Review

’Ik vertel ook de donkere verhalen’

Nico Ter Linden schreef eerst de succesvolle serie ’Het verhaal gaat...’, een ’kinderbijbel voor volwassenen’. Nu werkt de predikant aan een kinder-kinderbijbel. Gesprek over de verschillen, en over de taal. Die mag best verheven zijn.

’Toen ik zo oud was als jij, was er oorlog in ons land.’ Zo opent Nico ter Linden ’Koning op een Ezel’, het vorig jaar verscheen deel een van zijn driedelige kinderbijbel. Hij vertelt zijn jeugdige lezer over zijn angst voor raketten, die op weg naar Engeland net zo goed hun huis konden raken. Als hij ’s nachts echt bang was, wilde hij maar één verhaal horen: Jezus die over het water wandelt.

Later begon Ter Linden over het verhaal na te denken: wat een malle geschiedenis. Weer later begreep hij dat dit verhaal niet over gewoon water ging, maar over het water waar hij vaak van droomde: de donkere diepte waarin hij verdronk. „Ik was bang”, schrijft hij, „maar ik voelde haarfijn aan wat het verhaal wil zeggen: God is sterker dan de dood.”

Ter Linden begint zijn kinderbijbel met een verwijzing naar zijn eigen jeugd omdat hij heeft gemerkt dat kinderen nu veel meer, en ook veel eerder dan vroeger vragen stellen bij de bijbelverhalen. „Mijn kleinzoon”, vertelt hij in zijn Amsterdamse huis, waar de moderne Nederlandse literatuur in stapels op de tafels ligt, „was nog geen vijf toen hij de opstanding van Jezus ’onzin’ noemde, ’want onmogelijk’. Tegelijkertijd droeg hij wel een prachtige uitleg van het verhaal aan. Hij bracht het paasverhaal in verband met een dood vogeltje dat hij een week eerder in de tuin begraven had. ’Dat vogeltje ligt bij de boom, maar wat het vogeltje denkt en voelt, dat is bij God.’ Zoiets zou ik vroeger niet verzonnen hebben. Het bewustzijn van moderne kinderen wortelt in het natuurwetenschappelijk denken; hun sens du mystère wijkt angstwekkend vroeg.’’

Die verandering is te betreuren. „Nooit vier je Pasen mooier dan wanneer je niet beter weet dan dat Jezus werkelijk uit het graf is opgestaan en wanneer je je het verschil tussen verhaaltaal en geschiedschrijving nog niet bewust bent. Maar die veranderende houding van kinderen kun je onmogelijk negeren. De belangrijkste vraag waarvoor ik mij tijdens het schrijven gesteld zag, luidde dan ook: hoe geef ik die verhalen hun verhaalkarakter terug? Dat is niet makkelijk, ergens in een hoek van mijn ziel heb ook ik lang gemeend dat de bijbelse verhalen over de vaderlandse geschiedenis van Israël gingen; wij Willem van Oranje, zij Mozes – zoiets.’’

Ter Linden moest één of meer vertellers inbouwen. Voor het Nieuwe Testament had hij die snel gevonden: de evangelisten Matteüs en Lucas. „Die dank ik aan de Amsterdamse theoloog Frans Breukelman, groot kenner van de twee geboorteverhalen van Jezus die zij componeerden: ’Neem jij de herders, dan neem ik de koningen.’ Samen laat ik die twee mijn kinderbijbel schrijven. En ik begin dus niet met die geboorteverhalen, want dan vertel je historiserend en prolongeer je het misverstand dat die verhalen het begin van Jezus’ biografie vormen. Ik zet in na de dood van Jezus. Matteüs en Lucas zijn depressief: Jezus is vermoord. Wat deed Jezus als hij het niet meer zag zitten? Dan las hij Mozes en Elia, de Wet en de Profeten. Matteüs en Lucas verdiepen zich er op hun beurt in, zij hervinden hun geloof en weten vervolgens wat hun te doen staat: ’Zoals Mozes en Elia dankzij die oude verhalen in de herinnering voortbestaan’, laat Ter Linden Matteüs zeggen, ’zo moet ook Jezus voortleven. Wie na ons geboren worden, moeten weten hoe hij leefde en waarom hij stierf. Zij moeten Jezus ontmoeten, net zoals wij hem hebben ontmoet. Misschien moeten wij die verhalen wel opschrijven, Lucas.’’’

Dat gaan ze doen. En ze vullen elkaar prachtig aan, overleggen wat ze wel moeten vertellen en wat niet. Bovendien becommentariëren en verhelderen ze elkaars verhalen. Nadat Matteüs Jezus een donderpreek laat afsteken tegen mensen die zich niet bekommerden om hun naaste, schrijft Ter Linden:

Lucas zat na te denken. ’

Jezus lijkt erg op je vader, in dat verhaal’, zei hij ten slotte. ’Jouw vader kon ook goed dreigen.’

’Ja’, zei Matteüs.

’Ben je niet bang dat de mensen van zo’n verhaal wakker liggen?’

’Nee’, zei Matteüs, ’dat is juist mijn bedoeling.’

Ter Linden: „Anders dan Lucas is Matteüs een zwarte pedagoog die met de hel dreigt. Is het slecht kinderen daarmee lastig te vallen? Dat staat nog te bezien. Wij hebben allemaal fantasieën over de hel en de hemel. Die verhalen moet je dus ook vertellen: welke fantasieën zijn vruchtbaar, welke verlammend? Wanneer we de diepzinnige bijbelse hemel- en helfantasieën verloren laten gaan, resten ons straks alleen nog Hazes-achtige platitudes over briefjes die je aan een vliegertouw aan je dode moeder op een wolkje kunt sturen.” Al mijn verlichte meelezers bezwoeren mij ’de donkere’ verhalen rustig te laten staan. Sprookjes gaan ook over het donker en niet alleen maar over het licht.

Met het Oude Testament had Ter Linden meer moeite. „Ik had aanvankelijk geen verteller. Daarom schreef ik het deel over het Nieuwe Testament eerst, wat natuurlijk een vreemde, verkeerde volgorde is. Maar ik hoopte tijdens het schrijven aan het Nieuwe Testament op een idee te komen voor het Oude.’’

Dat gebeurde. Ter Linden zag een oude rabbijn voor zich, die de oorlog had overleefd in een Amsterdams souterrain. Er liepen kinderen langs zijn raam, met wie hij bevriend raakte, en aan wie hij verhalen begon te vertellen. „Het was geen goed idee. Te ingewikkeld. Ik zat in het heden en in het verleden, in het oude Israël en in Amsterdam, in verschillende oorlogen. Ik moest te veel uitleggen. Die hoofdstukken over de oude Amsterdamse rabbijn zijn in mijn bureaula blijven liggen.’’

Nu begint ’Het land onder de regenboog’, het net verschenen tweede deel van Ter Lindens kinderbijbel, op het moment dat het volk Israël in ballingschap gaat. Judith en haar vriendje Tobias zijn aan het spelen op het grote plein bij de Schaapspoort van Jeruzalem als er soldaten verschijnen. Ze lopen naar huis, Judiths moeder staat ze al op te wachten in de deuropening: ’We moeten hier weg’, zei moeder, ’we moeten in ballingschap’. De volgende dag vertrekken ze, de vaders, de moeders, Judith, Tobias, vrienden en bekenden. Een van hen is oom Ben, Ben Israël, geen echte oom, maar een priester die vaak op bezoek kwam en verhalen vertelde. Dat doet hij ook onderweg, als ze langs de rivier de Jabbok komen, waar ooit Jakob droomde over een ladder naar de hemel. In Babel aangekomen besluiten wijze mannen, onder wie oom Ben, de verhalen van het volk te verzamelen en op te schrijven. „Als we die verhalen kwijtraken”, zo laat Ter Linden oom Ben zeggen, „raken we alles kwijt. Dan weten we niet meer waar we vandaan komen en ook niet waar we naartoe gaan.’’

Wordt dit nu toch een vaderlandse geschiedenis van het volk Israël? Nee. „Ons boek”, zegt oom Ben tegen Judith en Tobias, „wordt geen geschiedenisboek, het wordt een verhalenboek.” En hij begint te vertellen. Over de schepping, de slang. Kaïn en Abel, de ark van Noach. Over Abraham en Sara. En over Abraham die zijn zoon Isaük moet offeren.

„Dat is een verhaal waar ik van meet af aan tegenaan zat te hikken”, vertelt Ter Linden. „Een bizar verhaal over een God die een godsonmogelijke vraag stelt, en een vader die de opdracht nog dreigt te gaan uitvoeren ook. Moest zo’n verhaal in een kinderbijbel? Ja, maar ik laat Judith aan het einde ervan wel zeggen: ’Ik vind het maar een vreemde geschiedenis.’ Daar heeft Judith groot gelijk in, maar goed, we hebben het verhaal nu eenmaal, en dus moeten er wat mee. Welbeschouwd is het óók een mooi verhaal.”

Ter Linden verzon een list: volgens oom Ben geeft God Abraham de onmogelijke opdracht in een angstaanjagende droom. Dat is nieuw, zo staat het ook niet in ’Het verhaal gaat’, Ter Lindens hervertelling van de Bijbel voor volwassenen. Haalt hij deze verteltruc uit om het verhaal te verzachten?

Nee, zegt hij. „Ik heb vijfentwintig meelezers. Vaders, moeders, leerkrachten van christelijke en niet-christelijke scholen, en theologen. Een van hen is de theoloog Karel Deurloo, mijn bijbels-theologisch geweten. ’Karel’, zei ik, ’ik maak er een droom van.’ ’Doen’, zei Deurloo. Want we hebben natuurlijk geen verslag van wat God tegen Abraham gezegd heeft, Abraham heeft iets van God opgevangen en zoiets geschiedt in dromen, in visioenen. Het is nachtwerk, en dat klopt ook, het verhaal vervolgt ermee dat Abraham ’vroeg in de morgen’ opstond, hout kloofde voor het brandoffer en naar de plaats ging die God hem gezegd had. Die droom gebruik ik niet om te verzachten maar om te verhelderen. Had ik tijdens het schrijven van ’Het verhaal gaat’ deze inval gehad, dan zou Abraham ook toen zijn opdracht via een visioen hebben ontvangen.’’

Het is verleidelijk Ter Lindens kinderbijbel te vergelijken met zijn boek voor volwassenen. „Nergens heb ik de verhalen willen verzachten. Goed, je laat wat bloederige details weg, hoeveel doden er gevallen zijn is niet belangrijk voor de strekking van een verhaal. De grootste verandering ligt in de snelheid waarmee ik vertel. Je kunt je weinig uitstapjes veroorloven. Een van mijn meelezers is Karel Eykman, die zelf een prachtige kinderbijbel heeft geschreven. Van hem leer ik telkens opnieuw: less is more.”

En de taal, die is voor volwassenen en kinderen natuurlijk volkomen verschillend. „Nee! Ik heb zoveel mogelijk de prachtige taal van de Bijbel proberen te handhaven; je kunt kinderen niet hoog genoeg aanslaan. Ik ben ervan overtuigd dat kinderen kunnen voelen en begrijpen wat ’en Jozef weende’ betekent, daar moet je met de Nieuwe Bijbelvertaling niet ’en Jozef huilde’ van maken. Het prachtige woord ’aangezicht’ laat ik als het even kan ook staan. Eveneens geschrapt door de NBV. Als zij het weglaten, zal ik laten zien dat het woord zelfs voor kinderen niet te ouderwets is om te gebruiken, en helemaal niet te moeilijk.’’

Ter Linden pakt ’Het land onder de regenboog,’ dat bij zijn voeten op het kleed ligt. Hij bladert, dan begint hij voor te lezen: ’Ik geloof dat moeder gestorven is’, zei Abraham tegen Isaak, die zachtjes was binnengekomen. Het was zo. Moeder Sara lag doodstil in de kussens. Abraham kuste haar voorhoofd en keek nog eens goed naar haar lieve gezicht. Vroeger straalde de lente van het leven in dat gezicht, nu was het mooi van ouderdom. Van aangezicht tot aangezicht hadden ze geleefd, samen, van dag tot dag, de jaren door. „Nooit zal ze meer terugkijken”, dacht Abraham. Toen stond hij op van het aangezicht van zijn dode.’ Ter Linden kijkt op uit het boek: „Is dat te moeilijk?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden