Review

Immanuel Kant blijft origineel

’Kritiek van het oordeelsvermogen’ van Immanuel Kant is eindelijk in Nederlandse vertaling verschenen. Deze verhandeling over schoonheid, inmiddels twee eeuwen oud, heeft nog niets van haar zeggingskracht verloren. Dat betoogt hoogleraar esthetica Bart Vandenabeele.

Sebastien Valkenberg

Ze gelden waarschijnlijk als de grootste prestatie uit de filosofie: de drie ’kritieken’ van Immanuel Kant (1724-1804). En toch heeft het Nederlandse taalgebied het ruim 200 jaar zonder integrale vertaling moeten stellen. Aan die leemte komt een eind nu de ’Kritiek van het oordeelsvermogen’ is verschenen: het sluitstuk van Kants tour de force én zijn verhandeling over schoonheid. Wie onze omgang met kunst wil begrijpen, kan niet om dit werk heen.

„Ik zat erop te wachten”, zegt Bart Vandenabeele, hoogleraar esthetica aan de Universiteit Gent. „En ik denk met mij heel veel mensen.” Al jaren houdt Vandenabeele zich met dit boek bezig. Dat is begonnen tijdens het schrijven van zijn proefschrift en is, getuige zijn lange bibliografie, sindsdien niet meer opgehouden.

Het boek is niet gemakkelijk, geeft Vandenabeele toe. Wat heet? De anekdotes die de moeilijkheidsgraad van Kants werk moeten illustreren zijn talrijk. Zo laat de schrijver Robert Musil één van zijn personages een aantal pagina’s lezen. Musil: „Als hij werkelijk consciëntieus de zinnen met zijn ogen volgde, had hij het gevoel dat een oude knokige hand met een draaiende beweging zijn hersenen uit zijn hoofd schroefde.”

En toch spreekt Vandenabeele over ’dat schitterende boek’. „Het is stilistisch minder vlot en leesbaar dan bijvoorbeeld het werk van Arthur Schopenhauer. Maar qua analyse en argumentatie is het een ongelofelijk rijk boek.”

Hoe luidt die analyse? En bovenal: wat kunnen wij leren van een boek dat meer dan twee eeuwen oud is? De kunst heeft zich sindsdien tenslotte flink ontwikkeld.

Vandenabeele: „Zeker sinds de conceptuele kunst in de jaren zestig en zeventig, zoals de Brillo Boxes van Andy Warhol, zijn veel kunstliefhebbers afgehaakt. Voor een groot deel kun je dat vanuit Kant verklaren, omdat hij de grote esthetica heeft geschreven van de moderniteit.

„In de achttiende eeuw was het vanzelfsprekend kunstwerken met schoonheid te verbinden. Harmonie en proportie stonden centraal en dat zijn rationele, wiskundige principes, die ook in de architectuur en muziek belangrijk waren.” Met die rationalistische traditie breekt de auteur van de ’Kritiek van het oordeelsvermogen’. „De originaliteit van Kant bestaat erin dat hij zegt: zuivere schoonheid is eerder in de natuur te vinden. In de kunst gaat het in de eerste plaats om de manier waarop kunstenaars hun ideeën vormgeven. Schone vormen in de kunst zijn niet voldoende en vaak zelfs oervervelend, stelt Kant. De creativiteit en het verbeeldingsvermogen van de kunstenaar primeert.”

Vandenabeele verwijst naar het beroemde urinoir dat Marcel Duchamps in 1917 in het museum zette en er zijn handtekening onder plaatste. „Het urinoir zelf heeft niet veel esthetische waarde. Het gaat om het creatieve proces dat eraan ten grondslag ligt en de oorspronkelijke wijze waarop Duchamp te werk is gegaan. Hij heeft, overigens niet zonder ironie, willen aantonen dat de kunstenaar zelf bepaalt wat als een kunstwerk geldt: er zijn geen morele, politieke of esthetische beperkingen die bepalen wat voor een kunstwerk kan doorgaan.”

Volgens Kant is schoonheid geen kenmerk dat aan voorwerpen zelf toekomt zoals kleur en grootte, aldus Vandenabeele, „en dat daardoor objectief geldig is. Hij legt daarentegen de nadruk op de appreciatie en emotie bij de toeschouwer van die objecten.”

Objectieve criteria zijn dus lastig te geven. Maar voor wie het persoonlijke oordeel zo centraal stelt, dreigt een andere moeilijkheid: subjectivisme. Dat sluit aan bij de gangbare opinie dat over smaak niet valt te twisten. Iedereen zijn eigen voorkeuren dus? Concreet: had op de plek van de Mona Lisa in het Louvre echt willekeurig welk schilderij kunnen hangen?

Nee, benadrukt Vandenabeele. „Kant wil niet in relativisme vervallen. Over het aangename, dat hij duidelijk onderscheidt van het schone, kunnen we zeggen dat iedereen er zijn eigen opvatting op na houdt. Stel dat het buiten 30 graden is. Over de stand op de thermometer kan geen onenigheid ontstaan. Maar over de vraag of deze als aangenaam wordt ervaren, lopen de meningen uiteen en valt geen redelijke consensus te verwachten.

„Het aangename is, volgens Kant, een louter subjectieve, lichamelijke reactie van ons organisme. Anders werkt dat met het schone, dat reflectie vereist. Schoonheid is gebaseerd op een cognitieve activiteit: verstand en verbeelding doen ook mee tijdens een esthetische reactie, wat niet betekent dat discussies over schoonheid definitief met wetenschappelijke argumenten beslecht kunnen worden.

„De eigenschap ’mooi’ toekennen aan een voorwerp, is geen loutere weergave van mijn subjectieve respons, maar heeft ook een normatieve waarde: ik eis dat iedereen deze pianosonate van Schubert of dit portret van Rembrandt mooi vindt. We verwachten dat we bijval krijgen als we een uitspraak doen over een kunstwerk – ook al is dit in de praktijk niet altijd het geval.”

Het werk van Kant bevindt zich dus in het spanningsveld tussen objectivisme versus subjectivisme, dat zich nooit helemaal laat oplossen. Dit komt ook tot uitdrukking in zijn taalgebruik. Zijn positie geeft hij vorm via een zogeheten oxymoron, de stijlfiguur die twee tegenovergestelde begrippen met elkaar verbindt (een jeugdige grijsaard). Een esthetisch oordeel bezit wat Kant ’subjectieve algemeenheid’ noemt.

De redenering die Kant ontwikkelt, heeft grote gevolgen voor tal van maatschappelijke terreinen. Mensen oordelen immers aldoor en overal, niet alleen in musea. Vandaar dat Vandenabeele benadrukt dat de ’Kritiek van het oordeelsvermogen’ niet alleen van belang is voor het analyseren van thema’s in de kunst, maar ook voor de thema’s uit de cultuurfilosofie in het algemeen.

„Ik denk bijvoorbeeld aan de discussie rond de multiculturele samenleving, waarin het gaat om de vraag of culturen gelijkwaardig zijn. Kunnen we zaken alleen vanuit de context van een bepaalde cultuur appreciëren? Of staat er meer op het spel en bestaat er zoiets als universele geldigheid en moeten we lage en hoge cultuur van elkaar onderscheiden?”

Voor zijn standpunt over de mogelijke gelijkwaardigheid van culturen zocht Kant in eerste instantie aansluiting bij de Britse filosofie. „Hij greep terug op de esthetica van denkers als Edmund Burke en David Hume, die groot belang hechtten aan taste: goede smaak. Smaak was veel ruimer dan alleen een esthetische categorie. Ze duidde ook op welgemanierdheid in het publieke leven. Dus is het vanzelfsprekend dat Kant wordt gesitueerd in deze traditie die we tegenwoordig beschouwen als high brow of hoge cultuur.”

Het zou echter een vergissing zijn te denken dat Kant daardoor een elitair denker is. Het is zelfs omgekeerd, aldus Vandenabeele. „Er zit juist een sterke democratiserende tendens in de esthetica van Kant, met name in het zogeheten vierde moment van zijn analyse. Dit wijst erop dat iedereen, niet alleen hoogopgeleide mensen, mooie dingen moet kunnen appreciëren.

„Dit uitgangspunt heeft grote sociale betekenis. Want hoewel een oordeel altijd is gebaseerd op persoonlijk contact met een voorwerp, dat we al dan niet appreciëren, oordelen we nooit louter als individu. Als we iets waarderen zijn we altijd lid van de gemeenschap van alle wezens die in principe dezelfde vermogens bezitten als wijzelf, zoals verstand en verbeeldingskracht.”

Benadruk je de verschillen tussen mensen of zoek je juist naar hetgeen ze met elkaar delen? Het betoog van Kant is een pleidooi voor de tweede positie. Hoewel hij niet ingaat op concrete problemen – de ’Kritiek van het oordeelsvermogen’ is een theoretische verhandeling –, heeft zijn uitgangspunt wel degelijk grote gevolgen voor de praktijk. Dat blijkt als Vandenabeele een actuele casus toelicht. „Neem de ontwikkelingen van de laatste decennia in het Belgische onderwijs. Op school is een beweging op gang gekomen die zegt: de nadruk op de grote klassiekers is niet genoeg, we moeten meer vertrekken vanuit de leefwereld van leerlingen om cultuur te onderwijzen.”

Deze discussie speelt niet alleen in België, maar net zo goed in Nederland, waar het Nieuwe Leren de leerling centraal stelt in plaats van de stof. Welke positie zou Kant hebben ingenomen? Vandenabeele: „Ik denk dat hij er grote vragen bij had gesteld. Hij zegt dat er weliswaar geen methode of leer is om schoonheid te onderwijzen, maar er is op zijn minst toch wel zoiets als een canonvorming in de kunst.

„Het is daarom van belang voor jonge mensen dat ze daarmee vertrouwd raken”, gaat Vandenabeele verder. Daarbij is het belangrijk op te merken dat de canon niet fungeert als een statische verzameling teksten die als een boodschappenlijstje moeten afgewerkt. „Het is de bedoeling dat leerkrachten de schoonheid, maar ook de cognitieve en ethische waarde van de grote werken uit de literatuur, de beeldende kunst en de architectuur meegeven aan hun leerlingen en deze bediscussiëren in de klas.

„Zo kunnen zowel kinderen van hooggeschoolden als van laaggeschoolden al vroeg in contact komen met de meest uitmuntende resultaten van onze menselijke beschaving. Daardoor zullen ook de minder gefortuneerde leerlingen, die dergelijke zaken van huis uit minder meekrijgen, hun creatieve vermogens beter kunnen ontwikkelen en verfijnen. Zo leren ze goede kunst van kitsch te onderscheiden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden