Recensie

Iedereen wil hem hebben, maar Kafka zelf wilde nergens bij horen

Beeld Hollandse Hoogte / Polaris Images

Twee boeken, een van en een over Kafka, bieden dieper inzicht in het denken van de schrijver over zijn eigen identiteit.

Franz Kafka (1883-1924), nu gezien als één van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw, vond het zelf allemaal even waardeloos wat er uit zijn pen kwam. Tijdens zijn leven publiceerde hij nauwelijks. “Ik kan niet schrijven”, zegt hij in 1910 tegen zijn vriend Max Brod, “ik heb niet één zin geschreven waar ik achter sta.”

Gelukkig geloofde deze Max Brod, zelf ook schrijver, wel in Kafka’s talent, en niet zo’n beetje ook. Ieder verhaal dat ondanks Kafka’s buitensporige zelfkritiek (en vaak dankzij Brods gesmeek en gevlei) toch gepubliceerd werd, kon rekenen op een jubelende krantenrecensie van Brods hand – tot grote gêne van Kafka zelf. Brods fanatieke verering van zijn vriend nam zelfs religieuze vormen aan: “De categorie van heiligheid (en niet die van de literatuur) is de enige categorie waarin Kafka’s leven en werk eigenlijk kan worden gezien”, noteert hij in 1937 in zijn biografie over de schrijver.

Het maakt het op zijn minst wat dubieus dat Kafka uitgerekend hem vroeg om na zijn dood al zijn ongepubliceerde teksten te verbranden. Want dat kon Brod natuurlijk helemaal niet. Hij deed dan ook precies het tegenovergestelde: hij smokkelde alles wat hij in Kafka’s bureaula aantrof mee naar Palestina, redigeerde het en bood het ter publicatie aan. Brod zou zich de rest van zijn leven inzetten om het werk dat zijn vriend hem had willen laten verbranden internationaal onder de aandacht te brengen. “Als Franz absoluut en onherroepelijk had gewild dat zijn opdracht zou worden uitgevoerd”, zei hij, “had hij een andere executeur moeten vragen.”

Juridische strijd

Het lot van de door Max Brod onderschepte manuscripten zou nog een vreemde wending nemen, zo schrijft Benjamin Balint in het onlangs in vertaling verschenen ‘Kafka’s laatste proces’, een boek dat je zou kunnen typeren als literatuurhistorisch onderzoek in thrillervorm. Balint legt op aanstekelijke wijze uit hoe het kon gebeuren dat Kafka’s nalatenschap het onderwerp werd van een jarenlange juridische strijd tussen de staten Israël en Duitsland. Beide landen zouden zich Kafka’s naam proberen toe te eigenen. In zijn enthousiasme staat Balint zichzelf soms iets te uitvoerige omwegen toe, maar het krankzinnige verhaal houdt toch ook de Kafka-leek bij de les.

Eigenlijk was Max Brod van plan om Kafka’s teksten, zodra hij er klaar mee was, aan een bibliotheek of literair archief te schenken – maar hij werd verliefd. In 1945 schonk hij zijn complete archief, inclusief de manuscripten van Kafka, aan zijn secretaresse Esther Hoffe, die de handel op haar beurt, na Brods overlijden, aan haar dochters schonk.

Deel van brief van Franz Kafka aan Lise Weltsch, juni 1914 Beeld Hollandse Hoogte / Polaris Images

Dat is het moment waarop Israël en Duitsland begonnen te steigeren. Brod had zijn archief weliswaar aan zijn minnares geschonken, maar het kon, aldus de Nationale Bibliotheek van Israël en het Duitse Literatuurarchief in Marbach, onmogelijk zijn bedoeling zijn geweest dat zij het materiaal doorschoof naar haar dochters. Gezeten tegenover twee machtige literatuurinstellingen zagen de zusters Hoffe hun kansen op de eigendomsrechten slinken. Intussen kibbelden Israël en Duitsland over de vraag of Kafka nou in de eerste plaats een Joodse of een Duitstalige auteur was geweest. “Elk land probeerde een nationaal wij-gevoel aan Kafka’s naam te verbinden”, aldus Balint.

Israël zag het als een ‘kwestie van historische rechtvaardigheid’ dat de Nationale Bibliotheek de verzamelplaats zou worden voor ‘alle overblijfselen van de Joodse cultuur die overal ter wereld zijn gered’. Voor Duitsland kon het omarmen van een Joodse auteur die de holocaust niet had meegemaakt bijdragen aan een vorm van eerherstel. Filosoof Günther Anders verklaarde de ‘Kafka-epidemie’ onder de Duitsers met het feit dat ze “halfhartige medeplichtigen waren geweest en wilden bewijzen, ook aan zichzelf, dat ze de schuld die hen door de overwinnaars was opgelegd in ieder geval in literaire vorm konden aanvaarden, om zo hun wroeging te kunnen verwerken in de vorm  van kunstzinnige bewondering”. Kafka-kenner Alena Wágnerová noemde de grote Duitse interesse voor Joodse auteurs ‘een geraffineerd verdringingsmechanisme’. Voor beide landen was het binnenslepen van Kafka een manier om met een oorlogstrauma af te rekenen.

Solitaire anti-helden

Kafka was Duitstalig en Kafka was joods, maar wat was hij nou het meest? Hoe absurd de vraag ook lijkt, het was niet de eerste keer dat hij werd gesteld. “Wil jij me trouwens ook niet eens zeggen wat ik nu eigenlijk ben?” vraagt Kafka zelf in 1916, grappend, aan zijn geliefde Felice Bauer. “In de laatste Neue Rundschau schrijven ze: ‘K’s vertelkunst heeft iets oer-Duits.’ In het opstel van Max daarentegen: ‘K’s verhalen behoren tot de meest Joodse documenten van onze tijd.”’

Kafka haalt er zijn schouders over op. Hij voelt voor beide beweringen even weinig.

Wir-Schwäche, noemt Balint het, ‘wij-zwakte’. Kafka’s oeuvre ontsproot aan de onmogelijkheid om ergens bij te horen. Zijn protagonisten zijn solitaire anti-helden; vaak verstoten, en anders wel in vrijwillige ballingschap. Marginaliteit, ontheemding en Weltfremdheit zijn de rode draad in zowel zijn leven als zijn werk. Al zou hij het gewild hebben, het lukte Kafka niet zich aan een groep of ideologie (of zelfs maar een ander mens) te verbinden. “Wat heb ik met Joden gemeen?” schrijft hij in 1914 in zijn dagboek. “Ik heb nauwelijks iets met mijzelf gemeen.”

Groepsvorming maakte Kafka huiverig. Volgens hem vormt het menselijke verlangen zich bij een groep aan te sluiten de grootste bedreiging voor harmonie. “Met het zionisme groeit het antisemitisme”, zei hij bijvoorbeeld. Kafka’s antwoord op de steeds grimmiger vormen aannemende polarisering in zijn tijd was zijn individualisme – een antwoord dat ook in deze tijd ter inspiratie zou kunnen dienen. Het is dus tamelijk ironisch dat het proces over zijn nagelaten werk zich primair richtte op de vraag bij welke club de schrijver het meeste thuishoort.

In augustus 2016, ruim negentig jaar na Kafka’s dood, sprak het hooggerechtshof het definitieve vonnis uit. De hele nalatenschap van Brod, inclusief de manuscripten van Kafka, werd toegewezen aan de Nationale Bibliotheek van Israël.

‘Brief aan mijn vader (en ander proza uit de nalatenschap)’, bundel met werk van Franz Kafka.

Brief aan mijn vader

Wie door het boek van Balint nieuwsgierig is geworden naar de teksten die Brod uit Kafka’s bureaula viste, wordt op zijn wenken bediend: een selectie ervan verscheen onlangs in een nieuwe vertaling van Willem van Toorn. De bloemlezing, getiteld ‘Brief aan mijn vader’, bevat korte verhalen, aforismen en de brief uit 1919 waarnaar de titel verwijst.

Zo multi-interpretabel als Kafka’s fictie is (Adorno beschreef het ooit als ‘een parabel waarvan de sleutel is gestolen’), zo ondubbelzinnig is de brief die hij vijf jaar voor zijn overlijden aan zijn vader richtte. Je voelt je een beetje een voyeur als je hem leest. Het valt dan ook sterk te betwijfelen of Kafka Max Brod de publicatie ervan in dank af zou nemen. Maar interessant is hij wel, want hij werpt een uniek licht op thema’s – onbestemd schuldbesef, het gevoel een uitzonderingsgeval te zijn, machtsverschil natuurlijk – die in vrijwel ieder verhaal van Kafka een rol spelen.

Wat misschien nog wel het wonderlijkste is aan de brief, is dat Kafka het klaarspeelt om zelfs in het conflict met zijn eigen vader de rol van buitenstaander op zich te nemen.

Aanvankelijk geeft de brief de indruk dat het Kafka, in relatie tot zijn vader, wat ontbreekt aan zelfinzicht, aan afstand. Maar liefst elf keer (ik heb geturfd) drukt hij zijn vader op het hart dat hij hem echt-echt-echt nergens van wenst te beschuldigen, maar ondertussen doet hij in geuren en kleuren verslag van de autoritaire, minachtende, veroordelende opvoedingsstijl van ‘deze reusachtige man, de hoogste instantie’, en hoe die ertoe had geleid dat Kafka (in zijn eigen ogen althans) op alle fronten was mislukt.

‘Kafka's laatste proces’ van Benjarmin Balint

Net wanneer zijn gezwelg in zelfmedelijden iets potsierlijks begint te krijgen, geeft Kafka de brief een verrassende draai: hij wisselt van perspectief. Vanuit het gezichtspunt van zijn vader beantwoordt hij zijn eigen epistel, waarbij hij geen spaander van de zoon heel laat. Dit is een verkapte aanklacht, zegt de vader. (Klopt!) Je hebt het maar steeds over je neiging tot zelfbeschuldiging, maar ondertussen schuif je mij alle verantwoordelijkheid voor jouw falen in de schoenen. (Ja!)

Wonderlijk genoeg doen zoon en vader qua argumenten niet voor elkaar onder. En zo lijkt de brief uiteindelijk geschreven te zijn vanuit een derde instantie; de buitenstaander, de onpartijdige. Terwijl hij duidelijk maakt dat er inderdaad geen sprake is van schuld, weet deze meta-verteller dondersgoed dat er geen oplossing is voor het conflict dat hij beschouwt; de toenaderingspoging van de zoon is tevergeefs.

Zo past deze ‘Brief an den Vater’ toch naadloos in Kafka’s oeuvre, dat bevolkt wordt door personages die, hoe hard ze ook hun best doen, gedoemd zijn tot in den eeuwigheid die onbegrepen zonderling te blijven.

Benjamin Balint
Kafka’s laatste proces. De strijd om een literaire nalatenschap
Vert. Frank Lekens. Bas Lubberhuizen; 304 blz. € 24,99

Franz Kafka
Brief aan mijn vader (en ander proza uit de nalatenschap) Vert. Willem van Toorn. 
Athenaeum-Polak & Van Gennep; 414 blz. € 27,50

In ons dossier boekrecensies vindt u een overzicht van de besprekingen van pas verschenen fictie, non-fictie, jeugdliteratuur en thrillers.

Lees ook: 

Een beklemmende blik op de koningin van de American Gothic

De nieuwe vertaling van de laatste roman van Shirley Jackson (1916-1965) geeft een fascinerende en beklemmende blik op de demonen in haar hoofd. 

Lees ook:

Maeve Brennan’s ‘Een bezoek’ is wat onrijp, maar ‘De twaalfjarige bruiloft’ is schitterend

‘Een bezoek’ van Maeve Brennan (1917-1973) gaat over nostalgie, het verlangen naar een thuis dat alleen in herinnering bestaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden