Review

IJs in de bordeaux? Dat dóe je toch niet!

Wat héb je eigenlijk aan ’goede boeken’? Veel, volgens de Brit Roger Scruton. Lezen is geen snobistisch tijdverdrijf, maar brengt je juist goed burgerschap bij. Hoewel: in Alan Bennetts nieuwe roman raakt koningin Elizabeth zo verslingerd aan romans dat ze haar plicht danig verzaakt.

Ger Leppers

Elk jaar breng ik een weekje door in hetzelfde Franse hotel. Enkele jaren geleden kwam de in het vak vergrijsde ober ontsteld naar mijn tafel. Het groepje aardige Amerikanen met wie ik de avond tevoren in de bar nog wat had gedronken, had zojuist bij de maaltijd een fles kostelijke bordeaux uit een mooi jaar besteld - om vervolgens ijsklontjes te vragen voor in de wijn.

Bij het lezen van ’Waarom cultuur belangrijk is’, het nieuwe boek van de Engelse denker Roger Scruton, kwam die gebeurtenis weer eens terug in mijn herinnering. Het is een dun boekje van iets meer dan honderd bladzijden. De filosoof Scruton is geboren in 1944, en is momenteel hoogleraar ’Psychological Sciences’ aan de Universiteit van Arlington, Virginia. Bovendien is hij de schrijver van ruim dertig boeken over filosofie, politiek, cultuur, en ook van romans. Hij geldt als een traditioneel conservatief, die zich afzet tegen het thatcherisme, dat vooral aandacht had voor het vuig gewin, en hecht belang aan bindende elementen in de maatschappij als cultuur, het gezin en het historisch gegroeide.

In deze studie stapt Scruton met reuzenschreden door de geschiedenis van onze westerse cultuur, in een sympathieke en bevlogen poging om aan te tonen dat wij er goed aan doen ons grondig en liefdevol te verdiepen in het door de eerdere generaties aan ons overgeleverde culturele erfgoed. Hij keert zich vooral tegen degenen die lijken te vinden dat onderwijs weliswaar nuttig is, maar vooral niet in eruditie moet ontaarden, en doet dat op een aangenaam provocerende toon, met een keur aan argumenten.

Cultuur, betoogt hij, is niet een snobistisch tijdverdrijf, een manier om kennis te vergaren waarmee je de eigen sociale positie kunt zekerstellen en onderstrepen, anderen kunt imponeren en je boven hen kunt verheffen.

Culturele ontwikkeling heeft, integendeel, juist met nederigheid te maken. Zij is gebaseerd op de erkenning van de kwaliteit van het superieure, en daarmee is cultuur – mits met nederige leergierigheid benaderd – een mogelijkheid om je, geduldig en vasthoudend, dingen eigen te maken die groter zijn dan jezelf, en die je daarom verrijken. Het doorgeven van dit grote goed aan nieuwe generaties, die zich op die manier bewust kunnen worden van hun plaats in de lange keten van de geschiedenis van het denken, is een belangrijker opgave dan winstmaximalisatie en snelle behoeftebevrediging. Maar het belang van cultuurverwerving laat zich moeilijk in geld uitdrukken, en dat maakt het, in een tijd van dogmatische neoliberale mondialisering, tot een lastig te verdedigen erfgoed.

Om - bijvoorbeeld - de kwaliteiten van goede bordeaux te kunnen waarderen moet je de tijd en het geduld hebben voor een lange leerweg, die uiteindelijk veel plezier oplevert, omdat je leert waarom zo’n wijn zoveel meer smaakgenot te bieden heeft dan het slobberwijntje van de buurtsuper.

Wil je een goedgeschreven, doordacht betoog kunnen waarderen als superieur aan, pak hem beet, de onbekommerd neergeschreven jeugdherinneringen van Pim Fortuyn, dan moet je, bijvoorbeeld, het afgewogen proza van Tacitus hebben vertaald, of, als Nederlandstalige, Elsschot of, wat dichter bij ons, A.L. Snijders hebben gelezen en - vooral - herlezen.

Cultuur, en met name onze westerse cultuur, zo betoogt Scruton overtuigend, wapent je voor het leven, ook op emotioneel vlak, onder meer door je gedragingen, denkwijzen en morele opvattingen aan te bieden die je als model kunt nemen, of die je juist kunt afwijzen, maar die in elk geval het voordeel en het belang hebben dat ze je worden voorgesteld door de grootste denkers uit enkele tientallen eeuwen, en dat ze je oordeelsvermogen ontwikkelen.

Juist wie nieuwsgierig – en dus fundamenteel nederig –- is, en zich niet uitsluitend op het heden en op zijn onmiddellijke omgeving richt, bereidt zich het beste voor op de toekomst.

De pijlen van zijn toorn richt Scruton daarbij op enigszins willekeurig bij elkaar gegrepen zaken als bonkende popmuziek die, zo betoogt hij, een muzikale structuur mist die de langere termijn omvat, maar ook op genderstudies (die immers geen studies zijn, want de uitkomst van het onderzoek staat al bij voorbaat vast), op de architectuur van Le Corbusier, waarin voor de menselijke maat weinig plaats is, en niet te vergeten op de huidige, bekrompen islamitische wereld, die – anders dan de islam uit de tijd van denkers als Averroes – weinig anders aan de wereld weet toe te voegen dan op levensangst gebaseerd geweld, vindt Scruton. Fijntjes wijst hij erop dat de teksten van belangrijkste denkers uit het verleden van de islam alleen aan Westerse universiteiten in ongecensureerde vorm kunnen worden uitgegeven en bestudeerd.

In het korte bestek van zijn essay haalt Scruton dus heel veel overhoop, en de argumenten en voorbeelden die hij gebruikt zijn, zoals u zag, nog wel eens voorspelbaar, maar omdat hij meeslepend schrijft, is dat uiteindelijk toch geen bezwaar. Hij bouwt zijn betoog strak en overzichtelijk op, formuleert steeds messcherp en dat op een heerlijk plagerige toon (plagen is een nogal onderschatte vorm van communicatie, denk ik wel eens) die de lezer zeker één keer per bladzijde dwingt te grinniken, na te denken, bij zich zelf te rade te gaan en een beroep te doen op de eigen kennis.

Dat er, in een beknopt boek dat zoveel terreinen bestrijkt, wel eens een onjuistheid of een slordigheid binnensluipt, ach, je moet al een kniesoor of een reddeloze droogstoppel zijn om daar aanstoot aan te nemen. Bovendien ontpopt Scruton zich als een echte good sport, en zou hij vermoedelijk de laatste zijn om over zoiets moeilijk te doen.

Want een van de aardigste ideeën van dit ideeënrijke boek, een van de uitgangspunten ook, is het belang van humor voor cultuur. Humor creëert solidariteit tussen mensen die om dezelfde dingen moeten lachen, is daarmee een milde vorm van hiërarchisering van waarden, en schept aldus, met zachte hand, verbondenheid en overzichtelijkheid in onze maatschappij.

Prettig is dat Scruton niet alleen bekritiseert, al kan hij dat erg goed, maar dat hij ook waardering uitspreekt voor kunstenaars – componisten, architecten, denkers – die een weg hebben gevonden uit wat naar de mening van Scruton een culturele impasse is: de atonaliteit, architectuur die vooral voor de maquettetafels geschapen lijkt en de postmoderne filosofie.

Een van degenen wier werk Scruton met waardering noemt, is de Engelse schrijver en acteur Alan Bennett. Het toeval wil dat er dezer dagen in het Nederlands een heerlijk lichtvoetige korte roman van zijn hand is verschenen, waarin hij elegant, speels en fantasievol niet alleen de genoegens, maar ook het belang van het lezen belicht: ’De ongewone lezer’.

Iedereen kent de hoofdpersoon van het boek: het is de Engelse koningin Elisabeth. Jarenlang leefde de Queen, zoals wij weten, in een keurslijf van plichten en etiquette, totdat – dit is minder bekend - zij op een wandeling met haar hondjes door het park bij toeval verzeild raakt in de bibliobus van de City of Westminster, die wekelijks een paar uur in de buurt van het paleis stopt.

Min of meer om zich een houding te geven, leent Hare Majesteit een roman, en zij is perfectioniste genoeg om het boek dan ook maar te lezen. Als Elisabeth de roman terugbrengt, leent ze een tweede boek, en langzamerhand raakt ze steeds meer verslingerd aan de literatuur. Bij de dood van prinses Diana vindt zij in de teksten van Shakespeare troost en inzicht in haar eigen situatie.

Die leesverslaving blijkt in het verstarde hofleven, dat zo ver van het gewone bestaan afstaat, echter niet alleen persoonlijk verrijkend, maar ook subversief, een ondermijning van de traditionele gang van zaken aan het hof. Tijdens ritjes in haar koets houdt Elisabeth in haar ene hand een roman vast, nét onder het raampje, zodat ze stiekem kan lezen, terwijl ze met de andere hand, ongeïnteresseerder dan voorheen, naar haar onderdanen zwaait. Aan de mensen die Elisabeth op haar werkbezoeken ontmoet, vraagt ze welk boek zij op dat moment aan het lezen zijn. Dat blijkt doorgaans – zelfs voor de Franse president tijdens een staatsbanket – een moeilijk te beantwoorden, en daarom pijnlijke vraag. Want dat is het probleem dat Bennett op elegante wijze aan de orde stelt, en waaraan Scruton enigszins voorbijgaat: lezen verrijkt de individuele lezer, maar tegelijkertijd kan het hem isoleren.

Een koningin heeft overal haar mensen voor, maar lezen, dat moet ze zelf doen. Hoezeer lezen daarom een democratische activiteit is, blijkt in de laatste twee alinea's van Bennetts roman, die een overrompelende ontknoping vormen die mij in schateren deed uitbarsten - leest u het, als u het boek om onbegrijpelijke redenen niet zou willen kopen, bij uw boekhandelaar maar na.

Het gaat er in het geval van cultuur uiteindelijk om, betoogt Scruton - en op een indirectere manier ook Bennett – dat je je vertrouwd maakt met de meest geschikte maatvoering in het leven, dat je de kunst leert van het relativeren, van terughoudendheid en bedachtzaamheid. Je kunt als beschaafd mens altijd water bij de wijn doen, maar ijs, dat gaat toch echt te ver.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden