Essay

Ierland: waar muziek er met de paplepel in gaat

Beeld Nanne Meulendijks

Voor journalist en violist Jessica de Korte is Ierland haar tweede thuisland. Ze werd er verliefd op een singer-songwriter met wie ze nu in Nederland woont. En nee, ze spelen geen covers van The Dubliners.

Tijdens de wake voor mijn schoonvader duwt iemand een vioolkoffer in mijn handen. Heel snel, alsof het om een drugstransactie gaat. Of ik morgen een nummer bij de uitvaart wil spelen – al is het eigenlijk geen vraag, meer een aanname. Aan de koffer hangt een label met de naam Oisín. Zelf zou ik nooit zomaar mijn viool aan een onbekende uitlenen, maar hier in Ierland weet ik niet anders of er is een instrument voorhanden.

Een dag later breekt me het zweet uit als ik hoor dat ik speel met drie aangetrouw­de nichten, die ik niet eerder heb ontmoet. Een van hen is concertmeester bij een serieus or­kest, het RTÉ Concert Orchestra, een ander is operazangeres. Zij behoren tot de top, ik niet.

Maar zoals zo vaak in Ierland valt de muur tussen ons weg zodra we beginnen met spelen. Nauwlettend houden we de priester in de gaten en geven we elkaar een knikje als we moeten beginnen – of stoppen. Als een stel pubers giechelen we als iemand van ons een fout maakt. In een mum van tijd heb ik het gevoel dat ik er écht familie bij heb gekregen.

Heimwee naar een onbekende plek

Ik speel de slow air ‘Love of Our Islands’. Het Ierse wijsje leerde ik vijftien jaar geleden als uitwisselingsstudent in Dublin, waar ik spontaan verliefd werd op de violist die het voorspeelde. Niet door zijn uiterlijk. Brendan was twintig jaar ouder, had een bierbuik en een litteken op zijn been. Hij bleek ook nog eens een rokkenjager. Toch lukte het me niet om hem uit mijn hoofd te krijgen.

Daar, op dat moment, ontstond denk ik mijn hechte band met Ierland. Elke keer ging ik terug naar de kroeg in de toeristische buurt The Temple Bar, om de emoties in Brendans spel te horen. De vrolijke dansdeuntjes, jigs and reels, de melancholische slow airs die meer op liedjes lijken. Het raakte bij mij iets diep van binnen. Het voelde bijna als heimwee, naar een plek die ik niet kende. Omdat ik bladmuziek gewend was, leerde ik eerst één deuntje uit mijn hoofd. Dat liet ik dan nerveus bij een muzieksessie in een achtergelegen steegje horen. Vaak zaten we ergens in een hoek, dicht op elkaar, met pinten Guinness op een bruine tafel. Precies het romantische beeld dat ik van films kende.

Nederlanders groeien op met de fiets, de Ieren met muziek. Neem mijn vriend Fergal, met wie ik inmiddels twaalf jaar samen ben: bij hem thuis stond als kind altijd de radio aan, of anders zong zijn vader. Het was vanzelfsprekend dat Fergal een instrument leerde bespelen. Hij luisterde naar cassettebandjes en probeerde de noten en akkoorden te achterhalen. Net als een hoop andere Ierse muzikanten, die ik in de loop der jaren leer kennen.

Maar één gitarist in de familie

Dan was mijn opvoeding toch een tikje anders. Mijn ouders konden niet zingen. Ik leerde als meisje in een muziekschool netjes van bladmuziek spelen. Terwijl Fergal voor een extra zakcentje op straat covers van Neil Young en The Beatles liet horen (op een accordeon, waarom ook niet), speelde ik één keer per jaar met Koninginnedag in het openbaar. Verkleed als clown, dan viel ik lekker op.

Fergals oma speelde piano, zijn tantes waren kampioen Ierse dans. Zijn nichten zijn professionele musici, zijn ooms maken muziek, wie eigenlijk niet? Ik heb alleen één gitarist in de familie.

In Nederland zeggen mensen vaak dat ze niet kunnen zingen. Van een Ier zul je dat niet snel horen, het motto luidt: als je maar genoeg oefent, dan is iedereen muzikaal. Mijn vriend, piano- en gitaardocent, hamert daar altijd op.

Als ik eenmaal ben afgestudeerd van mijn opleiding journalistiek verhuis ik zo snel mogelijk naar Ierland. ‘Welcome home’ krijg ik overal te horen. Een van die eerste avonden begin ik bij een droef liedje te huilen. Niet even. Nee, zeker een uur. Alsof ik een schipper ben die maanden op zee heeft gevaren en ineens weer thuis is. Ik snap niet zo goed waar dat gevoel vandaan komt, misschien omdat ik eindelijk het idee heb dat ik ergens bij hoor.

Verliefd op zijn muziek en op hem

Na één week speel ik al in de band waarvan Fergal de singer-songwriter is. Eigenlijk word ik eerst verliefd op zijn muziek, net als bij de violist in Dublin. Het zijn de liedjes met de melancholische ondertoon, dan mysterieus, dan donker, dan lief, waar ik kippevel van krijg. Pas na een jaar ontdek ik dat ik ook van de man zelf ben gaan houden.

Opvallend: elke keer als ik een cd met Ierse deuntjes opzet, trekt Fergal een vies gezicht. Vanaf het begin dat we elkaar kennen en ook nu nog. Hij is te spreken over de bands in de jaren zeventig – denk aan Planxty, De Dannan en The Chieftains – die ‘nieuwe’ instrumenten als de bouzouki en gitaar in de traditionele muziek introduceerden en van een vleugje jazz, pop of rock hielden. Maar Fergal vindt veel sessiemuzikanten hetzelfde klinken.

“Iedereen blijft zo vasthouden aan iets wat een traditie wordt genoemd”, zegt Fergal knorrig, als ik hem vraag waarom hij toch zo negatief is over de muziek waar ik van houd. “Alsof ons land jarenlang onder een glazen stolp zat. Ze vieren de Ierse identiteit, maar op een overdreven manier. De muziek wordt bijna als religieus beschouwd.”

Beeld Nanne Meulendijks

Afzetten tegen de Engelsen

Ierse muziek was en is iets om je af te zetten tegen de Engelsen, die het land lang onderdrukten. Het zou goed kunnen dat muziek daarom zo’n grote rol in de cultuur speelt. Je kunt je afvragen hoe traditioneel de muziek is of zou moeten zijn – daar zijn boeken over volgeschreven – maar in elk geval voelt het als iets eigens.

De muziekwereld is in Ierland inmiddels een stuk breder dan de Ierse deunen. Bijna elk stadje heeft een subcultuur en een open mike-avond, waar singer-songwriters zich laten horen. Zoals in Nederland romanschrijvers als Esther Gerritsen of Peter Buwalda hun eigen stijl vinden, zoeken Ierse muzikanten hun eigen sound. U2 heeft, zacht gezegd, laten zien dat je iets kunt bereiken met eigen muziek.

Misschien komt het juist wel omdat veel jonge muzikanten zich afzetten tegen de trad heads, zoals ik vroeger niets van de platen van mijn vader wilde weten, tot ik zelf fan werd van Paul Simon en Kate Bush. Als violist hoef je je niet te beperken tot klassiek of traditionele deunen, maar kun je ook prima in een coole band spelen.

Alles kan

Onder de naam The Candides treed ik met mijn vriend uiteindelijk in vele uithoeken van het land op. Met eigen liedjes – een mix van pop, folk en klassiek. Het meest staan we in de Spirit Store, een muziekpodium in een oud haven-pand in het grensstadje Dundalk, waar we vlakbij wonen. De ramen tochten, de wc’s trekken niet door, maar bands worden er groot. Conor O’Brien bijvoorbeeld, songwriter van de huidige Villagers.

Alles kan er. ’s Middags spelen kinderen Ierse deuntjes, ’s avonds treden wij met onze kalme muziek tussen twee hardrockbands op. Het maakt niet uit of we voor een popband met upbeat liedjes of een droevige singer-songwriter spelen, iedereen wordt stil en komt daarna geëmotioneerd naar ons toe, om te laten weten hoe diep ze zijn geraakt.

Als ik een band mail met de vraag of we in een voorprogramma mogen spelen, krijgen we vaak positief bericht. Dat vinden de muzikanten alleen maar leuk, soms delen ze zelfs de opbrengst van de ticketverkoop.

Hokjesdenken

Mijn plan, als naïeve twintiger, om naar Nederland te verhuizen en het daar in de muziek helemaal te maken, mondt helaas uit in een fiasco. De programmeur van Paradiso laat weten dat hij geen tijd heeft voor een extra soundcheck en we daarom geen supportact kunnen zijn. Onze single ‘Highlights’ valt in de smaak bij een dj van 3FM, maar is te lang. De jury van de Grote Prijs – waarvan we de kwartfinale bereiken – vindt dat we meer voor één sound moeten gaan. De composities zitten te ingewikkeld in elkaar.

Maar misschien nog wel het allerergste – vooral voor Fergal: elke keer krijgen we het verzoek om nummers van The Dubliners te spelen.

“Spelen jullie geen covers?”

“Hebben jullie niet meer upbeat-nummers?”

“Jullie zijn toch een Ierse band?”

Terug naar het hokjesdenken. (Een beetje als de Ierse sessiemuzikanten, op wie Fergal juist zo’n kritiek heeft. )

Weg van de oordelen

We krijgen het gevoel dat er in Nederland geen plek is voor onze muziek. Een programmeur kletst dwars door een breekbaar nummer heen, een producer gooit over onze opnames een neppe nagalm, de reacties na een optreden zijn vaak magertjes. Eigenlijk missen we een plek als de Spirit Store, waar we gewoon ons eigen ding konden doen. Mijn vriend trekt zich stilletjes terug. Hij begint thuis te componeren, ver weg van de oordelen, en mijdt de podia.

Terug in Nederland besef ik hoe mooi onze muziekjaren in Ierland waren. Ik heb geen moment getwijfeld of ik op de uitvaart van mijn schoonvader zou spelen. Daar, in Ierland, doe je dat gewoon. Na afloop van de kerkdienst komt er een oom op me af, die als traditionele violist – een ‘fiddle player’ – overal in de VS optreedt. Hij vraagt naar de naam van de slow air. “Een prachtige deun, gespeeld met een mooie, klassieke touch”, merkt hij op. De oom is niet geliefd in de familie, maar de muziek brengt ons even dicht bij elkaar.

Daarna heb ik nog weken heimwee. 

Lees ook:

Fontaines D.C.: postpunkers verbonden door poëzie

De debuutplaat van de Ierse postbunkband Fontaines D.C. is een ode aan Amerikaanse beatschrijvers, Ierse poëten en Dublin. ‘Het gaat over de worsteling met hoop. Dat je verder wil, maar beseft vast te zitten.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden