Review

Ik ben de negatie van rustige nachten

Verleden jaar ontving de Hongaarse schrijver Imre Kertész de Nobelprijs voor literatuur. Ter gelegenheid daarvan verscheen onlangs niet alleen 'Dagboek van een galeislaaf', maar ook een herdruk van zijn al eerder in het Nederlands vertaalde werk. Een geschikt moment om de balans op te maken.

'De mens! Hij leeft, maar hij beschikt niet over zijn leven'', verzucht Imre Kertész in zijn zopas in het Nederlands verschenen 'Dagboek van een galeislaaf'. Het is raadselachtig over welke mens hij spreekt. Zichzelf kan hij er in elk geval onmogelijk mee bedoelen, want hij is een man die bij uitstek meester is gebleven over zijn bestaan.

Dat is des te opmerkelijker, omdat alle omstandigheden in zijn nadeel waren. Zo had hij het ongeluk om in 1929 als jood te worden geboren in de Hongaarse hoofdstad Boedapest, waarvandaan hij als vijftienjarige jongen op transport werd gesteld naar Hitlers concentratiekampen. De tocht voerde hem aanvankelijk naar Auschwitz, vervolgens naar Buchenwald.

Daar kreeg hij aanschouwelijk onderwijs in de machteloosheid van de mens. Maar hoewel hij besefte dat hij op ieder willekeurig moment kon worden vermoord, gaf hij zich niet gewonnen. Want, zoals hij later schrijven zou, ,,er is geen grotere morele en geestelijke nederlaag dan de dood te ontvangen uit handen van lieden die wij mateloos verachten''.

Hij stelde alles in het werk om te overleven en keerde inderdaad in de zomer van 1945 naar Boedapest terug. Hij werd journalist voor het dagblad Vil goss g, maar hij had het met de vrijheid slecht getroffen. In 1949 werd Hongarije een communistische volksrepubliek, waar volgelingen van Stalin de dienst uitmaakten. Toen Vil goss g zich conformeerde aan de partijlijn, kreeg Kertész ontslag.

Opnieuw verviel hij niet in fatalisme. In plaats daarvan koos hij voor een bestaan 'als wachter en getuige'. Hij verdiende zijn brood met vertaalwerk en doorstond op die manier, als een balling in eigen land, de zuiveringen die aan veel Hongaren het leven hebben gekost. Intussen stelde hij zijn gedachten op schrift. In een achterkamertje, met potlood, gaf hij vorm aan het meest weerbarstige proza dat ooit over Auschwitz is geschreven. Zo lezen wij in 'Dagboek van een galeislaaf': ,,In plaats van mezelf een jood te noemen, zeg ik liever dat ik een negatie ben, de negatie van elke menselijke hoogmoed, de negatie van zekerheid, van rustige nachten, van vreedzaam leven, van conformisme, van vrije keuzemogelijkheid, van nationale roem. Ik ben de zwarte bladzijde in het boek der triomfen, die niet kan worden beschreven.''

Volgens de tekst op de achterflap gaat het om een 'dagboekroman'. Dat lijkt me te veel gezegd voor deze aantekeningen, zo verspreid dat nog geen driehonderd pagina's een periode van dertig jaar (1961-1991) bestrijken. Van een dagboek is geen sprake, net zomin als van een roman. Het is veel meer een verzameling voetnoten bij de romans van Kertész: verwijzingen ernaar, bespiegelingen erover, opmerkingen in de kantlijn ervan.

Het precieze genre doet er trouwens weinig toe. Het werk van Kertész hangt ten nauwste samen. Het bestaat in feite uit één lang verhaal, dat welhaast toevallig verdeeld is geraakt over afzonderlijke boeken. ,,Waar ik ook over spreek, eigenlijk heb ik het over Auschwitz. Ik ben het medium van de geest van Auschwitz, Auschwitz spreekt via mij. Alles wat niet over

Auschwitz gaat, komt mij onnozel voor.''

Imre Kertész wordt dikwijls in één adem genoemd met Primo Levi en Jean Améry. Dat is een oppervlakkige waarneming. In de diepte lijkt zijn werk het meest op dat van Franz Kafka. Voor zijn roman 'Het fiasco', waarvan de stijl werd ontleend aan 'Het proces' en 'Het slot', is hij Kafka veel verschuldigd.

Hoewel Levi en Améry eveneens gevangen zijn geweest in Auschwitz, bestaan er tussen hun proza en dat van Kertész meer verschillen dan overeenkomsten. Het opvallendste onderscheid is wel, dat Kertész zijn gevangenschap in Auschwitz beschouwt als een voorrecht. ,,Mijn extreemste geluksmomenten heb ik beleefd in het concentratiekamp'', vertelde hij vorig jaar aan een journalist van Newsweek. ,,U heeft geen idee hoe het is om in de ziekenboeg van het kamp te mogen liggen, of om pauze te krijgen en voor de duur van tien minuten geen slavenwerk te hoeven doen. Ook de nabijheid van de dood maakt in zekere zin gelukkig. Want overleven op zich is dan de grootst mogelijke vrijheid.''

Zulke woorden zijn bij mijn weten in het na-oorlogse Europa nooit uit de mond van andere overlevenden opgetekend. Ze worden Kertész niet in dank afgenomen door lotgenoten die Auschwitz al jarenlang afschilderen als 'de hel'. Geluk in

Auschwitz? Het is een ongerijmdheid, een taboe. Kertész verstoort de goede orde.

Hij weigert zich te schikken in de algemeen gangbare opvatting van Auschwitz. Zo beweert hij dat Auschwitz onmogelijk de hel kan zijn geweest, aangezien men zich in de hel niet kan vervelen, terwijl in het kamp verveling wél bestond. Ook dit element uit zijn werk treffen we bij Levi en Améry niet aan: een beschrijving van de verregaande verveling van de Hüftling. In zijn eerste roman, 'Onbepaald door het lot', laat hij de hoofdpersoon zeggen: ,,We wachtten en wachtten, maar waarop was niet duidelijk. Eigenlijk wachtten we alleen maar opdat er niets zou gebeuren. Die verveling en dat eigenaardige afwachten: ik geloof dat d t de belangrijkste herinnering is die ik aan Auschwitz bewaar.''

Bij Kertész lezen we ,,dat gevangenschap een sleur kan worden, ja dat echte gevangenschap eigenlijk alleen maar sleur is''. Die sleur, zo benadrukt hij, was een zegen voor de Hüftling, omdat hij erdoor in de gelegenheid werd gesteld langzaam te wennen aan de verbijsterende omstandigheden waarin hij zich bevond. ,,Als dit niet zo was geweest, als je niet geleidelijk met de werkelijkheid was geconfronteerd, maar door al die kennis onmiddellijk bij aankomst was overspoeld, hadden je hersenen en hart dat waarschijnlijk niet kunnen verdragen.''

Een ander opzicht waarin Kertész van Levi en Améry verschilt, is dat zijn gedachten over Auschwitz een verrassende vitaliteit vertonen. Terwijl Levi en Améry zelfmoord hebben gepleegd, heeft Kertész besloten de gifbeker van de overlevende tot de laatste druppel leeg te drinken. Hij heeft als het ware de vernietigende terreur uit het verleden getransformeerd in levenskracht.

Gewapend met dit animo gaat hij in zijn boeken, van 'Onbepaald door het lot' (1975) tot 'Het fiasco' (1988) en van 'Kaddisj voor een niet geboren kind' (1990) tot 'Ik, de ander' (1997), de tirannie te lijf: niet alleen tirannie in de geest van Hitler en Stalin, maar ook de tirannieke gemakzucht waarmee wij de moordkuilen van de twintigste eeuw afdoen als 'onverklaarbaar'.

Auschwitz onverklaarbaar? Welnee, zegt Kertész eigenzinnig. ,,Het zou juist onverklaarbaar zijn geweest als Auschwitz niet had bestaan. Auschwitz hing immers al heel lang in de lucht, misschien al eeuwen, als een donkere, door de stralen van talloze wandaden gerijpte vrucht die wachtte op het moment dat hij op het hoofd van de mensen kon neerploffen.''

Was dat nootlot afwendbaar? Jazeker, aldus Kertész. Het is gewoonte om over de holocaust te spreken alsof die als een wervelstorm over Europa raasde. Daarbij gebruikt men veelvuldig het woord 'komen': eerst 'kwamen' de verbodsbepalingen voor joden, toen 'kwamen' de razzia's, daarna 'kwamen' de deportaties. De joodse hoofdpersoon van de roman 'Onbepaald door het lot' zegt hierover: ,,De dingen zijn niet alleen maar gekomen, wij zijn zelf ook gegaan. Alleen achteraf, als we terugblikken, lijkt alles zo afgesloten en voltooid, zo onveranderlijk en definitief, zo vanzelf gekomen.''

De hoofdpersoon in kwestie, een alter ego van de schrijver, weigert zichzelf te zien als een willoos slachtoffer van de totale onderdrukking. Zelfs in het concentratiekamp, zo zegt hij, heeft hij stappen ondernomen om richting te geven aan zijn leven. En tijdens elke stap ,,had er iets onverwachts kunnen gebeuren, had de geschiedenis een heel andere wending kunnen nemen''. Het brengt hem tot de slotsom dat we, zolang we nog tot zulke stappen in staat zijn, niet bestuurd worden door het lot. ,,Dan zijn wij vrij van het lot, dan ís er helemaal geen lot, dan zijn wij zélf het lot!'' Anders gezegd: hoewel de mens geen zeggenschap heeft over zijn leven, draagt hij er wel verantwoordelijkheid voor.

Al het proza van Kertész bezit deze onverschrokkenheid. Zijn boeken storten ons van de ene verbazing in de andere. Tijdens het lezen ervan gaan we voor het eerst iets begrijpen van de gevolgen van Auschwitz voor de toekomst van de mensheid. Die toekomst belooft weinig goeds. Kertész herinnert ons er fijntjes aan, dat de moordmachine van Hitler alleen maar buiten gebruik werd gesteld, omdat de oorlogskansen waren gekeerd en niet omdat de monsterlijkheid van het vernietigingskamp de wereld met afschuw vervulde. ,,Sinds Auschwitz'', stelt Kertész vast, ,,is er niets gebeurd dat we als de weerlegging van Auschwitz zouden kunnen beschouwen.''

Overigens voelt de Hongaarse Nobelprijswinnaar zich zeer betrokken bij het actuele politieke debat. Op 3 oktober 2003, tijdens de viering van de Duitse Eenheid, hield hij een redevoering in Maagdenburg, waarin hij zijn bezorgdheid uitsprak over de nieuwe verdeeldheid van Europa. In niet mis te verstane bewoordingen verwierp hij het pacifisme van Duitsland en Frankrijk. ,,Hoe is het mogelijk dat de Iraakse dictator, die late leerling van Hitler en Stalin, in West-Europa op welhaast méér steun kon rekenen dan de president van de Verenigde Staten, die grondwettelijk verkozen en om de vier jaar vervangbaar is? Hoe komt het dat men geen onderscheid meer weet te maken tussen vriend en vijand?''

Niet voor niets, aldus Kertész, hebben Polen en Tsjechië in het conflict de kant van de Verenigde Staten gekozen. Deze landen, die eerst in de armen van Hitler en vervolgens in die van Stalin zijn gedreven, bewaren nog steeds heugenis aan de ellendige gevolgen van de conferentie van München, terwijl in het westen van Europa vergeetachtigheid heeft toegeslagen. ,,Het lijdt geen twijfel dat de oorlog tegen het terrorisme voor Europa net zo levensbelangrijk is als voor Amerika. In onze post-moderne wereld lopen de grenzen niet zozeer tussen volkeren, maar tussen levensbeschouwingen: tussen verstand en fanatisme, verdraagzaamheid en hysterie, productiviteit en verwoestende machtshonger, of - eenvoudiger gesteld - tussen goed en kwaad. Maar onze opvattingen hierover lijken onverenigbaar en zullen omstreden blijven, zolang er geen gemeenschappelijk vormgegeven en gemeenschappelijk gedragen cultuur ontstaat.''

Alsof er in de voorbije tien jaar helemaal niets veranderd is, herleven nationalistische en andere gevaarlijke tendensen. Het Europa van vandaag, aldus Kertész, dreigt niet alleen tot zijn oude structuur terug te keren, maar ook in zijn eerdere vergissingen te vervallen. Het wordt gekweld door dezelfde vragen als het Europa van 1919 en van 1938 - de rampzalige periode tussen de twee wereldoorlogen - en, veel beklemmender nog, het worstelt er even onhandig mee als destijds.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden