Review

In de hemel zal Jopie niet meedoen aan aardse toneelstukjes

Jopie Huisman: 'Schilder van het mededogen'. Uitg. De Toorts, Haarlem. 208 pagina's met veel illustraties. ¿ 80

Bij de fraaie woonstee in het drassige Friese boerenland wijst Jopie op het bordje 'Eigen Weg'. “Dat had ik zelf nooit neer durven zetten, want dan hadden de mensen gezegd: Wat verbeeldt die zich wel.” Ook 'Verboden te vissen' heeft hij niet bij het meertje neergeplant, die waarschuwing stond er al. “Dat viswater is een geschenk, een voordeeltje van mijn beroemdheid. Hoef ik geen paling meer te stropen. Niet dat ik daar mee zit. Nergens staat geschreven: Gij zult niet peuren.”

In het huis in het Workumse Holle Mar is Jotske (Jopie) Huisman geboren. Nu, 74 jaar later, heeft hij een boek geschreven over zijn leven en werk. 'Jopie Huisman, schilder van het mededogen' heet het. En er ligt een nieuw boekwerk in de week. Met verhalen over mensen die hij heeft gekend. Net als met de afgedankte spullen die hij zo treffend heeft geschilderd, gaat het boek over vergeten en verlaten mensen, die hij mooi maakt. “Niemand weet dat ik net zo mooi kan schrijven als schilderen, maar dat heb ík altijd geweten. Ik denk dat ik het boek over de verschoppelingen noem naar een spreuk van Salomo: 'Want hetgeen niet is, kan niet geteld worden'. Op z'n Jopies: Alles wat is - al is het nog zo onbeduidend - telt.”

Jopie Huisman is een veelgevraagde gast. Maar veel verder dan Bolsward, waar zijn boezemvriend Jelmert en zijn zoon de dokter wonen, komt hij zelden. Helpen wil hij altijd, als hij er maar niet naartoe hoeft. “Voor Lieve Martine - ik geloof niet zo'n hoogdravend programma - heb ik om mensen een plezier te doen nog het glazuur van een bordje van mij bijgewerkt. De 5-uur-show wilde me hebben, maar ik ga niet naar Hilversum om in vier minuten tien onnozele vragen te beantwoorden. Dan komen ze maar hier.”

“Jos Brink vroeg me - dat wordt begin volgend jaar uitgezonden - 'Hebt u een grote boodschap?' Ik zeg: 'Ja, iedere morgen.' Dáárom willen ze me in die programma's hebben. Ik ben wel vijftig keer op televisie geweest en blijf mezelf. Wars ben ik van alle schone schijn, iedereen is mijn naaste, beledig niemand, neem soms iemand in de maling. Toen ik elf jaar was, dacht ik al zo.”

Jopie Huisman staat op en stampt op de houten vloer van zijn woonkamer. “Wat is het, dat ik besta? De natuur, dat is zo mooi. Een reiger maakt me 's morgens wakker. Dan tikt hij met zijn snavel tegen het raam. Als de meerkoeten uit mijn mond eten, dan voel ik me zo vol.” De schilder krijgt tranen in de ogen. “Dat ontroert me zo.” Hij laat zijn laatste werk zien. Lichte waterverfkleuren. Een bootje in het riet. “Zo voelt Jopie Huisman zich nu. Verstild.”

Zo voelde de lompenboer zich in het voor hem cruciale jaar 1973 allerminst. Zijn huwelijk met Elly de Boer loopt na 23 jaar op de klippen. Jopie is radeloos. Hij mist zijn vier kinderen, heeft alleen zijn verzameling afgetrapte schoenen, verstelde broeken en andere troep nog. Hij voelt zich ook weggegooid. Als een bezetene begint hij het oud vuil een nieuw leven te geven. “Toen de mensen zagen wat ik had gemaakt, waren ze ontroerd”, schrijft hij in zijn boek. Jaarlijks bezoeken 100 000 mensen zijn museum. “Ook ijdeltuiten en miljonairs laten zich ontroeren door wat deze schooier heeft gemaakt.”

Het is tijd voor een stevig bord soep. Gemaakt door zijn tweede vrouw Ietje. Groenten uit eigen tuin. Een schaaltje yoghurt met gemalen fruit toe. Met haar heeft Jopie in twintig jaar huwelijk ook alweer veel meegemaakt. Een twee uur durende gewapende gijzeling, de diefstal van schilderijen en drie hartinfarcten hebben hem nog “nederiger en kwetsbaarder” gemaakt dan hij al was. “Ik leef volgens de tien geboden. Roem heeft helemaal geen betekenis. Liefde en Godsbesef hebben bezit van mij genomen. Ik leef onder de Schepper, dat weet ik zeker. Als ik op mijn bek val, word ik weer opgericht.”

In de hemel komt alles goed, weet Jopie Huisman. Daar zal de voddenboer in ruste ook niet meedoen aan de aardse toneelstukjes, zoals hij dat noemt. “Dan zal ik aan Onze Lieve Heer vragen die Henk Binnendijk en Feike ter Velde van de Evangelische omroep zo ver mogelijk van mij af te zetten. Ik ben wel tientjeslid van de EO, want ze verkondigen tenslotte het evangelie, dat wel.”

Jopie draait zijn zoveelste zware shaggie. Neemt een suikerklontje. Op een stoel zet hij een schilderij, waarop een paar afgetrapte voetbalschoenen staan. Echte oude kicksen van het merk Quick. “Die zijn van Abe Lenstra geweest. Die schenk ik aan het museum dat voor hem in Heerenveen wordt geopend. Man, o man, wat kon die Abe voetballen. Die ging vier man voorbij met perfecte schijnbewegingen, liep hij zo door, in een rechte lijn, of de tegenstanders er niet stonden. Geweldig was dat.”

Abe staat hoog op het lijstje mensen die Jopie bewondert. Oud-premier en voormalig directeur van de Nederlandsche Bank Jelle Zijstra en Cor Boonstra, tegenwoordig de grote baas bij Philips, naderen ook de top. Allemaal mannen uit de streek. En niet de vergeten Mahatma Gandhi uit India. “Waar het om gaat is dat het mensen zijn die eenvoudig zijn gebleven, iets willen betekenen voor hun naasten. Ook tegendraads kunnen zijn, net als ik. Weet je, ik word nooit tegengesproken. Ik ben niet alwetend, hoor, dat kan niet. Als ik volmaakt was, zou ik een lichtend voorbeeld zijn en dat ben ik niet. Ik maak ook fouten. Als je het kwaad niet herkent, ook niet van jezelf, ben je eraan overgeleverd.”

De stoere Fries is ook een grote fan van Louis Armstrong. De Amerikaanse jazztrompettist en zanger wist twee jaar na de oorlog Jopie naar het verre Amsterdam te lokken. In een Canadese legertruck reed hij met vrienden naar het Concertgebouw in de hoofdstad. “Zijn klarinettist was net dood. Toen speelde hij de blues voor de overleden Jimmy, zo in en in droevig, schitterend. Een journalist vroeg in de pauze aan Louis hoelang hij zou blijven spelen. Tot in de hemel, zei hij, dan geef ik mijn trompet af aan de enige die het beter kan dan ik: de engel Gabriël.”

Jopie Huisman is met al zijn ernst een practical joker gebleven. In zijn sjofele plunje mocht hij graag naar een bank in Franeker gaan. Als hij aan de beurt was, zei de kassier die meespeelde: 'Jopie, wat zal het zijn?' 'Doe mij maar twintig mille'. 'Wat is dat nou', moest de lokettist daarop zeggen, 'is het niet druk vandaag?' Een paar uur later kwam hij nog steeds hikkend van de lach de groene briefjes terugbrengen.

Op de terugweg komen we weer langs zijn museum. Het zal worden uitgebreid met twee woonhuizen aan weerszijde van het Sleeswijckhuys. De collectie is dan compleet, omdat ook de spullen die nog in zijn huis in Herbayum liggen opgeslagen, kunnen worden tentoongesteld. Jopie: “Laatst stond ik in het museum, waar ik trouwens niet veel kom. Sta ik naast een oude man en die vraagt me: 'Weet u hoe lang de schilder al dood is?' Ik antwoord: 'Al heel lang, maar ze hebben me weer opgegraven'.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden