Review

Iedereen verbergt iets

Schurken en leugenaars, armoedzaaiers en zieken bevolkten de schepen die midden 19de eeuw van Ierland naar Amerika voeren. Geen vrolijk gezelschap. Joseph O'Connor heeft deze donkere bladzijde uit de Ierse geschiedenis verwerkt tot een ouderwets pakkende roman. ,,De mensen houden van escapisme.''

Als één gebeurtenis de Ierse geschiedenis ingrijpend beïnvloed heeft, is het wel de grote hongersnood in de jaren veertig van de 19de eeuw. Nadat de aardappeloogsten in 1845 en 1846 waren mislukt, stierven meer dan een miljoen van de acht miljoen Ieren aan de honger, terwijl ongeveer 800000 mannen, vrouwen en kinderen per schip naar Amerika trokken in de hoop op een betere toekomst.

De meeste schepen vertrokken vanuit de haven van Queenstown bij Cork, ook wel The Cobh of The Cove genoemd, naar het beloofde land. De reis, die afhankelijk van de wind ongeveer een maand in beslag nam, was voor de meeste passagiers een verschrikking. Als je niet al ziek was, dan werd je het wel, want buiten de Eerste Klasse gerekend was het eten schaars en slecht, de hygiëne erbarmelijk en de sfeer beroerd.

In zijn eind vorig jaar verschenen roman 'Star of the Sea', die nu als 'Stella Maris' in het Nederlands vertaald is (en hoe!), heeft de Ierse schrijver Joseph O'Connor het decor van de overtocht volledig uitgebuit om een duizelingwekkend verhaal te vertellen. Het houdt het midden tussen een thriller en een klassieke 19de-eeuwse roman, verwijst herhaaldelijk naar Charles Dickens, Robert L.Stevenson en Mark Twain, en houdt je vanaf de eerste bladzijde in zijn greep - tot je op de laatste bladzij met een dreun weer het dek raakt.

In de openingsscène maken we kennis met een mank, duister heerschap dat geen woord zegt en 's nachts over het dek van de Stella Maris schuifelt - en daarmee is de toon gezet. De figuren die wij zullen tegenkomen, zijn niet wat ze zijn. Ze zitten niet alleen een maand lang gevangen op een schip -de overtocht vindt plaats in november 1847- maar hebben allemaal ook iets te verbergen. Ze zitten vast aan een verleden waaraan niet te ontkomen valt, ook straks niet, in Amerika.

Overdag, wanneer de meeste passagiers wakker zijn, eten en zich buiten vertonen, slaapt de doctor Hyde uit 'Stella Maris'. Eigenlijk heet hij Pius Mulvey; we weten ook over hem dat hij al jong gevlucht is uit Connemara en tijdens zijn nooit meer eindigende zwerftocht ongeveer heel Ierland en Engeland heeft gezien van Belfast tot Dublin en Dublin tot Londen, waar hij zich in East End heeft ontwikkeld tot een gevaarlijke crimineel. Hoe mooi O'Connor speelt met de 19de-eeuwse sociale roman, blijkt als hij Mulvey in Londen samenbrengt met Charles Dickens. Het is hilarisch te lezen hoe Dickens als een moderne journalist met een opschrijfboekje het 'echte' leven van de straat probeert op te snuiven ten einde het aan de burgerij te laten zien.

Met de Ier Mulvey heeft Dickens zijn voorbeeldboef te pakken, al weet hij niet dat deze zelfde Kaïn iedere keer dat het hem echt te heet onder de voeten wordt van naam verwisselt en zo vrijwel ongrijpbaar is. Vrijwel, want de slappe, leugenachtige, gevaarlijke, gewetenloze en toch van wroeging in elkaar gedoken Mulvey, die op zijn manier ooit ook heeft liefgehad, is in de gevangenis geen vreemde. Naarmate het boek en de reis vorderen, krijg je meer en meer met deze slechterik te doen, maar de dreiging die van hem uitgaat neemt ook toe, want tussen de regels door suggereert de schrijver dat er een moord ophanden is.

De leugenachtigheid van de karakters beperkt zich niet tot de laagste klassen, en ook niet tot Ierland. De andere mannelijke hoofdfiguur, de rijke Brit David Meredith -volledigheidshalve Thomas David Nelson Meredith ofwel de nobele lord Kingscourt, burggraaf van Roundstone, de negende graaf van Cashel, Kilkerrin en Carna genaamd -heeft weinig minder te verbergen. Al spoedig blijkt de zachtmoedige David een slapjanus te zijn, verminkt door zijn opvoeding en vermalen door zijn verborgen hunkering naar liefde en zijn verslaving aan opium. Om het anders te zeggen, ook David had Dickens zomaar een keer kunnen tegenkomen in de steegjes van East End.

Meredith belichaamt de ondergang; alleen de schone schijn houdt hem overeind, maar van binnen is hij zo rot als het langzaam maar zeker in elkaar stortende Britse koninkrijk. Prachtig in dit verband zijn de stekelige dialogen tussen David en de verteller van ons boek, G.Grantley Dixon, die volgens eigen zeggen de vrije pers van Amerika vertegenwoordigt: ,,Ik schrijf op wat ik aantref en zal dat altijd blijven doen.'' De gesprekken tussen Dixon en Meredith, gehouden in de rooksalon van de Eerste Klasse, gaan niet alleen over de tegenstellingen tussen de Oude en de Nieuwe Wereld, maar ook over Ierland als het slavenhuis van Engeland. Vindt Meredith de Amerikaan maar een ongelikte beer, Dixon vergelijkt de toestand in het armenhuis in Clifden met de misstanden op de landerijen die Meredith van zijn vader heeft geërfd.

Er is één schakel die Mulvey en Meredith, laagste en hoogste klasse, Ierland en Engeland en in zekere zin nacht en dag met elkaar verbindt: Mary Duane, het dienstmeisje van de adellijke Kingcourts. Wat Maria aan Pius bindt, vertel ik hier niet. Maar deze jonge, door het leven verslagen weduwe, is in zekere zin het slachtoffer van beide mannen. En dat zal uiteindelijk leiden tot een van de meest dramatische scènes uit de reis, waarin Maria zowel de rol van martelares als van bemiddelaarster op zich lijkt te nemen.

Dat Joseph O'Connor schrijven kon, was al wel bekend bij de verschijning van zijn vorige jaar vertaalde psychologische thrillers 'De verkoper' (1998) en 'Inishowen' (2000). Wat 'Stella Maris' echter zo verrassend maakt en ver boven die thrillers doet uitstijgen, is de reikwijdte en de gelaagdheid van de roman. O'Connor houdt je voortdurend betrokken bij het verhaal, maar leert je tegelijkertijd iets over de dramatische geschiedenis van de Ieren in de 19de eeuw, die in de ogen van de Engelsen nauwelijks meer waren dan een stelletje luie en liederlijke apen. En ben je daarvan bijgekomen, dan word je weer om de oren geslagen met het thema van de redeloosheid van de geschiedenis, die zich, zoals Meredith het ergens zegt, 'voltrekt in de eerste persoon, doch wordt geschreven in de derde'.

Misschien is O'Connors grootste verdienste wel dat hij de weggestopte en vergeten herinneringen en documenten boven water heeft gehaald in de overtuiging dat alleen het verhaal het verdriet van de geschiedenis -op welk niveau dan ook- dragelijk maakt.

Dat klinkt loodzwaar, maar is het niet. O'Connor illustreert dat met een gesprek tussen Dixon en zijn Engelse uitgever Newby. De laatste haalt Anthony Trollope erbij om zijn auteur uit te leggen dat hij wel iets minder realistisch en prekerig over de armen in Clifden mag schrijven, als hij zijn lezers wil vasthouden: ,,Wat jij gedaan hebt, daar worden de mensen akelig van. Je moet eens wat lezen van een makker van me, Trollope... Kijk, hij heeft het ook over de armen, maar hij smokkelt ze er als het ware tussen.'' Dixon ergert zich aan Newby's woorden en leest cynisch een goedverkopende titel uit diens fonds, waarop zijn uitgever met zachte stem antwoordt: ,,De mensen houden van escapisme. Je moet niet zo hard oordelen, beste jongen. Het is maar een boek.''

Als Dixon daarna in zijn hart kapituleert en de uitgever gelijk geeft, weet de lezer ook ongeveer wat O'Connors bedoeling met 'Stella Maris' is geweest: ,,Een ouderwets pakkend verhaal, waar ze (de lezers) hun tanden in kunnen zetten.'' Hij is er wonderwel in geslaagd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden