Review

Iedere snaar, iedere veer en ieder tandwiel laat Latour zingen

Bruno Latour: De Berlijnse Sleutel en andere lessen van een liefhebber van wetenschap en techniek. Van Gennep Amsterdam; 290 blz. - ¿ 65.

De laatste woorden van de titel zou ik dubbel willen onderstrepen. Want de liefde en de fascinatie voor de werelden van natuurwetenschap en techniek spatten vaak van Latours pagina's af. Als het erom gaat het negatieve en wereldvreemde imago van bèta-wetenschappen te verbeteren, zoals iedereen in navolging van minister Ritzen steeds met graagte beweert, kan ik 'De Berlijnse Sleutel' van harte aanbevelen.

Uit alle voorbeelden die Latour geeft, blijkt dat techneuten en natuurwetenschappers net 'gewone mensen' zijn. Met hun werk staan ze midden in de moderne maatschappij waaraan ze op vele wijzen vorm geven.

Wie enigszins thuis is in de wetenschappelijke wereld, zal zich misschien over mijn enthousiaste uitspraken verbazen. Latour is immers de vertegenwoordiger bij uitstek van een maatschappijwetenschappelijke benadering van natuurwetenschap en techniek die bij veel wetenschappers en technologen niet in hoog aanzien staat.

In zijn columns in de Volkskrant veegt de spraakmakende Amsterdamse fysicus Ad Lagendijk Latours aanpak vaak op uiterst getergde wijze van tafel. Hem wordt onkunde en cynisme verweten; hij zou natuurwetenschap en techniek tot een machtsspel reduceren. Het lijkt niet overdreven om te stellen dat alleen al het noemen van Latours naam voldoende is om de beroepsgroep het schuim op de lippen te brengen.

Hoe is deze discrepantie tussen Latours duidelijk aanwezige liefde voor wetenschap en techniek en de afkeer van zijn persoon bij de beoefenaars hiervan te verklaren? De eersten die de natuurwetenschap - om mij daar even toe te beperken - bestudeerden, waren filosofen. In de wetenschapsfilosofie keken zij met name naar het gestolde eindproduct van wetenschappelijk onderzoek.

In hun eigen termen gezegd interesseerden zij zich uitsluitend voor 'de context der rechtvaardiging'. Waar het om ging, was hoe met getallen en berekeningen een bepaalde uitkomst gerechtvaardigd werd. Hoe deze in 'de context der ontdekking' bereikt werd, deed er niet toe. Het feitelijke werk van de wetenschapper verdween op deze wijze uit beeld.

Welnu, voor dat laatste interesseert Latour zich met name. 'Wetenschap in actie' is niet voor niets de titel van een eerdere studie van zijn hand. Hierin onderzocht hij hoe wetenschappers in de praktijk hun feiten 'construeerden' en hun verklaringen ontwikkelden.

Ook in 'De Berlijnse Sleutel' staan schitterende beschrijvingen van 'wetenschap in actie'. Het 'Portret van een bioloog als wilde kapitalist' beschrijft bijvoorbeeld op biografische wijze met ingevoegde citaten de ontwikkeling van een geniale biochemicus. Zijn carrière blijkt niet zozeer bepaald te zijn door zoiets als liefde voor de wetenschap als wel door riskante keuzen en gewaagde gokken om zijn kenniskapitaal goed te investeren.

Is zo'n verhaal ontluisterend? Misschien wel voor de natuurwetenschapper die zelf de wetenschapsfilosofen op hun woord is gaan geloven. Die hangen tenslotte een vleiend beeld van hem op alsof hij slechts door liefde voor de waarheid zou worden bewogen. Tegelijkertijd is dit een zeer gereduceerd en uiteindelijk doods beeld. Alle leven is eruit verdwenen. De feitelijke praktijk die Latour schetst, is ongetwijfeld minder fraai. Ze is echter niet steriel maar springlevend. De carrière van een natuurwetenschapper blijkt minstens zo spannend te zijn als die van een dokter, jurist, socioloog of econoom.

Dat de studie van de natuurwetenschappen op buitenstaanders niet op deze wijze overkomt, heeft veel te maken met de presentatie ervan. Cees Andriesse, auteur en hoogleraar natuurkunde in Utrecht, heeft zijn eerste ervaringen met de studie eens zo beschreven: “Het was alsof ik neergesmeten werd in een bak koud water. Het bloemrijke werd geschrapt, het was meten en tellen. Dat is 1 en dat is 1 en 1+1=2. De rest deed er niet toe. De rest werd geschrapt.”

Ongetwijfeld klopt deze beleving van Andriesse. Zo werden en worden helaas vaak nog studenten ingewijd. Dat hun vak ook veel spannende menselijke en maatschappelijke kanten heeft, komt in eerste instantie nauwelijks aan bod. De carrière van Andriesse zelf laat echter zien dat dit wel degelijk het geval is.

De in 'De Berlijnse Sleutel' verzamelde artikelen van Latour vormen een groot pleidooi om deze aspecten beter zichtbaar te maken. Alleen een natuurwetenschapper die zichzelf graag presenteert als uitsluitend een soort hogepriester van de waarheid, kan hiertegen bezwaar maken. Hij draait zichzelf dan wel een rad voor ogen en bewijst zijn wetenschap allerminst een dienst. Ik kan hem alleen maar aanraden het rode waas voor zijn ogen weg te vegen om 'De Berlijnse Sleutel' onbevangen te gaan lezen.

Wat voor natuurwetenschap geldt, is ook van toepassing op techniek. 'Het is koud in Delft' luidde de titel van het eerste hoofdstuk van de kritische bestseller van een aantal jaren geleden, 'De Dingen hebben hun geheim', van de Delftse hoogleraar A. van den Beukel. Zowel de hoofdstuk- als de boektitel spreken weer voor zichzelf. Van den Beukel betoogde dat de technologen de dingen tot maat en getal reduceerden, dat zij geen oog meer hadden voor de rijkdom, warmte en veelkleurigheid van de ons omringende materiële werkelijkheid.

Weer zal het vaak, net als bij Andriesse het geval was, zo bij kennismaking met een technische studie gepresenteerd worden. Dat er in de praktijk gelukkig niets van klopt, laten met name de eerste artikelen uit 'De Berlijnse Sleutel' zien. Het begint al meteen met een hilarisch verhaal over een Guust Flater-strip. Een simpel kattenluikje blijkt hier een scala aan menselijke emoties en betrekkingen te kunnen representeren.

En dat ook technische dingen, artefacten in jargon, hun geheim hebben, blijkt uit het titelverhaal van dit boek. De sleutel die in Berlijn wordt gebruikt en die Latour hier beschrijft is namelijk een zeer bizarre: zij is symmetrisch, heeft twee baarden. Heel het artikel is een speurtocht naar de vraag hoe dit komt, waar dit voor dient en hoe zowel gebruikers als technologen hiermee omgaan. Deze sleutel vertelt zo een verhaal over de Berlijnse woonverhoudingen, over de dag- en nachtconciërge die hier vergeleken met het Parijs van Latour ontbreekt, over de ingeniositeit van ingenieurs en de geraffineerde tegenacties van gebruikers.

Het meest uitgebreide verhaal in dit eerste deel gaat over een deurdranger. Vanuit een simpele situatie op het Parijse instituut voor techniekgeschiedenis - de deurdranger is kapot, wat op een koude winterdag tot een wanhopig briefje op de deur leidt: “De dranger staakt. Doe in godsnaam de deur dicht” - weet Latour de ingewikkelde verhouding tussen mensen en dingen op ongemeen pakkende wijze te beschrijven.

Wie zijn lezers meer dan twintig pagina's vermaakt en onderricht over een deurdranger, mag met recht een liefhebber van techniek worden genoemd. Zelden zullen zoveel verschillende aspecten van de wondere wereld der dingen zo aansprekend zijn belicht. Als lezer ga je met nieuwe ogen kijken naar de technische omgeving waar wij als moderne mens in leven. Aan het slot van het genoemde artikel stelt Latour: “De techniekliefhebbers doen zo met objecten wat ze eerst voor de slaapverwekkende wetenschappelijke literatuur hebben gedaan.” Dat geldt ongetwijfeld voor hemzelf. Iedere snaar, iedere veer en ieder tandwiel gaat door zijn benadering fascineren, en technische objecten worden inderdaad 'even boeiend als een opera'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden