Review

In de Middeleeuwen werd de vrouw een zondige verleidster

Veel van onze hedendaagse ideeën over dood, zonde en de vrouw hebben hun wortels in de Middeleeuwen. Die conclusie trekt cultuurwetenschapper Jill Bradley uit haar onderzoek naar de verhouding tussen zonde en dood in de periode van 800 tot 1200.

Voor haar dissertatie ’You Shall surely not Die’, waarop ze woensdag in Nijmegen is gepromoveerd, bestudeerde Jill Bradley miniaturen van de schepping en de zondeval in Noord-West-Europese handschriften uit de negende tot de twaalfde eeuw.

In deze prenten ziet zij de opvattingen over zonde en dood veranderen en het vrouwbeeld, in de weergave van Eva, steeds beroerder worden. Ze bestudeerde vooral visuele bronnen, omdat die een indruk geven van de opvattingen die onder geletterden al min of meer gemeengoed waren. De miniaturen geven dus gevestigde ideeën weer en zijn daardoor volgens Bradley heel geschikt om te onderzoeken hoe een maatschappij tegen een onderwerp aankeek.

„In de negende eeuw”, vertelt ze, „ligt de nadruk op de eschatologische dood, de dood van de ziel. Het algemene idee is dat een gestorvene in zijn graf slaapt tot de Laatste Dag, de Dag des Oordeels. De fysieke dood speelt dan ook geen rol in de negende-eeuwse miniaturen. Maar in vierhonderd jaar gaat dat beeld veranderen. De aandacht verschuift naar belangstelling voor de lichamelijke dood.”

En zo is het tegenwoordig eigenlijk nog steeds, zegt Bradley. „Als wij het over de dood hebben, gaat het ook vooral over ons fysieke bestaan. Daar hechten we ontzettend veel waarde aan. Iemand die niet meer ademt, of hersendood is, noemen we dood; over de ziel gaat dat niet.”

Verschuiven de opvattingen over dood in de Middeleeuwen van binnen – de ziel – naar buiten – het lichaam -, bij de zonde is het precies andersom. „In de negende-eeuwse handschriften met miniaturen van de zondeval is zonde iets wat openbaar is, iets wat je kunt zien. Zonde is een politieke en sociale daad. Verraad aan de wereldlijke heer is ook verraad aan God. Een miniatuur in de Vivian Bijbel, een van de vier negende-eeuwse Bijbels van Tours, laat duidelijk de relatie zien tussen God en de mens op een manier die weerspiegelt hoe Karel de Kale de ideale verhouding zag tussen onderdaan en heer. De relatie tussen God en mens is nauw en de nadruk ligt op de afhankelijkheid van de mens van de goedheid van de heer en op de rampzalige gevolgen van het verraad aan iemand die alle trouw verdient, namelijk verbanning voor alle eeuwigheid uit de aanwezigheid van God. Aanvankelijk wordt dat – uiterlijke – verraad gezien als de zonde van de mens.”

Later verschuift de zonde van iets openlijks naar iets wat inherent is aan mens zijn: de mens is in zichzelf zondig. Net als de middeleeuwse belangstelling voor de fysieke dood nog actueel is, doet ook deze middeleeuwse opvatting over zonde in hedendaagse gelovige kringen nog opgeld.

„Vooral in de elfde eeuw waren de opvattingen over zondigheid in de mens erg streng”, zegt Bradley. „Een beetje emotioneel, zwak of onzeker zijn, was al zonde. De mens moet zeker en steevast in God geloven en Zijn wet volgen. Als mensen niet in staat zijn om het onderscheid te maken tussen goed en kwaad, dan komt dat, dacht men, doordat hun geloof niet sterk genoeg is.”

Ook komt in deze tijd meer nadruk te liggen op de zondigheid van de zinnen. Dat wordt bij uitstek zichtbaar in hoe Eva wordt weergegeven. In Karolingische afbeeldingen uit de negende eeuw is van zinnelijke zonde, met Eva als metafoor daarvoor, nog geen sprake. Eva en Adam worden androgyn uitgebeeld. Ze hebben hetzelfde gezicht – dat van God – en zijn bijna gelijk. God schiep Adam uit bestaande stof, en Eva ook – uit een bot van Adam. De vrouw is, licht Bradley toe, een onafhankelijke schepping. „Misschien enigszins secundair aan de man, maar wel door God gemaakt en met dezelfde goddelijke vonk als in Adam.”

Zo’n anderhalve eeuw later krijgen de beide mensen, en Eva in het bijzonder, in de afbeeldingen seksuele kenmerken. Eva heeft vaak grote borsten en haar gezicht en lichaam zijn zichtbaar vrouwelijk. Haar gelijkenis met Adam, maar ook met God, is verdwenen. Bovendien is ze geen onafhankelijke schepping meer. Ze wordt niet uit bestaande stof door God gemaakt, maar rijst op uit de zij van Adam. Wel wordt ze nog door God gevormd als ze tevoorschijn komt, maar ze is nu een deel van Adam geworden. Bradley: „Ze vertegenwoordigt het deel van de mens dat anders is – lees zwak en zondig – en ze wordt in afbeeldingen van de zondeval niet alleen als vrouwelijk maar ook als verleidelijk voorgesteld.”

In de twaalfde eeuw wordt de beeldvorming van de vrouw nog nadeliger. In sommige werken wordt Eva niet meer als zelfstandig mens door God geschapen, maar op bevel van God uit Adam verwijderd. Eva, het vrouwelijke, is hier volgens Bradley de metafoor voor het zinnelijke, wispelturige en emotionele, dat uit Adam – metafoor voor de rationele mens – verbannen moet worden. Het vrouwelijke in de mens is dus inherent, maar verwijderbaar. In de Manerius Bijbel uit 1190 is te zien hoe God Adam zijn ziel geeft en Eva schept als een seksueel lichaam.

Later in de twaalfde eeuw komt de God van de schepping steeds verder van de mens af te staan, zeker als het om de schepping van Eva gaat. Hij is op sommige afbeeldingen niet eens aanwezig, alleen zijn hand geeft het bevel tot haar verwijdering uit Adam. In twee werken komt zelfs niet eens een vrouw, maar een vrouwelijk hoofd aan een slangachtig touw tevoorschijn.

De Eva en Adam in middeleeuwse miniaturen mogen dan wel metaforen zijn, voor zwak, zinnelijk, zondig, wispelturig versus sterk en rationeel, dat zegt niets over hoe ze werden geïnterpreteerd. Dat deze voorstellingen de beeldvorming van de vrouw negatief hebben beïnvloed, ligt inderdaad voor de hand, bevestigt Bradley. Al in de Oudheid werd het vrouwelijke vooral in verband gebracht met negatieve eigenschappen, maar in de Middeleeuwen werd het beeld van de vrouw steeds slechter.

En daarvan hebben vrouwen door de eeuwen heen last gehouden. „Tegenwoordig wordt er in grote lijnen hetzelfde gedacht over ziel en rede enerzijds en lichaam en zinnen anderzijds. Dat de vrouw niet alleen een andere rol heeft maar ook ondergeschikt is aan de man, is niet meer overal een algemeen aanvaard idee. Er is op dat vlak veel veranderd, maar zolang is het nu ook weer niet geleden dat in Nederland een zwangere vrouw geen publieke functie mocht vervullen”, merkt Bradley op.

Ook is de vrouw als de grote verleidster nooit uit beeld verdwenen. „Denk aan de reclame”, zegt Bradley, „bijvoorbeeld die van een mooie vrouw met een ijsje, met de tekst ’kun je de verleiding weerstaan?’ Een vrouw kan verleiden en een man aantrekken. Daarom is ze nog steeds gevaarlijk. Dat beeld is gebleven. Mannen kunnen vreemdgaan, vrouwen niet. Meisjes moeten maagd zijn, mannen mogen voor het huwelijk avontuurtjes hebben. Die dubbele moraal is terug te voeren op het middeleeuwse beeld dat vrouwen zwakte vertegenwoordigen en mannen de boel onder controle hebben. Het gaat zelfs zover dat mannen die zich zwak tonen, als vrouwelijk worden gezien, en vrouwen die zichzelf in de hand hebben, als mannelijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden