Interview

Ik betaalde mijn zoon om op de foto te gaan

Koos Breukel Beeld Jörgen Caris

“Ik heb niet van tevoren al een beeld in mijn hoofd bij de mensen die ik fotografeer. Dat had ik vroeger wel, maar dat heb ik losgelaten. Je moet mensen portretteren vanuit nieuwsgierigheid. En dan gaat de grootste nieuwsgierigheid toch uit naar wat die persoon met mij doet. 

Ik geloof ook niet dat iemand ontspannen op de foto moet. Dat is een mythe die nog stamt uit het begin van de portretfotografie, toen er een lange sluitertijd was, en je lang moest stilzitten. Portretten van mensen die enorm opgefokt op de foto staan zijn juist ook goede portretten. Maar er doen sowieso allerlei clichés de ronde. Dat de ogen de spiegels van de ziel zijn bijvoorbeeld. Lariekoek. De ziel is veel te grillig. Of dat een portret iemand ten voeten uit is. Onzin. Er zit veel suggestie in mijn portretten. Je kunt mijn portret van André van Duin helemaal André van Duin vinden, maar iedereen ziet toch iemand anders. Ik zie een man die zich in zijn kleedkamer na het applaus terugtrekt om te verwerken wat hem overkomen is op het podium. Een ander vindt dat hij angstig kijkt. Of grappig. Het is allemaal in the eye of the beholder.

“Ik heb nooit bedacht dat ik portretfotograaf zou worden. Eerst wilde ik oceanograaf worden en daar komt heel veel fotografie bij kijken. Van mijn moeder kreeg ik een oude camera en een statief. Rond mijn zeventiende vond ik Ed van der Elskens ‘Streetlife’ interessant. Ik realiseerde me dat deuren opengaan als je maar nieuwsgierig genoeg bent.

Geen mensenliefde

“Ik ben me gaan concentreren op mensen niet uit mensenliefde, maar omdat ik nieuwsgierig was hoe die mensen eruit zouden zien op mijn foto. Ik ben mensen op straat neer gaan zetten, in zacht licht, met een lange sluitertijd. En toen was ik ineens bezig met het maken van portretten. Later ben ik wel meer naar portretten van anderen gaan kijken, foto’s van Diana Arbus, Irving Penn. Op ‘La Grande Parade’ zag ik een mooi portret van Picasso. En Picasso interesseerde me niet zo, maar dat vond ik wel een weergaloos goede foto. Toen bedacht ik: ik ga hiermee door.

“Of een foto werkt ligt niet aan de modellen. De trukendoos is bij iedereen anders. Soms werkt het niet en dat heeft dan toch met mijn verbazing of stemming te maken. Ik heb een foto gemaakt van Rutger Hauer, maar die man deed mij niets. Als ik die foto zie, is het enige wat ik zie dat het Rutger Hauer is. Toen ik de opdracht kreeg voor het staatsieportret van Willem-Alexander heb ik erg mijn best gedaan het paleis weg te relativeren. Ik heb een hekel aan hermelijnen mantels. Maar ik had verder een prima band met hem.

“Hoe ik een portret maak is door de jaren heen niet zo veranderd, maar ik ben zelf wel veranderd. Ik probeer toch elke dag te resetten, opnieuw te beginnen. Dat je weer wat voelt in die studio.

Minder gejaagd

“Soms denk ik dat ik genoeg gefotografeerd heb. Ik heb twintig jaar terug een heftig ongeluk meegemaakt en dat heeft mijn fotografie veranderd. Ik ben minder gejaagd gaan leven, meer geconcentreerd naar mensen gaan kijken. Fotografie is ook niet mijn enige dagtaak nu. Het afgelopen jaar heb ik veel met Aat Veldhoen samengewerkt die nu net is overleden. Hij was aan zijn rechterhand verlamd en ik fotografeerde zijn etsplaten. Hij was erg bang om dood te gaan. Ik heb veel foto’s van hem gemaakt, ook na zijn dood.

“Mijn zoon ben ik gaan fotograferen, gewoon zoals alle ouders hun kinderen fotograferen. Hij woonde niet bij mij maar bij zijn moeder. Toen hij ging puberen heb ik wel even getwijfeld of ik ermee door moest gaan. Hij wilde ook niet meer zo graag poseren. Toen ben ik hem ervoor gaan betalen. Dat is misschien wel raar - dat je je kind betaalt om op de foto te gaan. Maar het was ook zakgeld. En hij ging er kleren voor kopen. ‘Goed voor de foto’s’, zei hij. Die eerste foto van mijn zoon: ik grapte toen ik hem zag dat hij meteen in de gaten had dat ik zijn vader was. Hij poseert al echt op die foto. Een blik alsof hij al een jongen van achttien was. Hier gebeurt iets, pa. Moet je nu niet een foto maken?”

Koos Breukel Beeld Jörgen Caris

‘Zoon/Son’ verscheen dit jaar bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen. Koos Breukel bereidt met de familie van Aat Veldhoen een expositie in Museum Kranenburg voor.

Hoe onbevangen neem je plaats in de portretstudio van Koos Breukel? Voor dit interview nam de fotograaf zelf in zijn eigen studio plaats voor de camera van fotograaf Jörgen Caris. “Met Jörgen gaat dat wel goed. Ik ben een ongeduldige poseur, maar hij heeft wel een goede manier om je rustig te krijgen, dat je meer van je zelf wil laten zien. Hij maakt er iets religieus van. Alsof het allemaal heilig is.”

Breukel maakte in een halve eeuw talloze portretten, van onbekende en bekende mensen, zoals in 2013 de eerste staatsiefoto van koning Willem-Alexander. De foto’s die hij maakte van zijn zoon Casper, tussen diens nulde en achttiende, zijn verzameld in het zojuist verschenen fotoboek ‘Zoon’. Fascinerend zijn de door de jaren heen veranderlijke blikken van de jongen die als baby nieuwsgierig in de camera tuurt, als kind open en blij in de lens lacht, om als puber stuurs en gesloten te poseren.

Breukel geldt als eerlijke fotograaf, maar zelf heeft hij weinig op met zulke typeringen. ‘De camera die van iemand houdt? Wat een onzin. Het beslissende moment? Bewijs maar eens dat dat moment beslissend was.’

Lees ook:

De fototijdmachine van fotografen Breukel en Van Meene

Fotograaf Hellen van Meene maakte naar aanleiding van de dood van haar moeder een opmerkelijke serie met doodskisten, Koos Breukel volgde zijn zoon achttien jaar met de camera. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden