Review

Illustraties uit kinderboeken zijn voor elke generatie een feest van herkenning.

Ze zijn er bijna allemaal, de favorieten uit onze kinderboeken, op de tentoonstelling ’Helden in Beeld’ in het Letterkundig Museum in Den Haag. De originele tekeningen van illustraties uit meer dan 250 jeugdboeken zijn daar te zien: van Dikkertje Dap, Kikker en Pippi Langkous tot Abeltje, Madelief, Pinkeltje en de spin Sebastiaan die zomaar werd opgeveegd – uit het beroemde versje van Annie M.G. Schmidt. Joop ter Heul lacht je tegemoet, het schaap Veronica zwiert voorbij op schaatsen en Jean Dulieu leest voor uit Paulus de Boskabouter.

Een tentoonstelling in het Letterkundig museum? Dan denk je al gauw aan letters, brieven, handschriften en manuscripten van de grote Nederlandse schrijvers, en aan archieven van uitgevers. Dat het museum ook beeldende kunst in de collectie heeft, waaronder honderden geschilderde portretten van schrijvers en duizenden originele illustraties uit kinderboeken, is minder bekend. Die illustraties kwamen in het verleden bij toeval binnen. Ze werden aangetroffen in uitgeversarchieven of in de nalatenschap van schrijvers. Na 1994, toen het Letterkundig Museum werd uitgebreid met het Kinderboekenmuseum, is men begonnen systematisch beeldmateriaal te verzamelen. Dat heeft ertoe geleid dat veel illustratoren (of hun erven) zelf hun originele werk overdragen aan het museum.

Vanaf 1994 is het aantal aanwinsten volgens directeur Anton Korteweg in rap tempo toegenomen. Mance Post, bekend van Madelief en Eekhoorn, deed een belangrijke schenking, evenals Babs van Wely (Meester Pompelmoes). Ook kreeg het museum werk van Jenny Dalenoord (Wiplala), Max Velthuijs (Kikker), Jean Dulieu (Paulus de Boskabouter), Jan Rinke (Pietje Bell) en vele andere tekenaars. Maar de collectie vertoont nog flinke hiaten, wat ook op de tentoonstelling zichtbaar is. Zo ontbreekt bijvoorbeeld Dick Bruna (Nijntje) en is er maar een enkele illustratie uit het omvangrijke oeuvre van Fiep Westendorp. Ook naar de helden uit de boeken van Thea Beckman en Tonke Dragt zoek je tevergeefs. Het Letterkundig Museum hoopt dat deze tentoonstelling ertoe leidt dat de gaten alsnog worden opgevuld.

De totale collectie omvat 20.000 illustraties, waarvan nog maar een kwart is beschreven. Voor het eerst laat het museum nu een deel van deze originele tekeningen zien. „Het was voor ons een enorme duik in de collectie”, vertellen de conservatoren Stance Eenhuis en Muriël Steegstra. Want wat laat je zien uit zo’n omvangrijke verzameling? „We hebben ons laten leiden door het thema helden”, vertelt Eenhuis. „Dat is een goede kapstok, want iedereen heeft zijn of haar eigen held.” Voor ouderen zullen de boekjes over Arretje Nof van Johan Fabricius (uitgegeven door Calvé eind jaren twintig van de vorige eeuw) waarschijnlijk een feest van herkenning zijn. Zelf heeft Eenhuis goede herinneringen aan ’Witje, Bruintje en Zwartje, de drie gekroonde paardjes’ van Piet Worm (eind jaren vijftig), terwijl Steegstra met plezier terugdenkt aan ’De kleine kapitein’ van Paul Biegel met illustraties van Carl Hollander. Zo kan elke generatie op deze tentoonstelling de plaatjes uit de eigen kindertijd terugzien.

De oudste afbeelding is een gewassen pentekening uit 1778 van J. Buys van ’Jantje zag eens pruimen hangen’, gemaakt bij de versjes van Hieronymus van Alphen. Bij het grazen in de collectie kwamen Eenhuis en Steegstra juweeltjes van illustraties tegen, waaronder die van de onbekende Henriëtte Willebeek Le Mair (1889-1966). Er zitten veel overeenkomsten tussen haar werk en dat van Rie Cramer. Beiden maakten prentenboeken voor de jongste kinderen, waarin ze een ideale wereld afbeeldden met mooie huizen, duur speelgoed en modieuze kleding. De esthetiek stond voorop, maar het had weinig te maken met de echte kinderwereld, de rijkeluiskinderen buiten beschouwing gelaten.

De crisisjaren weerspiegelen zich ook in de illustraties van kinderboeken. H. Henszen Veenland schreef in 1936 het boek ’Geert’s lege dagen’, waarvoor Jan Lutz de omslag ontwierp: een jongen die somber voor zich uitstaart. Dat het om de originele tekeningen gaat, is vaak te zien aan de aantekeningen en verbeteringen die erop zijn aangebracht. Soms werd de illustratie drastisch aangepast door de drukker. Na de oorlog werden de plaatjes steeds kleurrijker, vrolijker en brutaler. Fiep Westendorp veranderde Sinterklaas van een statige man die keurig in de plooi op zijn paard zit, in een Sint die met een druipende borstel, in badjas en zonder mijter net uit bad komt. De ontzuiling en veranderingen in kerk en samenleving zie je ook terug in de plaatjes in kinderbijbels. Het verhaal van Abraham die zijn zoon Izaük vastbindt op een brandstapel om hem te offeren, werd door J. H. Isings in 1926 zeer realistisch en gruwelijk verbeeld in ’Bijbelsche vertellingen voor onze kleintjes’ van W.G. van der Hulst. In de jaren zeventig illustreert Jenny Dalenoord dit verhaal heel anders. Ze tekent vader en zoon terwijl ze de berg opwandelen waar Abraham van God een brandstapel moet bouwen, Izaük met een onbevangen blik in de ogen.

Ook hoe er tegen andere culturen werd aangekeken, zie je terug in bijvoorbeeld het werk van Isings. In 1949 tekende hij voor het boek ’Uit het sagenland’ van Nienke van Hichtum en Cor Bruijn, een woest uitziende krijger uit ’Zoeloeland’, compleet met botje door de neusgaten. Op de kleurrijke tekeningen die Carl Hollander in de jaren zeventig maakte voor de boeken van Astrid Lindgren over Pippi Langkous, zien we Pippi met haar rode vlechten in het water spelen, omringd door vrolijke zwarte kroeskopjes.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden