Review

In het alledaagse zoekt Van Toorn naar tekens

Van de zeven genomineerde bundels voor de VSB-Poëzieprijs 1998 is 'Tegen de tijd' van Willem van Toorn de meest verstaanbare en realistische. De titel alleen al is van een bijna demonstratieve directheid. Van Toorns poëzie blijft heel dicht bij de werkelijkheid en tracht haar voor 'het dodelijk vergeten' te behoeden. Hij zégt dat ook gewoon: de poëzie is 'het gezongen boek / tegen het groot vergeten'.

In dit 'gewone' schuilt het bijzondere van deze dichter. Hij weet de suggestie te wekken dat hij nauwelijks trucs gebruikt. Hiermee onderscheidt hij zich van de andere genomineerden, bij wie de relatie tussen taal en werkelijkheid zo vanzelfsprekend niet is. Zij manipuleren meer en vertekenen de werkelijkheid naar het sprookjesachtige (Toon Tellegen), het idiosyncratische (Kees Ouwens), het groteske (Tonnus Oosterhoff en Erik Menkveld) of het meta-realistische (Rutger Kopland en Gerrit Krol). Bij hen vergeleken is Van Toorn de soberheid zelve. Hij mijdt het spektakel en stelt de zaken niet ingewikkelder voor dan zij zijn. Er staat, zo lijkt het, wat er staat:

Wij zijn hier maar even, een onrust die tast in de stilte naar taal, een wet om de angst te beheersen. Lees maar. Wij hebben bestaan.

Hier wordt het leven inderdaad letterlijk ('lees maar. . .') voor teloorgang behoed. Maar staat het er wel zo simpel? Wordt de bestendiging of continuïteit niet ook gesuggereerd doordat er zo nadrukkelijk echo's doorklinken van andere dichters? Van Nijhoff natuurlijk, maar ook van Bloem ('het is even / Tusschen twee stilten luid geweest') en, zo niet naar de letter, dan toch naar de geest, van Remco Campert ('Ik bevestig dat ik leef')?

Hier wordt, in zogenaamde simpele bewoordingen, een heel segment van de moderne poëzie tegen de tijd in stelling gebracht. Niets meer en niets minder. Van Toorns eenvoud sluit een subtiele aandacht voor de paradoxale complexiteit van de werkelijkheid ook niet uit.

Neem het dubbelzinnige gedicht 'Eiland'. In de eerste strofe doemt het puur insulair, als louter op zichzelf betrokken voor ons op, om in de tweede alsnog mentaal open te klappen naar het vasteland waarmee het voor geen goud door brug of dijk verbonden wil zijn:

Maar wel de steiger teren voor het veer, de vaargeul openhouden, het uitzicht bewaren op wat voor ieder kind weer in dromen opdoemt: later ooit nog van hier oversteken naar wat daar onzicht- baar lokkend ligt: de overkant.

Alle gedichten van Van Toorn hebben wel iets van deze dubbelzinnige eilandmentaliteit. Ze pendelen voortdurend tussen ideaal en werkelijkheid, leven en dood, kunst en werkelijkheid heen en weer. Er is steeds sprake van een geraffineerd overvloeien van het een in het ander. Nu eens schemeren in een stuk braakland al de potloodlijnen door die het land met zijn toekomstige bebouwde staat verbinden, en dan weer blijkt het heden al voorbij voordat je er goed en wel de hand op hebt kunnen leggen. Het oogt dan misschien niet spectaculair, maar er wordt in de gelijkmatige beweging van deze poëzie wel degelijk een fraaie spanning opgebouwd.

Van de drie afdelingen in deze bundel bevalt de eerste, de 12-delige cyclus 'Tegen de tijd', mij het best. Hierin wisselen reisherinneringen, toespeling op het Middelnederlandse epische gedicht 'De reis van sente Brandane' en impressies van de laatste levensfase van Van Toorns door een beroerte getroffen moeder elkaar af. Vooral de moedergedichten zijn van een discreet-elegische allure, van vergelijkbaar hoog niveau als het gedicht 'Moeder' uit Van Toorns vorige bundel 'Dooltuin'. De dichter-zoon is als een eigentijdse sint Brandaan op zoek naar tekens die de vergankelijke werkelijkheid overstijgen en zin geven.

Nu was Brandaan, althans in de Middelnederlandse versie van deze legende, nogal een ongelovige Thomas. Hij verlangde écht wonderen te zien (een eilandvis, twee aardse paradijzen, drie hemelen), als tekenen van Gods almacht. De dichter echter is al tevreden wanneer zich op lucide momenten kortstondig een eeuwigheidservaring voordoet. Aan het slot van de cyclus neemt hij de werkelijkheid zelf, de sporen die wij daarin achterlaten, als teken voor lief:

Tussen wolken en aarde de tekens: dit waren wij, zijn wij. Kijk maar, wij graven land uit het water, stapelen stenen tot torens, onze blik laat geen ruimte met rust.

In de kleine slotcyclus van de bundel, gewijd aan de fresco's van Piero della Francesca in de kapel van San Francesco te Azerro, wordt dit thema hernomen. Opnieuw gaat het om tekens en duurzaamheid. Heel soepel laat Van Toorn de vijftiende-eeuwse fresco's en het twintigste-eeuwse straatgewoel in elkaar overlopen. De figuren op de fresco's lijken sprekend op de mensen buiten de kerk. Dit heeft tot effect dat niet zozeer Piero della Francesca's meesterwerk, maar de hedendaagse realiteit de tand des tijds glansrijk lijkt te hebben weerstaan. En dat is precies de plek waar Van Toorn zijn tekens zoekt: niet in het hogere, maar in het alledaagse.

Het middendeel van de bundel wordt gevormd door een reeks afzonderlijke gedichten van ongelijke kwaliteit. Enkele hiervan, zoals het al genoemde 'Eiland' en het beeldgedicht 'Co Westerik: vrouw in kleine ruimte', staan er fraai bij, maar een aantal andere doet qua visie en uitvoering nogal obligaat aan.

Jammer dat de bundel dusdoende uitgerekend in het hart enkele malen inploft. Dat staat toch wel in bedenkelijk contrast met de openingscyclus, waarvan het constante niveau in de rest van de bundel niet wordt geëvenaard, ook niet in de frescogedichten aan het slot. Van Toorns vorige bundel bracht het er op dit punt beter van af en maakte ook anderszins een sterkere, speelsere en meer gevarieerde indruk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden