Review

In Eden viel niets te zorgen, dus was het een ballingsoord

De verbanning uit het paradijs, vloek of zegen? Vloek, hoorde ik altijd. Vloek als straf op de zonde van Eva, die Adam van de appel liet eten. Wat God verboden had.

Het bijbelse paradijs was een tuin. Een hof van Eden, waar de kersvers geschapen Adam en Eva van mochten genieten. Eigenlijk vreemd. Normaal moet je eerst in een tuin werken en komt het genieten pas daarna.

Maar voor Eden gold dat niet, Eden was een gift. Alleen, hoe konden Adam en Eva, die het aan niets ontbrak, de waarde van een gift inschatten? Eden was een paradijs van contemplatie. Maar waarover zouden die eerste mensenkinderen contempleren zonder de contrastervaringen te kennen van lijden en verlies?

In Eden heerste onvergankelijkheid. Er was geen dood. Maar ook geen seizoenen. Zonder de vallende bladeren van de herfst en de stille dood van de winter geen nieuw leven in de lente. De dood zet de dingen in beweging. Niemand die dat beter weet dan de tuinman. Een tuin is een en al vergankelijkheid.

Zo beschouwd was het onvergankelijke Eden een onnatuurlijke tuin. De mens mocht er weliswaar van genieten, maar aanraken mocht hij niets. Laat staan de zaak naar zijn hand zetten. Dat kwam allemaal pas later. Na de zondeval. Waardoor ook de tuinen hun eeuwigheid verloren. Onze tuinen kunnen hoogstens door hun vergankelijkheid heen iets van eeuwigheid weerspiegelen. Dankzij de zorg van de mens.

Deze gedachten over Eden en aardse tuinen ontleen ik aan Robert Pogue Harrison, hoogleraar Italiaanse literatuur in het Amerikaanse Stanford. In zijn boek ’Gardens’ analyseert hij tuinen. Echte tuinen, als Versailles en die van zijn eigen Stanford Universiteit. En tuinen uit literatuur als de ’Decamerone’, Dante’s ’Divina Comedia’ en Ariosto’s ’Orlando Furioso’.

Zorgen, zorg, vindt Harrison essentieel voor de mens. In het paradijs viel niets te zorgen. Daarom was Eden op de keper beschouwd een ballingschap en begonnen Adam en Eva pas als mens toen ze na de zondeval moesten zorgen voor de aarde. Daarom betekent de naam Eva terecht moeder der levenden.

Harrison is zich er van bewust met zijn kritiek op Eden in deze tijd niet alleen te staan. De kritiek hoort bij de moderne mens, die zo rusteloos is in zijn verlangens dat hij zich onmogelijk een paradijs kan voorstellen waar niets meer te wensen zou zijn. Dat maakt hem ongeschikt voor Eden. Hij schept liever zijn eigen paradijs. Hoe dat er uitziet? Dat weet die moderne mens niet. Het enige dat hij weet is, dat hij even mateloos als onvervulbaar verlangt. Voor zijn onvervulbare verlangen plundert hij de aarde en vernietigt wat hem in de weg staat.

Tegenover hem zet Harrison de tuinman. Hij doet dat met hulp van de Tsjechische schrijver Karel Capek die in 1929 ’Het jaar van de tuinman’ (Nederlandse vertaling 1932) schreef. Capeks tuinman is een eindeloze zorger, die permanent geconfronteerd wordt met de grenzen van wat hij kan en vermag. Zijn gevechtsterrein is de aarde, de grond. Daar botst leven op doodsheid en onwil tot leven.

’Ik zal je zeggen’, schrijft Capek, ’dat het temmen van een paar kluiten aarde een grote overwinning is.’ Maar het gaat niet voor niks. De tuinman geeft de aarde altijd meer dan hij van haar terugkrijgt. Capeks tuinieren is een opvoeding in vrijgevigheid. Zonder de vrijgevigheid van de tuinman die meer geeft dan ontvangt geen tuin. Maar niet alleen de tuin, ook onze cultuur, onze omgang met elkaar, drijft op diezelfde overstromende vrijgevigheid.

Deze tijd, zegt Harrison, heeft tuinlieden nodig, die in de woestenij vrijgevigheid praktiseren. Eigen verlangens opzij zetten. Verlies en vergankelijkheid accepteren. Machteloosheid ook. Die koppig doorgaan met hun tuin.

Het eerste dat de koper van het huis van een oude vrouw in mijn dorp deed, was de tuin, waar ze jaren in gewerkt had en dat een wonder was van schoonheid en harmonie met een bulldozer opruimen. Er kwam een tuinarchitect en een tuinbedrijf die de nieuwe tuin aanlegde en onderhield. Al haar werk tevergeefs? Nee, haar aardse tuin blijft in de herinnering als een contrapunt van het gladde paradijs dat ervoor in de plaats gekomen is.

Adam en Eva waren pas mens toen ze na Eden mochten zwoegen in hun eigen tuin. Maar bedreigd wordt die menselijkheid wel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden