Review

Ilja Ehrenburg, een Saulus die geen Paulus werd

Deugt hij of deugt hij niet? Die vraag heeft uitgeverij De Arbeiderspers lange tijd doen weifelen over het uitbrengen van de memoires van Ilja Ehrenburg. Hoe oprecht zijn de herinneringen van iemand die nooit een geheim heeft gemaakt van zijn trouw aan de Sovjet-Unie?

ANTOINE VERBIJ

Martin Ros, voormalig uitgever van De Arbeiderspers, heeft meer dan eens verklaard dat publicatie spoedig ophanden was, maar telkens won de koudwatervrees het van zijn waardering voor Ehrenburgs monumentale getuigenis. Hij had, bekende Ros eens, al zoveel kritiek te verduren gehad toen hij de herinneringen van Gorki uitbracht, de man die bij wijze van spreken in de armen van Stalin was gestorven.

Ros heeft zich uit de uitgeverij teruggetrokken, de Koude Oorlog is afgesloten, Ehrenburg is in nog grotere vergetelheid geraakt dan waar hij zich al in bevond, dus dacht De Arbeiderspers, wat let ons om eindelijk eens het onvoltooide manuscript van de inmiddels overleden vertaler Charles B. Timmer van het stof te ontdoen en Tom Eekman de opdracht te geven de publicatie af te ronden. Eekman maakte een definitieve selectie uit de zes delen omvattende memoires, schreef een kool-en-geit-sparend nawoord waarin een verantwoording node wordt gemist, en voilà, de illustere reeks Privé-domein is weer een prachtexemplaar rijker.

Eherenburgs memoires omspannen ruim een halve eeuw Europese kunst, cultuur en politiek. Van pakweg 1910 tot 1960 woonde Ehrenburg beurtelings in Parijs en Moskou, en ook nog even in Berlijn. Hij was bevriend met de grote schrijvers en kunstenaars van de epoche, met name de avant-gardisten onder hen, die de afgelopen decennia door de monstertentoonstellingen 'Parijs-Moskou' en 'Berlijn-Moskou' zo in de belangstelling staan. Ook al een reden waarom de Nederlandse publicatie toch echt heel erg laat is.

Ilja Grigorjevitsj Ehrenburg, in 1891 in Kiev geboren uit gegoede joodse ouders, vluchtte in 1909 naar Parijs om een veroordeling wegens revolutionaire activiteiten te ontlopen. Daar koos hij domicilie in het beroemde kunstenaarscafé La Rotonde. De broodmagere jongeling, met zijn sliertige haar, malle hoed en excentrieke vodden aan zijn lijf, viel in de smaak bij de artistieke bohème. Hij raakte op vertrouwde voet met Picasso, Modigliani, Rivera, Léger, Apollinaire, Cocteau, Archipenko, om een paar van de bekendsten te noemen.

Van al deze mensen bevatten Ehrenburgs memoires prachtige portretten. Hij hield zijn leven lang contact met de meesten van hen. Hij komt tot afgewogen oordelen over hun leven en werk, kritische oordelen ook, uitgesproken vanaf de hoge zetel van de memoirist die hen (bijna) allemaal heeft overleefd. Voor de sovjetlezers in de jaren zestig waren die portretten ronduit openbaringen; ze betroffen immers kunstenaars die in de Sovjet-Unie toen nog altijd taboe waren.

Hetzelfde geldt voor de Russische schrijvers en kunstenaars die Ehrenburg ontmoette, nadat hij in 1917 weer naar zijn geboorteland was teruggekeerd. Dankzij Ehrenburgs memoires maakten de sovjetlezers kennis met mensen die in de officiële geschiedschrijving een onderaards bestaan leidden: Mandelstam, Babel, Tsvetajeva. Terwijl de gecanoniseerden Alexej Tolstoj, Majakovski, Jesenin een kritischer oordeel ontvingen dan in de sovjet-orthodoxie gebruikelijk.

De jaren dertig bracht Ehrenburg weer grotendeels in Parijs door. Op die manier ontliep hij Stalins bloedige zuiveringen. Hij was sovjet-ambassadeur op de antifascistische schrijverscongressen die in die jaren in West-Europa werden gehouden. En hij was de bolsjevistische luis in de pels van het emigrantenmilieu.

Toen de Duitse nazi-troepen naar Parijs oprukten, vluchtte Ehrenburg terug naar Moskou, om daar als verslaggever aan het oorlogsfront uit te groeien tot nationale held. Zijn status was toen zo onaantastbaar dat hij moeiteloos de naoorlogse campagnes tegen 'kosmopolitische' (lees: joodse) intellectuelen overleefde. In de ideologische 'dooi' die volgde op Stalins dood, speelde Ehrenburg een vooraanstaande rol. Zijn onomstreden autoriteit stelde hem in de jaren zestig in staat memoires te publiceren die voor die tijd sensationeel openhartig waren. Hij overleed in 1967.

Het is niet moeilijk Ehrenburg af te schilderen als een aartsopportunist. En dat niet alleen in politiek, maar ook in kunstzinnig opzicht. Kijk maar naar zijn eigen schrijverschap. Ehrenburg was zeer productief. Hij schreef zo'n zestig boeken. Maar hij was een schrijver uit de B-categorie. Hij beoefende, kundig maar met weinig verfijning, de genres die de een na de ander in de mode waren: poëzie in zijn Parijse jaren tien, experimentele literatuur in de jaren twintig, sociaal-kritische en historische romans in de jaren dertig, frontjournalistiek tijdens de Tweede Wereldoorlog, oorlogsromans in de jaren daarna, 'dooi'-romans in de jaren vijftig (hij was zelfs, met zijn roman 'Dooi', de uitvinder van de term), en memoires in de jaren zestig.

Maar wat is politiek en artistiek opportunisme in een tijd en in een land waar iedere zelfstandig denkende burger de koffers klaar had staan om, zodra de klop op de deur zou weerklinken, onder escorte naar de goelag te vertrekken? Ehrenburg heeft in zijn leven meer dan eens - en daar windt hij in zijn memoires geen doekjes om - zijn toevlucht moeten nemen tot, wat hij noemde, 'de moeilijkste van alle kunsten', zwijgen. “Ja, ik was van veel misdaden op de hoogte”, schrijft hij over de tijd kort na de oorlog, toen Stalin de jacht op joodse intellectuelen had geopend, “maar ik was niet bij machte ze te stoppen. Zwijgen was voor mij geen cultus maar een vloek.”

Dergelijke bespiegelingen zijn niet in de selectie van Timmer en Eekman terug te vinden. Ehrenburgs politieke leven blijft buiten beeld. Zijn ontmoeting met Lenin, zijn vriendschap met Boecharin, zijn bezoek aan Trotski, zijn verhouding tot Stalin, ze komen niet aan bod. We krijgen alleen de chroniqueur van de Europese kunst en cultuur te zien, niet de politieke schipperaar. Dat is een te verdedigen keuze. Maar dan had Eekman in zijn nawoord wel die politieke kant moeten bespreken. Dat doet hij onvoldoende.

Wel opgenomen zijn enkele bespiegelingen van Ehrenburg over zijn dubbelrol als toeschouwer van de Russische revolutie en als deelnemer daaraan. En over zijn houding tegenover de sovjetsamenleving. Hem is vaak verweten een scepticus, een cynicus en een nihilist te zijn. Het zijn verwijten uit orthodoxe communistische kringen. Voor de hedendaagse lezer zijn ze niet echt interessant, want die heeft geen moeite met scepsis, cynisme of nihilisme. Ehrenburg verweert zich door zichzelf een 'romantisch ironicus' te noemen: iemand die positief naar de wereld kijkt, maar niet kan nalaten er ook de donkere zijde van te laten zien.

Ehrenburg besluit zijn verweer met: “Op één punt ben ik onschuldig: ik ben nooit onverschillig geweest.” Het is een quasi-diepzinnige algemeenheid, verhullend in haar nietszeggendheid. Toch kozen de samenstellers van de Nederlandse selectie de zinsnede 'Ik ben nooit onverschillig geweest' als titel. Een slechte keuze, want niet alleen is die titel foeilelijk, zijn echte betekenis ontleent hij aan de sovjetcontext, en die is nu juist zo goed als geheel weggeselecteerd. Waarom niet de mooie titel van het Russische origineel gehanteerd: 'Mensen, jaren, leven'?

De bevalling van de Nederlandse editie van Ehrenburgs memoires mag dan in veel opzichten ongelukkig zijn verlopen, nu ligt ze er dan toch maar. Daarmee beschikken we in het Nederlands momenteel over een fraaie serie autobiografische geschriften over die woelige jaren van voor en na de Russische revolutie. Alleen al in Privé-domein verschenen Gorki's 'Portretten', Paustovski's veelgeroemde herinneringen in zes delen, Sjklovski's 'Sentimentele reis', Hippius' 'De schittering van woorden' en Sorokins 'Bladen uit een dagboek'.

Een schitterend palet, dat nu wordt verrijkt met Ehrenburgs breed uitwaaierende herinneringen. Een zeer gevarieerd palet ook, want iedere auteur geeft een volstrekt eigen kleur aan het tijdperk. Gorki is de sentimentele prediker, Paustovski de weidse verteller, Sjklovski de sarcastische anekdoticus, Hippius de hysterische roddelaarster, Sorokin de afstandelijke theoreticus en Ehrenburg, ten slotte, de scherpzinnige journalist.

Mijn persoonlijke favoriet is Viktor Sjklovski. Zijn afgemeten stijl treft de zaken in de kern, en niet zelden treft ze de lezer in merg en been. Een enkele keer bereikt Ehrenburg eenzelfde koelbloedige afgemetenheid. Bijvoorbeeld wanneer hij terugdenkt aan de pogrom die hij in 1919 in Kiev doorstond. “In 1919 waren de beulen nog niet op de gedachte van gaskamers gekomen; de uitspattingen droegen een huiselijk karakter: op het voorhoofd een vijfpuntige ster uitsnijden, een meisje verkrachten, een baby het raam uitgooien.”

Sjklovski omschreef Ehrenburg ooit als een 'Saulus die geen Paulus werd': een man die zich altijd spoorslags tot allerlei nieuwe politieke en kunstzinnige richtingen bekende, maar nooit ten volle; hij bleef altijd verknocht aan het verleden, weigerde daar afstand van te nemen.

In zijn memoires noemt Ehrenburg dat oordeel 'boosaardig maar rechtvaardig'. Het trof hem kennelijk in de kern. Ehrenburg hield van vernieuwing. Maar zodra dat betekende dat al het oude moest worden vernietigd, haakte hij af. In al zijn overgave aan de vele vernieuwingsbewegingen die hij op zijn levenspad tegenkwam, aan kubisme, constructivisme en futurisme, aan symbolisme, surrealisme en socialistisch realisme, ja ook aan mensjevisme, bolsjevisme en stalinisme, bleef hij vasthouden aan klassieke negentiende-eeuwse waarden als humanisme en Verlichting. Vandaar dat Ilja Ehrenburg eigenlijk alleen in het buitenland een beginselvaste sovjetschrijver was, en in de Sovjet-Unie een afstandelijke cynicus die er op gepaste tijden het zwijgen toe deed. Die paradox siert hem.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden