Molukkers In Nederland: Johnny Manuhutu

Molukkers

In deze documentaire doen Molukkers hun aangrijpende verhaal, dat is nog weinig vertoond

Molukkers In Nederland: Johnny ManuhutuBeeld bnnvara

In een nieuwe serie laat Coen Verbraak veertien Molukkers aan het woord. Dat is hard nodig, vindt hij: “We zijn hun op zijn minst verschuldigd dat we hun verhaal kennen.”

Wie hem alleen kent als de immer hoffelijke, maar gestaag dóórvragende interviewer van de serie Kijken in de ziel, zou kunnen denken dat hij psycholoog is. Maar nee: Coen Verbraak is historicus. En dat kwam, vertelt hij, goed van pas bij het maken van zijn nieuwste serie, over de geschiedenis van de Molukkers in Nederland. “Indonesië kwam tijdens mijn studie aan de Rijksuniversiteit Groningen niet voorbij, maar ik heb er wel geleerd hoe je een onderzoek opzet.”

Het is zijn inmiddels derde televisieproductie over een onderwerp dat te maken heeft met ‘ons Indië’. Dat kan nog een misverstand oproepen: dat hij zelf Indische wortels heeft. “Dat denken mensen vaker, maar dat is niet zo”, zegt Verbraak.

Voor zijn vierdelige serie over Molukkers, vanaf woensdag op tv, gebruikt Verbraak een recept dat hij eerder toepaste. In de documentaire Wij willen leven (2017), over de treinkaping bij De Punt en de gijzeling van de school in Bovensmilde, liet hij Molukkers en gegijzelden aan het woord, doorsneden met historische beelden. Dat deed hij ook in de serie Onze jongens op Java (2019), waarin hoogbejaarde voormalige militairen vaak voor het eerst van hun leven vertelden welke verschrikkingen ze in Indonesië hadden meegemaakt - en niet zelden zelf hadden aangericht.

Molukkers In Nederland: Non Aponno Beeld bnnvara
Molukkers In Nederland: Non AponnoBeeld bnnvara

Aangrijpende televisie, ten eerste dankzij Verbraaks vermogen om mensen te ‘openen’. De bijbehorende historische beelden versterken de verhalen, verteld door mensen die zich rechtstreeks tot de kijker lijken te richten. In werkelijkheid kijken de geïnterviewden wel degelijk Verbraak aan: “We zien elkaar in een spiegel, die op de camera is gemonteerd. Normaal zie je bij televisie-interviews mensen naast de camera kijken, daar waar de interviewer staat. Maar tussen mij en de geïnterviewde staat een scherm, we kunnen elkaar alleen via die spiegel zien.”

“Die opstelling is cruciaal voor hoe je het als kijker beleeft. Bij Onze Jongens op Java keken die oude koppen je aan, met ogen waar je negentig jaar geschiedenis in ziet. Een geïnterviewde werd zo kwaad dat hij bijna naar me spuugde. Als kijker ervaar je dat alsof hij bijna op jou spuugt.”

Wordt u zelf ook nog weleens geraakt, bijvoorbeeld als u de beelden terugziet bij de montage?

“Jazeker! Bij Onze Jongens op Java realiseerde ik me: met dit gruwelijke verhaal heeft iemand dus zeventig jaar rondgelopen, dat heeft al die jaren in dat hoofd gezeten, hij heeft het verzwegen voor zijn kinderen, en nu vertelt hij het eindelijk, als oude man. Of hij vertelt het nog steeds niet: dan blijft iemand heel lang zwijgen op de vraag of hij in Indonesië weleens oorlogsmisdaden heeft gezien. En dan zegt hij ten langen leste ‘nee’. In dat antwoord zit dan zóveel. Als interviewer voel ik tijdens zo’n stilte: als ik nu een vraag stel, maak ik het kapot. Laat hem er zelf mee komen.”

“In deze serie vertelt Frans Palyama (1936), wiens vader 33 jaar bij het Knil had gediend, héél geserreerd over de ontvangst in Nederland: ‘We kregen een jutezak, en daar moest je dan zelf je matras van maken door er stro in te doen. Dat is toch anders dan we gedacht hadden’. Hij is veel te beschaafd om grote woorden te gebruiken, maar je voelt het verdriet dat daaronder zit.”

Frans Palyama Beeld bnnvara
Frans PalyamaBeeld bnnvara

Aanleiding voor de serie, vertelt Verbraak, is dat de eerste Molukkers zeventig jaar geleden, in 1951, naar Nederland kwamen: ruim vierduizend militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, plus hun gezinnen, ruim twaalfduizend in totaal. Velen van hen waren onder de Japanse bezetting gevangen gezet - drieënhalf jaar lang, één op de vijf kwam om.

Na de Japanse capitulatie hadden ze Nederlanders beschermd tegen moordpartijen door Indonesische strijdgroepen en bandieten. En ze hadden de nationalistische opstandelingen bestreden. Daarom waren de Knil’ers niet meer welkom in Indonesië, nadat Nederland in 1949 de onafhankelijkheid had erkend - helemaal niet nadat Molukkers in april 1950 de onafhankelijke Zuid-Molukse Republiek RMS hadden uitgeroepen.

Verbraak: “Vorig jaar realiseerde ik me: ik ken niet één documentaire waarin Molukkers hun eigen verhaal vertellen. Dat leek me interessant, om te horen hoe zíj het hebben beleefd.”

Molukkers In Nederland: Ben Manusama Beeld bnnvara
Molukkers In Nederland: Ben ManusamaBeeld bnnvara

Waarom moeten wij ons voor de Molukkers interesseren?

“De belangrijkste reden is dat hun verhaal niet alleen hun pakkie-an is. Het is óns verhaal, ze zijn in onze geschiedenis beland. Laat ik voor mijzelf spreken: als ik de details hoor van de Molukkers die in kamp Westerbork werden geplaatst, dan denk ik: hoe haal je het in je hoofd om mensen daar te plaatsen, te midden van de sporen van de oorlog, tussen de slagbomen en de treinrails? Helemaal als je uit hun mond hoort hoe sterk ze geloofden dat ze tussen dolende geesten leefden. Als Nederlander denk je daar niet aan, maar vanuit hun perspectief realiseer je je wat een schok dat geweest is, op die plek te moeten wonen, waar kinderen bestek vonden met de initialen van de kampgevangenen.

“Dat raakt mij als Nederlander. We hebben ze iets aangedaan. We zijn hun op zijn minst verschuldigd dat we hun verhaal kennen.”

Telkens keert in de interviews terug hoezeer de Knil-militairen zich onteerd voelden. Bij aankomst kregen ze een stenciltje, waarop alleen nog hun naam ingevuld hoefde te worden, met de mededeling dat ze uit dienst waren ontslagen. “Op het ene moment ben je iemand, het volgende moment ben je een nobody”, verwoordt Noes Solisa (1952) met verstikte stem de pijn van zijn vader. “Ze zijn behandeld als nummers, ondergeschikt aan de grote belangen van Nederland en Indonesië.”

Een ander, Ben Manusama (1957), windt zich op: Nederland had zijn vader en al die andere goed getrainde Knil’ers gewoon kunnen opnemen in het leger. Verbraak: “Een Knil-kolonel heeft die mogelijkheid ook onderzocht, maar de legertop zei: ‘Nee. Maar jullie kunnen wel een burgerwacht vormen’. Dat was hun militaire eer te na. Wellicht speelde racisme ook een rol, hadden ze helemaal geen zin om 4,5 duizend Molukkers op te nemen.”

Molukkers In Nederland: Frits Sahertian Beeld bnnvara
Molukkers In Nederland: Frits SahertianBeeld bnnvara

Zo’n totaal gebrek aan empathie kwam toch wel vaker voor pal na de oorlog?

“Absoluut. ‘Wij hebben het ook niet makkelijk gehad in de oorlog’: dat kregen Joden die terugkeerden uit de kampen te horen, net als mensen die de Jappenkampen hadden overleefd: ‘Jullie konden in elk geval nog in de zon zitten’.”

Naast onverschilligheid trof Molukkers soms regelrechte minachting. Zo bleek bijvoorbeeld in 1956 in West-Kapelle, waar Molukkers waren opgesloten in een kamp omgeven door prikkeldraad. Na een incident bij de ingang openden politie-agenten het vuur, waarbij negen Molukkers gewond werden. In de serie laat Verbraak een geluidsfragment horen waarin journalisten de burgemeester vragen: “Maar die mensen waren toch ongewapend?” Antwoord van de burgemeester: “Nou dat geeft toch niet? Er werd toch een uitval gedaan? De politie heeft toch niet voor niets geweren bij zich?”

Verbraak: “Weerzinwekkend. Zo spraken kolonialen over ‘inlanders’.”

Midden jaren vijftig daalde bij de eerste generatie het besef in dat hun ‘tijdelijke’ verblijf in Nederland, in afwachting van terugkeer naar de Molukken zoals Nederland hun had voorgespiegeld, op een illusie berustte. Hun ontnomen eer, gedwongen nietsdoen, slechte huisvesting: menige Molukse vader reageerde zijn frustraties af op zijn kinderen, zo getuigen de geïnterviewden. Al of niet onder invloed van drank, sloegen ze erop los, met koppelriemen of stukken hout. Je hoeft geen psycholoog te zijn om te vermoeden dat dit heeft bijgedragen tot de gewelddadige Molukse acties in de jaren zeventig.

De ‘acties’, zoals de geïnterviewden de gijzelingen en kapingen eufemistisch noemen, oogsten nog steeds begrip bij veel Molukkers. “Die jongens hebben ons op de kaart gezet. Toen pas wisten Nederlanders wie wij waren en waar we vandaan kwamen”, zo verwoordt ex-Ajacied Simon Tahamata (1956) het. “Ze kwamen op voor ons volk. Dan hoor je daar achter te gaan staan.”

Verbraak: “Onder de mariniers die de gekaapte trein bij De Punt in 1977 hebben bestormd, waarbij zes kapers het leven lieten, zat een Molukker. Over hem zeggen de geïnterviewden unisono: die moet zich schamen, hij is een moordenaar die zich tegen zijn eigen volk heeft gekeerd. Als je vraagt vind je dat goed, om 51 mensen die part noch deel hadden aan de geschiedenis drie weken in een trein onder doodsbedreiging vast te houden, dan luidt het antwoord bijvoorbeeld: Nee, maar wat moesten we anders? Of: hoeveel mensen heeft Jan Pieterszoon Coen wel niet gedood op de Banda-eilanden?”

“Voor mij is het doodschieten van mensen nooit te verdedigen. Maar vanuit het Molukse perspectief kun je die kapingen wel een béétje snappen. Chris Soumoukil, de RMS-president, werd in 1966 op last van Soeharto op een vreselijke manier terechtgesteld: hangend aan een kruis wordt hij beschoten. Vier jaar later, in 1970, nodigt Nederland Soeharto uit voor een staatsbezoek. Vind je het raar dat er dan iets knapt? Datzelfde jaar vindt in Wassenaar de eerste gijzeling plaats, in de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur.”

Niet alleen Nederlanders hebben het een en ander met hun verleden te verhapstukken, ook de Molukse gemeenschap kent nogal wat taboes, blinde vlekken en aanvechtbare aannames, zo illustreren de interviews van Verbraak, die ook in boekvorm verschijnen. Afgezien van de kapingen, zijn er harde noten te kraken over het idee dat Molukkers niet anders konden dan dienst nemen in het Knil, of over hun medeplichtigheid aan wrede koloniale oorlogen, of over hun idee dat ze ‘op dienstbevel’ naar Nederland moesten vertrekken, - en nog zo wat kwesties.

Veel geïnterviewden dringen aan op excuses voor de hondse behandeling die de Molukkers kregen na hun aankomst. Denkt u dat het gevoel van slachtofferschap daarmee op zou houden?

Verbraak: “De slachtofferrol is begrijpelijk - ‘ons is verschrikkelijk veel aangedaan’: dat klopt gewoon. Een groep zegt: zet dat recht. Maar een andere groep zegt: het heeft geen zin om steeds maar te blijven omkijken, we moeten laten zien dat we tegenwoordig topmanagers, wetenschappers, hersenchirurgen en kunstenaars leveren. Het interessante is dat met name de jongeren zeggen: we zitten helemaal niet op excuses te wachten.”

Als de serie één ding duidelijk maakt, zegt Verbraak, dan is het wel hoe diep de pijn bij velen zit. “Vorige week hadden we een voorvertoning, en toen kwamen de tranen bij de geïnterviewden. Ze zeiden: Nederlanders kennen ons verhaal helemaal niet, fijn dat dat nu eindelijk eens op tv komt. Hoe Nederlanders zullen reageren weet ik niet, maar ik kan me voorstellen dat velen denken ‘Jee, wat hebben we ze slecht behandeld, daar moeten we ons eigenlijk toch wel voor schamen’.”

Uitzending: woensdag om 20.30 uur op NPO 2, BNNVARA

Coen Verbraak: De Molukkers. Een vergeten geschiedenis. Alfabet; 220 blz. € 22,50

Lees ook:

Een ‘tijdelijk verblijf’ dat al zeven decennia duurt

Zeventig jaar terug kwamen de eerste Molukkers naar Nederland. Hoe gaat het nu met hun nazaten? Niet denderend, suggereert het CBS.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden