend met de dichter Willem Kloos.

In tegenstelling tot andere kunstenaars was Witsen juist op zoek naar onbekende, stille plekken. Hij had een voorliefde voor de donkere rafelranden, vervallen achtergevels en dan daarvan het liefst de onderkant, laag bij het water. De opgepoetste voorkant kon hem niet boeien. Ook voor trekpleisters als de Grote Kerk en het Groothoofd had hij nauwelijks oog, al heeft hij ze wel afgebeeld. Op zijn schilderijen, etsen en aquarellen van Dordrecht zie je ook nauwelijks mensen. Voor dag en dauw roeide hij met een gehuurd bootje  naar de Voorstraatshaven. ‘Vanmorgen’, schreef hij aan zijn echtgenote, ‘was ’k om vijf uur op en om half zes op het water. Er was een wolk dauw boven ’t water, dat helemaal in toon was met de schepen (....). Dat probeer ’k te schilderen; of liever om er de materialen voor te verzamelen, want ’t schilderij of de teekening moet ’k natuurlijk op ’t atelier maken.’

Panden traceren

Wij beginnen onze vaartocht ter hoogte van de Grote Appelsteiger, waar Witsen schetsen maakte van de achterpuien van Voorstraat 239, 237, 235 en 233. De panden zijn gemakkelijk te traceren: ervoor staan palen in het water met de huisnummers erop. Paarlberg heeft een boekje meegenomen met afbeeldingen van het werk van Witsen, zodat we kunnen vergelijken.

De achtergevels zien er in grote lijnen nog hetzelfde uit. Zelfs de muurankers die hij met veel oog voor detail afbeeldde, zitten er nog. Maar de houten trap die destijds vanaf de steiger naar het water liep, is verdwenen. Ook de Amerikaanse schilder James Whistler en de Fransman Eugène Boudin hebben hier staan schetsen en schilderen, vertelt Paarlberg, zij het vanaf de Wijnbrug en Nieuwbrug. Hun focus lag niet op de achtergevels en onderhuizen, maar op het uitzicht op dit deel van de haven. 

Nadat we onder het Scheffersplein zijn doorgevaren, waar Witsens favoriete Café Central stond (op de plek van het leegstaande V&D-pand), gaat het richting de nummers 407 en 409. Er is niet veel meer te herkennen, alleen weerspiegelen de vensters zich nog even schilderachtig in het donkere water als op een ander schilderij van Witsen, dat zich in het Rijksmuseum in Amsterdam bevindt. 

Afbrokkelende gevels 

De lucht wordt donkerder als we de drie panden naderen waar we naar op zoek zijn: Voorstraatshaven 459, 461 en 463. Uit het carillon van de Grote Kerk, aan de overkant, dwarrelen net op dat moment de klanken van ‘Ik heb u lief mijn Nederland’ over de stad. Als Timo Homburg het bootje heeft stilgelegd in de schaduw van de kerk, gaat het gemiezer over in regen. Het lijkt wel de sombere herfstdag waarop Witsen hier heeft zitten schetsen.

Als het regende, zat hij waarschijnlijk onder het huifje van de boot. Twee voorstudies met aantekeningen over de compositie en de kleuren maakte hij van deze achtergevels. In zijn atelier maakte hij er een ets van, een aquarel en het donkere olieverfschilderij, die zich alle drie in het Dordrechts Museum bevinden. Hoe we ook kijken en vergelijken: de onderhuizen met hun verweerde, afbrokkelende gevels van toen zijn onherkenbaar veranderd. Paarlberg: “Er is in 1906 een grote brand geweest in dit stadsdeel. Dat moet de verklaring zijn.” 

Echt schilderachtig zijn ze niet meer, ze stralen vooral treurnis uit met hun geplamuurde, grauwe gevels met sporen van graffiti. Maar Witsen zou vast de schoonheid hebben gezien van het beginnende verval. sporen van graffiti. Maar Witsen zou vast de schoonheid hebben gezien van het beginnende verval. 

Lees ook:

Dordrecht was zo mooi, dat Franse schilders er verliefd op werden

Het weerbericht waarschuwt voor Siberische kou, maar Dordrecht is in de winter een oord van poëtische schoonheid. Als je er een beetje op let, proef je die schittering overal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden