Review

Ik begeer een Koningschap in betere gewesten

Iedereen kent Maarten Luther maar niemand kent zijn werk. En wie is op de hoogte van de filosofie van de wiskundige L.E.J. Brouwer? Acht auteurs hebben deze zomer fragmenten geselecteerd uit onbekend filosofisch en literair werk. Lekker aan het strand met Peter Weiss, het Gilgamesj-epos, de Bhagavadgita, Maarten Luther, E.M. Cioran, Salvatore Satta, Lao Zi en L.E.J. Brouwer.

door Luitzen Egbertus Jan Brouwer

Nederland ontstond en werd in stand gehouden door het afslibsel der rivieren; er vormde zich een evenwicht van duinen, deltagetijden en afwatering, een evenwicht waarin mee waren opgenomen tijdelijke overstromingen van gedeelten der delta. En in dat land kon leven en voortleven een krachtig mensengeslacht. Intussen, men was niet tevreden, bouwde men dijken langs de rivieren om de overstromingen te regelen of te beletten, verlegde de beddingen naar willekeur ter verbetering van afwatering of scheepvaartverbinding, en hakte intussen de bossen om. Wat wonder dat hiermee het subtiele evenwicht van Nederland werd ondermijnd, de Zuiderzee werd uitgevreten, en de duinen langzaam doch onverbiddelijk werden weggeslagen? En dat tegenwoordig steeds zwaarder werk nodig is om het land te behoeden voor gehele ondergang? En doet het niet eigenaardig aan te aanschouwen hoe in die zelf op de hals gehaalde arbeid niet slechts wordt berust, maar er zelfs een verheven cachet op wordt gedrukt van een in naam van God of Onverbiddelijkheid opgelegde taak? Er zit wel degelijk in de lucht de volgende waarheid: 'Wanneer uw verstand u een daad voorhoudt die uw toestand schijnt te kunnen verbeteren, terwijl uw geweten de daad niet sanctioneert, laat haar na; want het verstand ziet nooit de wereld in haar geheel, en de middelen die het dicteert in de richting van het begrensde in 't oog gevatte doel, zullen langs ondoorgrondelijke wegen aan het geheel slechts schade doen.'

Het leven van het individu is illusie, doelnajaging met zware arbeid en ontgoocheling; tegen zijn dood, die hij onvoorbereid in volle vreemdheid afwacht, schrikt hem op het inzicht zijn leven te hebben verloren, als niet zijn verstand hem geruststellend omnevelt met de gedachte, dat zonder illusies het leven toch eigenlijk helemaal niets zou geweest zijn, of dat hij in elk geval als batig saldo een goede dosis ondervinding mee in 't graf zal nemen. Ja, die arrogante ouden van dagen, ze maken zich wijs dat ondervinding, dat schade en schande, dat een lang leven van zonde, gestempeld op hun verstijfde en van alle naïveteit ontdane gelaatstrekken en stralend uit hun levenloze ogen, dat d t alleen tot wijsheid voert, en wraken de jongeren, als het er op aankomt, te zeggen wat de mens het naaste is.

Het leven van de mensheid als geheel is een arrogant uitvreten van haar nesten over de gave aarde, een knoeien aan haar moederend gewas, knagend, schendend, een steriel maken van haar rijke scheppingskracht totdat ze alle leven heeft vervreten, en om de dorre aarde dort de mensenkanker weg. De dwaasheid in hun hoofd, die d t begeleidt, en hen zelf gek maakt, noemen ze: 'De wereld begrijpen'.

Een afgewezen fragment van Brouwers proefschrift (1907).

Alle leven, na ontstaan te zijn als vereenzijdiging van de natuur, rekt zijn bestaan in een 'veruiterlijking', een doordringing van de natuur met zichzelf, in terugdringing van andere vereenzijdigingen. Dat het zich veruiterlijkt, en niet te sterven legt, wordt als gemis van wijsheid, als gemis van verband met het Al, door religie gevoeld. Overigens snijdt het zich veruiterlijken, het willen vernietigen of willen heersen, meteen af van alle voeding van het hart uit de natuur. Wie heerst, is reeds gevloekt, en het zijn gevloekte eigenschappen die helpen tot heersen.

De zelfinkeer - uit: Leven, kunst en mystiek (1905).

Na u zo de droeve wereld te hebben laten voorhouden, schouw in uzelf. Gij hebt bewustzijn; een bewustzijn, waarvan de inhoud voortdurend wisselt; zijt ge over die wisselingen baas of niet? Ge zult zeggen van niet. Want ge vindt u geplaatst in een wereld die ge niet zelf geschapen hebt, en daarin ondervindt ge wederwaardigheden, waarvan ge vooraf niet wist. Maar wordt niet een deel van uw bewustzijnsinhoud uitgemaakt door uw stemming, en kunt ge daarop niet zéker invloed uitoefenen? Kent ge niet de uitdrukking 'zijn hartstochten beheersen' anders dan als ijdele klanken? Ook kent ge bij uzelf, nu en dan, het religieuze gevoel, waarbij het is alsof ge uit uw hartstochten, uit vrees en begeerte, uit tijd en ruimte, uit de gehele aanschouwingswereld retireert. En eindelijk kent ge als een betekenisvolle uitdrukking: 'Tot zichzelf inkeren'. Er schijnt dus aan u zo iets te zijn als een attentie, die zich om uzelf heen beweegt en die ge bij die beweging enigszins in uw macht hebt. Dat inkeren tot uzelf geeft een gevoel van moeite te kosten; het schijnt alsof ge daarbij traagheid had te overwinnen, dat uw attentie grote neiging toont om te blijven hangen waar ze is, en dat de weerstand bij beweging naar het zelf toe, aanmerkeijk groter is dan bij beweging er vanaf. Wordt het u niettemin gegeven alle traagheid te overwinnen en voort te gaan, dan gaan de hartstochten zwijgen. Ge voelt u afsterven van de oude aanschouwingswereld, van tijd en ruimte en alle andere veelheid, en de niet langer gebonden ogen van een blijde stilte gaan open.

Ge begrijpt dan al uw vroegere bewustzijnsinhouden, en begrijpt tevens dat ze vroeger voor u onbegijpelijk moesten zijn; begrijpen in de zin van ermee verzoend zijn, ze als vanzelfsprekend vinden; het is of ge tegelijkertijd ze alle doorleeft, en toch niet doorleeft; niet doorleeft in deze zin, dat ge u er totaal niet door gebonden voelt. Daarbij, tegelijk, hebt ge nog een oneindige rijkdom van andere fantasieën, een dooreenmengeling van allerlei werelden, die thans even veel maar ook even weinig recht op erkenning hebben als uw vroeger als reëel bekende. En in die ineenvloeiende kleurenzee, zonder scheiding, zonder vastheid en toch zonder beweging, die chaos zonder wanorde, weet ge een Richting die ge vanzelf volgt, en ook even goed niet zou kunnen volgen. Ge erkent uw 'Vrije Wil', in zoverre hij vrij was, zich te onttrekken aan de wereld, waarin causaliteit was, en dan vrij blijft, en toch eerst d n een recht bepaalde Richting heeft; die hij in vrijheid, omkeerbaar volgt.

Over de taal - uit: Leven, kunst en mystiek (1905).

Het intellect gaat direct vergezeld van de taal. Met het leven in het intellect komt de onmogelijkheid om zich op directe wijze, door gebaar en blik van ogen instinctief of, nog materielozer, door alle afstandsscheiding heen, met elkaar in betrekking te stellen, en gaat men zich en het nakroost dresseren op een tekenverstandhouding door grove klanken, moeitevol en vrij machteloos, want nooit nog heeft door de taal iemand zijn ziel aan een ander meegedeeld; alleen een verstandhouding die toch reeds is, kan door de taal worden begeleid. Alleen in zéér eng afgegrensde fantasieën, zoals in zuiver intellectuele wetenschappen, zonder verband met de aanschouwingswereld, die dus het minst aan 't eigenlijk mens-zijn raken, daar is het elkander verstaan vrij lang en goed vol te houden.

Uit: Brieven van Brouwer aan C.S. Adama van Scheltema.

Ik bracht de kerstvakantie door op de Gooise hei, en zat in wind en vorst tussen de dennen, en stortte tranen over de vergankelijkheid, als even voor mij voorbijvloog de herinnering aan de extase die zoiets mij vijf jaar geleden gaf. Dat dode leven is kristallen tranen waard, en bloemen op zijn graf. Of nog bij iemand anders die herinnering leeft, als in mijn dorre mannenziel? Dan ben jij het. Houdt ook eens een mis voor de dode. Wat een gemis aan teerheid, aan kinderlijkheid, aan overgave in de woorden die ik schrijf, ik weet het, ik zou mij schamen als ik mijzelf van voor vijf jaar tegenkwam; maar zo min als men de groei van zijn baard kan stoppen, kan men het die van het filisterweefsel door zijn ziel. Laat ik dan groot als filister zijn! En gevoelloos mijn gang gaan door de dode stenen alleen naar het schone Einde. En mijn spoor op melancholische aarde achterlaten. Dat wil zeggen: bij mij wordt geboren de Eerzucht, misschien! Maar in elk geval een, die zich weet te beteugelen, en rustig bouwstoffen te verzamelen tot zijn tijd gekomen is! Nog enige jaren zal ik obscuur moeten zijn, dan zal mijn greep gevoeld worden. Juist omdat ik de nietigheid van al het aardse voel, zal geen zijbestreving of vrees mijn gang storen.

(18 januari 1904)

Nog ben ik niet weg, de lange duur der vibraties van onrust, die mijn vertrek altijd voorafgaan, wijzen er misschien op, dat mijn afwezigheid lang en ver zal zijn. Ze is overigens zeer nodig voor me, niet zozeer voor mijn lichamelijke gezondheid, die niet veel te wensen overlaat, als voor het terugvinden van de zuivere verhouding, waarin ik mij tegenover de verschillende mensen en instellingen binnen mijn nauwe maatschappelijken horizon heb te stellen, om daardoor niet te worden afgeleid van het kweken van mijn vermogen en het ontwikkelen van mijn clairvoyance tot de dienst van God. Het vinden van de zuiverheden der menselijke verhoudingen is een vrij omvangrijk werk; er is tegenwoordig meer wisselwerking tussen de onbewuste levens van mij en mijn omgeving dan vroeger. Maar ook al wordt het evenwicht niet bereikt, de arbeid in die richting is de blijde taak van ons leven.

Ik dank je voor je welgemeende vermaning aan mij in de poort van het paradijs der vrijheid. Zocht ik een koningschap op aarde, dan was het misschien goed mij in de wiskunde te ommuren, en mij te laten kronen als een paus in 't Vaticaan, gevangen op zijn troon. Maar ik begeer een Koningschap in betere gewesten waarbij niet het doel, maar de drijfveer in het hart primair is.

Wij zijn op aarde niet voor ons plezier, maar met een zending waarvan wij rekenschap hebben af te leggen. En een klein koninkrijk bij de Gratie Gods is beter dan een groot door de wil des volks.

(4 juli 1904)

Ofschoon ik tegenwoordig tamelijk vruchtbaar ben, en langzamerhand enige internationale naam en nijd heb verworven, moet je van mijn werk geen al te serieuze indruk krijgen. Want ik heb nog altijd de intieme zekerheid dat wiskundig talent gelijkwaardig is met abnormale ontwikkeling van de groteteennagel.

Wel speel ik op congressen voor de pausen der wetenschap de rol van enthousiaste vaandrig, maar als ik in gedachterijke gesprekken 'mit flammender Begeisterung' de verschieten schilder die mijn werk bezielen, laaft intussen mijn schijnbaar zo geabsorbeerde blik zich aan de monomanie hunner gelaatsuitdrukkingen, en ziet in sommigen troosteloos gevangen helden, in anderen gifmengende kobolden, en in de laatsten de ongekende beulen der eersten. En terwijl ik fysiek doortrokken ben van het gevoel in de hel te zijn, stralen mijn ogen in sadistische wellust van sympathie.

Mijn productiviteit zal dan ook nooit een grootse schepping brengen, want ze wordt uitsluitend bevrucht door spotzieke ontleding van het bestaande.

Geen der vakgenoten zal die echter ooit doorgronden, hoewel het enkelen op de duur bij mij onaangenaam te moede wordt, die gaan dan rond, en spreken kwaad.

(7 november 1911)

Uit: Bewustzijn, wijsbegeerte en wiskunde (1948).

Ook voor vrijheidsbelemmering, zowel van zichzelf als van anderen, zal men geen verantwoordelijkheid kunnen dragen. Dus (tenzij uit handhavingsnood) zal men moeilijk toetreden tot coterieën en verenigingen. Ze belemmeren in de regel hetzij bewegingsvrijheid, hetzij spontaniteit in levensgedrag. Van macht over medemensen zal men niet willen weten. Ten eerste raakt men daardoor betrokken bij hun vrijheidsbeperking. Maar ten tweede behoren die medemensen tot het spiegelbeeld, de mind vanuit zijn diepste tehuis voorgehouden, moeten daarom worden gerespecteerd zonder te worden gekend, mogen dus niet geoordeeld, laat staan veroordeeld of verworpen worden, zelfs al zijn ze vijanden die worden bestreden.

De categorische imperatief van de bovengenoemde levenshouding vindt zijn tegenhanger in de volgende noodlottigheidsvisie op de zich aftekenende verdere levensloop der mensheid: dat zij, bezeten door de causaliteitswaan, bezig is te verglijden in een verwordingsproces van industrialisering, overbevolking, tirannie en natuurverwoesting, en dat zij, als daardoor eerst haar geestelijke en vervolgens haar fysiologische levensvoorwaarden zijn vernietigd, zal uitsterven. Als een bacteriënkolonie in de aardkorst, die haar werk heeft gedaan.

Logica is geen betrouwbaar instrument tot opsporing van waarheden en kan geen waarheden afleiden die niet ook op andere wijze toegankelijk zijn. Het standpunt dat er geen niet-ervaren waarheden zijn en dat logica geen betrouwbaar instrument tot opsporing van waarheden is, heeft met betrekking tot het praktische leven en de wetenschap sinds eeuwen, doch met betrekking tot de wiskunde eerst in deze eeuw aanhangers gevonden. Als wiskundig theorema kan van dit standpunt uitsluitend erkend worden een introspectief als ontvouwing der wiskundige oerintuïtie voltrokken constructie. De uit deze grondgedachte ontwikkelde intuïtionistische wiskunde moet dus wel sterk afwijken van de klassieke wiskunde, die logica gebruikt om theorema's voort te brengen, en niet elleen het bestaan van onbekende waarheden onderstelt, maar ook het beginsel van de uitgesloten derde

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden