Review

IK KAN HEN NIET GRUWELIJKER STRAFFEN DAN DOOR GELUKKIG TE ZIJN

Jean-Jacques Rousseau: Overpeinzingen van een eenzame wandelaar. Vertaling en nawoord Leo van Maris. L. J. Veen, Amsterdam; 157 blz. - ¿ 34,90.

Volgens Rousseau zelf is het boek niet meer dan een onsamenhangend verslag van de gedachten die tijdens zijn eenzame wandelingen in hem opkwamen, een 'vormeloos dagboek van mijn overpeinzingen'. (rêveries staat er in het Frans, een sleutelwoord dat door de vertaler met veel, misschien wel al te veel, nuances wordt weergegeven: hij vertaalt het ook met 'bespiegelingen', zoals in de titel, 'dromerijen' en 'mijmeringen'). Maar de negen hoofdstukken of 'wandelingen' - Rousseau stierf terwijl hij aan het tiende werkte - zijn allerminst vormeloos. Het zijn juweeltjes van compositie en stijl, bewonderd en nagevolgd door schrijvers als Goethe, Hölderlin, en Proust.

De openingszin is onthutsend: “Ik ben dus alleen op de wereld, ik heb geen broeder meer, geen naaste of vriend, geen ander gezelschap dan mijzelf”, lezen we. “De meest op gezelschap gerichte en tot liefde geneigde mens is met algemene instemming van zijn medemensen uit hun midden verbannen.” De schrijver weet zich, zoals ook in de rest van het boek telkens weer blijkt, het slachtoffer van vele subtiele intriges en samenzweringen, die deel uitmaken van een alomvattend en onherroepelijk komplot.

Rousseau's achtervolgingswaan was, hoe grotesk ook, niet geheel ongegrond. Hij werd wel degelijk vijandig bejegend, zij het niet door de hele mensheid. Als operacomponist en romanschrijver had hij aanvankelijk furore gemaakt, maar als filosoof ontmoette hij al spoedig grote weerstand. Van beroemd werd hij berucht. Vooral 1762, het jaar waarin hij vijftig werd, was rampzalig. Zijn politieke hoofdwerk 'Du contrat social' werd verboden en de oplage van zijn pedagogische boek 'ümile' werd op last van het Franse parlement verbrand, niet in de laatste plaats vanwege de ononthodoxe religieuze ideeën. Om aan arrestatie te ontkomen vluchtte hij naar Zwitserland.

Bovendien maakte Voltaire, met wie hij eveneens in onmin was geraakt, hem een paar jaar later publiekelijk te schande met de onthulling dat hij zijn eigen vier kinderen naar het vondelingenhuis had gebracht - hij, die in 'ümile' zulke baanbrekende ideeën over de opvoeding had verkondigd! In de negende wandeling van de 'overpeinzingen' komt Rousseau op die pijnlijke affaire terug. Hij wil met voorbeelden bewijzen dat hij desondanks een grote kindervriend is, en verdedigt zijn handelwijze met een redenering die haar kracht uitsluitend ontleent aan zijn paranoia: omdat hij zelf niet in de gelegenheid was zijn kinderen op te voeden, zouden zijn vrouw en haar familie er (dwars tegen zijn opvoedkundige principes in) verwende monsters van hebben gemaakt, en de aldus verdorven kinderen zouden tegen hem zijn gebruikt in het 'gruwelijke komplot' dat tegen hem werd gesmeed.

'Overpeinzingen' geeft niet alleen, uit de eerste hand, een fascinerend inzicht in de toestand van een paranoicus, het laat ook zien hoe Rousseau zijn door hemzelf zo beklaagde lot toch ook heel draaglijk weet te maken. Overtuigd van zijn eigen onschuld, rechtvaardigheid en menslievendheid ontzegt hij alle anderen deze kwaliteiten, die een mens pas tot mens maken. Hij kan hen niet haten maar wel minachten, wat veel doeltreffender is: door hun elke menselijkheid te ontnemen maakt hij hen onschadelijk. Zoals Diogenes heeft hij vergeefs naar een 'rechtvaardige ziel' gezocht; nu heeft hij zijn lamp gedoofd, begrijpend dat zijn tijdgenoten niet meer dan 'mechanische wezens waren die alleen op prikkels reageerden'.

Deze waan lijkt zich te modelleren naar Rousseau's eigen wijsbegeerte. Want daarin gaat het steeds om de tegenstelling tussen natuurlijkheid en kunstmatigheid, waarheid en bedrog, zijn en schijn. Van de christelijke leer van de erfzonde moet hij niets hebben. De mens is onbezoedeld uit de handen der natuur gekomen, het is de stedelijke, naar luxe strevende beschaving die hem verdorven heeft gemaakt. De beschaafde mens wordt geheel beheerst door het mechanisme van de eigenliefde, dat hem steeds listig naar zijn persoonlijk voordeel doet zoeken en hem berooft van alle natuurlijke onschuld en oprechtheid. Het is de kinderlijke onschuld die hij in 'ümile' door de juiste opvoeding wilde bewaren. In 'Overpeinzingen' ziet Rousseau de anderen als de gevallenen, vervreemd van hun oorspronkelijke zelf. Alleen hij is nog een natuurlijke, ware mens, de laatste hoeder van het aards paradijs.

De eenzaamheid waartoe zijn waan hem veroordeelt, wordt zo tot een bron van ongekend geluk. Geluk, had Rousseau als filosoof geleerd, is niet buiten de mens, in de 'wereld', te vinden, maar alleen in de mens zelf, door terug te keren tot de onbedorven kern in hem. Dat besefte hij dus al toen hij zelf, tegen zijn diepste verlangen in, nog volop deel uitmaakte van die wereld. Telkens weer beklemtoont hij dat zijn wijsbegeerte, anders dan de 'holle redeneringen' van zijn collega's, steun vindt in zijn eigen ervaring. Pas door zijn gedwongen isolement is hij in staat zijn geluksopvatting onbelemmerd in de praktijk te brengen. “Ik kan huns ondanks gelukkig te zijn”, zo verwoordt hij de zoete wraak op zijn kwelgeesten.

In de vijfde wandeling, niet alleen het middelpunt maar ook het hoogtepunt van het boek, beschrijft hij lyrisch het opperste geluk dat hij, op de vlucht voor vervolgingen en beschimpingen, ervoer tijdens zijn verblijf op het kleine Petersinsel in de Zwitserse Bielersee, niet ver van Neuchâtel: 'Een volmaakt en volledig geluk dat in onze ziel geen enkele leegte laat die gevuld moet worden'. Zo'n tevredenheid - niets anders dan het simpele 'gevoel te bestaan', vrij van alle wereldse begeerten - kan volgens Rousseau in beginsel overal worden ervaren (zelfs in de Bastille). Maar het gevoel wordt door een lieflijke omgeving, zoals die van het eilandje, wel aanzienlijk bevorderd.

Zodra ik ben ontsnapt aan 'die bende boosaardige lieden' en me onder de bomen, te midden van het groen bevindt, schrijft hij elders in het boek, 'waan ik mij in het aardse paradijs en voel ik een innerlijke vreugde alsof ik de gelukkigste mens ter wereld ben.'

Rousseau's behoefte zich in de vrije natuur terug te trekken maakt hem tot een voorloper van de Romantiek. Zij verklaart ook zijn late, weer opgebloeide passie voor de plantkunde, die hij in de zevende wandeling prachtig beschrijft, en die hem zelfs dreigt af te houden van het schrijven van de 'Overpeinzingen'.

Op het Petersinsel had Rousseau het paradijs gevonden. Nog twaalf jaar later, als hij de 'Overpeinzingen' schrijft, vliegt hij er dagelijks naar terug, op de vleugels der verbeelding. Hij zou er, als de mensen het hem toestonden, zijn laatste dagen willen slijten; “Verlost van alle aardse hartstochten die uit de onrust van het maatschappelijk leven voortkomen, zou mijn ziel vaak boven deze wereld uitstijgen en bij voorbaat al verkeren met de hemelse geesten wier aantal zij binnenkort hoopt te vermeerderen.”

Wars van kerkelijke dogma's is Rousseau rotsvast overtuigd gebleven van het bestaan van God en van de onsterflijkheid van de ziel. Dat geloof werpt ook een ander licht op het wereldwijde komplot dat hij ontwaart: het welslagen ervan, schrijft hij, stond al bij voorbaat geschreven in de eeuwige raadsbesluiten. Het is de gruwelijke beproeving die God hem heeft opgelegd, om hem zijn heil te doen verdienen.

Zo kan 'Overpeinzingen' ook worden gelezen als een oefening in het sterven, een voorbereiding op de dood. Deel uitmakend van een lange wijsgerig-religieuze traditie roept het op tot berusting, zelfbezinning en onthechting. Zoals eerder Boëthius heeft Rousseau, met de dood in zicht, zijn 'vertroosting van de filosofie' geschreven. Op zijn levensavond is hij erin geslaagd waan en wijsheid in volmaakte harmonie te brengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden