Review

Iedereen mag weten dat ik Repelsteeltje heet

Het kan niemand zijn ontgaan dat persoonlijke ontboezemingen van schrijvers zich niet langer in de marge bevinden. De bekentenisliteratuur - die haar naam ontleent aan Rousseau's 'Confessions' - heeft zich in het hart van de literatuur genesteld. Dit is de tijd van openhartige kronieken, dikke dagboeken en persoonlijke notities. De biechtstoel dient de schrijver tot troon.

De vraag is natuurlijk: is dat erg? Dat hangt er maar van af met wiens biechtstoel we te maken hebben. De stijl bepaalt nog altijd of een boek, gelogen of de harde waarheid, de moeite waard is. Er gaapt een gat - om de twee van de meest besproken autobiografische boeken van de afgelopen tijd aan te halen - tussen de vilein-humoristische memoires van J. J. Voskuil aan zijn verblijf op 'Het Bureau' en het tenenkrommend intieme verslag van Ischa Meijers laatste jaren in het gezelschap van Connie Palmen.

Voskuil en Palmen schroomden ook in vorige romans niet hun autobiografie in hun werk te betrekken. Maar er zijn ook schrijvers van wie je dat niet zo snel zou verwachten, zoals Nicolaas Matsier en Geerten Meijsing, die plotseling hun persoonlijk leven tot inzet van een roman maakten.

In het oeuvre van Rogi Wieg voltrok die ommekeer zich niet van de ene dag op de andere - er waren altijd al autobiografische sporen in aanwezig - maar zijn overgang vorig jaar naar De Arbeiderspers markeerde wel een overgang naar persoonlijker proza.

Desondanks had Wieg er bij de publicatie van zijn vorige roman 'De overval' nog plezier in alle vermeend autobiografische gebeurtenissen in het boek in een rookgordijn te hullen. “Ik leef op de grens van de fictie. Het is leuk en bevrijdend om te mystificeren. In feite ben ik identiteitsloos.” In het onlangs verschenen 'Liefde is een zwaar beroep', een literaire kroniek van 1997, is het rookgordijn opgetrokken. Op de achterflap verzekert Wieg zijn lezers: “Het is een werkelijk mens dat ik hier in handen heb en geen fictie.”

Wie van de beide schrijvers moeten we geloven? De vroegere of de huidige Wieg? Op het eerste gezicht heeft Wieg zich ver verwijderd van zijn oorsprong en ontpopt hij zich als verdediger van de heilige waarheid. Niet langer schrijft hij tastend, vervreemdend, zoals in zijn vroege poëzie en de cryptische verhalen van 'Sinds gisteren zijn twee dagen verstreken', maar in kale taal: “Ik ben onaantastbaar geworden omdat ik echte boeken schrijf”.

In het pamflet 'Het lef om van je lyrisch ik een ik te maken', dat het filosofische hart van zijn kroniek vormt, formuleert Wieg zijn hernieuwde visie op het schrijven in twintig punten. In punt negentien pleit hij voor de terugkeer van de 'vent' in de literatuur, en roept hij “om nieuwe Menno ter Braken, die de fijnkorrelige gruwelijkheden van deze samenleving aan de kaak stellen en bereid zijn zich te tonen aan de mensen”. Tot slot van zijn pamflet stelt Wieg onverschrokken: “Zolang ik leef sta ik achter al mijn morele en amorele 'ikken'. Iedereen mag weten dat ik Repelsteeltje heet.”

Als de persoonlijkheid van Wieg op grond van de argumenten van Repelsteeltje wordt bekeken, blijkt dat het met zijn engagement niet bijster goed is gesteld. Weliswaar voorziet hij zijn kroniek van een murmelende ondertoon van feitjes die hem via kranten en televisie bereiken, maar hij breekt nergens een lans voor de verschoppelingen der aarde. En doet hij dat wel - Gümüs moet blijven - dan herroept hij dat een paar pagina's later en mag Gümüs weer oprotten. Principieel, dat is Wieg niet: “Principieel, dat waren de nazi's.”

Nee, 'Liefde is een zwaar beroep' heeft maar één onderwerp, en dat is het wel en wee van de schrijver zelf. Rogi Wieg is volledig op zichzelf gefixeerd, een ouderwetse narcist. “Mijn ego is zo groot dat het nauwelijks in mijn lichaam past”, merkt hij fijntjes op. Niet alleen de grootte van het ego, maar vooral ook de gecompliceerdheid van zijn persoonlijkheid komt in talloze facetten over de pagina's dwarrelen. Wieg wil ons doen geloven dat hij een moderne versie van Jekyll & Hyde is.

Met een grote zwaai strooit hij zijn eigen talenten uit over het boek. Wieg is muzikaal, aardig voor kinderen, houdt van zijn Hongaarse grootmoeder, had ooit een sublieme forehand en is in staat de ingewikkeldste problemen uit de quantummechanica op te lossen. “Ik ben atletisch gebouwd en aantrekkelijk en weet veel van exacte vakken”, vat hij het gemakshalve samen.

Toch heerst Mr. Hyde in het hoofd van Wieg. De kroniek wordt geopend en gesloten met een handje gefingeerde aantekeningen van de moordenaar Albert Brust, die zijn slachtoffers langzaam dood martelde. Tussen die 'valse start' en het 'valse einde' fantaseert Wieg geregeld over het vermoorden van zijn vriendin G., haar kinderen en de vader van G.'s kinderen: “Die moet worden opgeruimd.”

De lust tot bot geweld is niet Wiegs enige duivelse kant. Hij mag ook graag mensen op hun hart trappen. Iedereen die ooit dicht bij Wieg in de buurt is geweest, treft op een goede dag in 1997 dat lot. Zijn langgerekte rij ex-vriendinnen wordt nog eens aan de straatkant gezet, en zijn collega's mogen mee met dezelfde papieren vuilnisman. Eigenlijk is dat nog eufemistisch uitgedrukt, als hij zijn oude vriend Arnon Grunberg beschuldigt van imitatie en schrijft: “In Boedapest zijn heel wat lantaarnpalen die het gewicht van een hangende Arnon best aankunnen.”

Wiegs openhartigheid is meer dan ratelende roddelzucht. De onopgesmukte commentaren moeten het bewijs leveren voor zijn verpletterende eerlijkheid. Hij spaart niemand. Zijn vrienden niet, zijn getourmenteerde Joods-Hongaarse ouders niet, en zichzelf nog het minst. Uiteindelijk komt hij met twee persoonlijke confessies die het laatste restje twijfel moeten wegnemen over zijn oprechtheid. “En nu is het tijd voor een grote bekentenis,” schrijft hij. “De keizer heeft geen kleren. Schrijver, muzikant en macho Rogi Wieg is de laatste tien jaar niet meer in een vrouw klaargekomen.”

Nog alomvattender dan zijn problemen met de ejaculatio (waar zijn hand wel controle over heeft) is zijn neurologisch probleem. Wieg gaat gebukt onder de symptomen van Obsessive Compulsive Disorder (OCD): “Het is een mooie naam voor een verschrikking die mijn leven stukmaakt. Ik denk dingen die ik niet wil denken, en heb gevoelens die mij vreemd voorkomen. Bovendien ben ik angstig en heb ik vele, vele dwanghandelingen.” Het hoge woord is eruit. De OCD is de medische grond waarop zijn tegenstrijdige persoonlijkheid, zijn nieuwe stijl, rust als een huis op een blok beton.

Toch blijft het de vraag of Wiegs 'bewezen' status als pillenslikkende patiënt zijn boek literair de moeite waard maakt. Werd het laatste werk van de overleden schilder Willem de Kooning meer waard, toen bekend werd dat hij aan Altzheimer had geleden? Dat lijkt me niet. Hetzelfde geldt voor Wieg. Hoe waar alles wat hij in zijn dagboek noteert ook mag zijn, hoe zijn ziekte hem ook drijft tot spreken waar anderen zwijgen, hoe hij zichzelf ook durft tegen te spreken - zijn kroniek wil er maar niet door overtuigen.

Het is jammer dat Wieg zich zo onaantastbaar en bruusk heeft opgesteld. Zelfs in geval van twijfel weet hij alles zeker en dat laat maar weinig ruimte iets literair verrassends aan zijn notities te ontdekken, of werkelijk ontroerd te raken. Af en toe laat Wieg zijn stilistische talent doorschemeren, zeker in de gedichten die hij tussen het proza heeft opgenomen, maar hij bedelft zijn fijnzinnigheid steeds weer onder een lading rauw geformuleerde waarheden. Rogi Wieg moge met dit zelfportret zijn zwaarmoedige hart hebben gelucht, zoveel onversneden pathos wordt een mens weleens wat veel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden