Review

Humor is de beste mest voor elke therapie

Op het moment dat je naar de zin en de waarde van het leven vraagt, ben je ziek, omdat beide immers niet op objectieve wijze bestaan. Door die vraag te stellen geef je slechts toe dat je een voorraad onbevredigde libido hebt en dat er iets gebeurd is, een soort gisting die tot rouw en depressie leidt.

Dat schrijft de 81-jarige Sigmund Freud op 23 augustus 1937 in een brief aan prinses Marie Bonaparte. Erg bijzonder vond hij deze toelichting overigens niet. Zij moest die maar beschouwen als een gevolg van zijn pessimisme. Als tegenwicht speelde er een geestige Amerikaanse reclame-advertentie door zijn hoofd: “Waarom leven, als je je voor tien dollar kunt laten begraven?”

In 1927, het jaar waarin Freud, lijdend aan mondkanker, zesentwintig keer een kaakchirurg bezoekt, publiceert hij een korte verhandeling over humor. Het aardigst blijft de lach met een zwart floers, zoals de met galgenhumor doordrenkte opmerking van man die op maandag uit zijn cel wordt gehaald om te worden geëxecuteerd: “Nou, de week begint goed.”

Het laatste hoofdstuk van 'Andere kamers in het huis van Freud' - uitgegeven naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van het Psychoanalytisch Genootschap - gaat over humor en zin. Sommige psychoanalytici nemen hun dogma's en theorieën zo serieus dat het soms wel religie lijkt. Terwijl humor toch de beste mest is voor iedere therapie. Al te veel ernst is dodelijk. Freud zag in humor de triomf niet alleen van het Ik, maar ook van het lustprincipe, dat zich in ongunstige omstandigheden staande weet te houden.

Dat de psychoanalyse nog lang niet dood is, zou je kunnen afleiden uit de boeken die er met enige regelmaat over verschijnen, ook al worden ze door mijn thuisfront steevast begroet met de vraag wie er nu in hemelsnaam nog op de ideeën van Freud zit te wachten. Mij kunnen ze onder dat soort literatuur begraven, al moet ik toegeven dat je er als psychiater in de klinische praktijk weinig aan hebt.

In 'Andere kamers in het huis van Freud' geven negen auteurs hun visie op de ontstaansgeschiedenis van de twee psychoanalytische clubs in Nederland. In 1917 werd de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse opgericht, in 1947 het op Utrecht georiënteerde Nederlands Psychoanalytisch Genootschap.

Willem Heuves, universitair docent bij de vakgroep psychologie van de Leidse Universiteit, bevestigt het beeld dat de psychoanalyse binnen het Leidse psychologie-onderwijs als een ondergeschoven kind behandeld wordt. En dat terwijl Gerbrand Jelgersma in 1914 nu juist in Leiden als eerste hoogleraar psychiatrie in Nederland én als rector magnificus een pleidooi hield voor de toepassing van de psychoanalyse in de academische psychiatrie.

In de bundel 'Ons vege lijf' doen zeven analytici een boekje open over de betekenis van het lichaam in de psychoanalytische praktijk. Volgens de Utrechtse hoogleraar kinderpsychiatrie Jan Buitelaar bevindt de psychoanalyse zich in het grensgebied van lichaam en geest. Opmerkelijk genoeg kun je volgens hem behalve met medicijnen ook met psychoanalyse biologische veranderingen in het brein bewerkstelligen.

Ondertussen trekt hij het bestaan van het onbewuste niet in twijfel: “De symptomen van veel neuropsychiatrische stoornissen zijn rijk aan onbewuste betekenissen. Onbewuste wensen en verlangens, en de daartegen gerichte afweer, reizen graag mee in de biologische trein en gebruiken deze om te komen waar ze willen zijn, namelijk aan de oppervlakte, zichtbaar en hoorbaar.” Niet de ziel van de patiënt maar diens neuronen blijken op de divan van de analyticus te worden bewerkt.

Hoe en waarom je een grondige hekel aan je lichaam kunt overhouden aan seksueel misbruik, blijkt uit de enigszins technische bijdrage 'Geen woorden maar daden' van de Rotterdamse psychiater Nelleke Nicolai. “Ik zou wel willen, dat ik met staalwol mijn hele vel eraf kon schrapen en dan zou ik in een bad met zoutzuur gaan zitten”, zegt een 29-jarige vrouw met zelfbeschadigend gedrag.

Dat iemand na zulke ellende ooit nog een gewoon leven kan leiden, is nauwelijks voorstelbaar. Daartoe moeten, in plaats van (zelfbeschadigende) daden, de woorden helemaal uit je tenen komen. Soms lukt dat niet omdat het slachtoffer niet in staat is over zichzelf als een zelfstandig persoon na te denken doordat het nooit een veilige hechting heeft gekend.

De Amerikaanse bioloog Paul Martin pendelt in 'Lichaam en geest' eveneens tussen die twee heen en weer. Verdienstelijk ontvouwt hij de nieuwste gegevens over ziekten die met emoties verband houden. In de literatuur wemelt het van de personages die dood neervallen als gevolg van een overweldigende emotie, zegt Martin. Zo laat Shakespeare koning Lear aan een gebroken hart sterven als zijn geliefde dochter Cordelia wreed wordt vermoord, kort nadat de koning zich met haar heeft verzoend. Eerst ontkent hij haar dood. Dan realiseert hij zich dat zij voor altijd weg is. Dan valt Lear dood neer.

Of de kwaal die Charles Darwin (1809-1882) veertig jaar lang teisterde, een psychische of lichamelijke oorzaak had, blijft controversieel. Jarenlang moest Darwin vechten tegen zijn mysterieuze, ondermijnende ziekte, maar ook tegen het idee dat hij een hypochonder of een aansteller was.

Aan zijn vriend Joseph Hooker schreef hij in 1845: “Het is wel aardig van je naar mijn gezondheid te vragen; ik heb er niet veel over te vertellen - het gaat zo'n beetje hetzelfde. Ik geloof dat ik niet één hele dag of liever gezegd nacht heb mogen meemaken dat mijn maag niet hevig opspeelde, de afgelopen drie jaar; de meeste dagen lijd ik aan totale uitputting. (. . ) Veel vrienden van me denken, geloof ik, dat ik een hypochonder ben.”

Volgens de Britse psychoanalyticus John Bowlby had Darwin last van depressies ten gevolge van onverwerkte rouw om het verlies van zijn moeder, die overleed toen hij acht jaar oud was. Meer biologisch ingestelde deskundigen menen dat hij aan een zuiver lichamelijke aandoening leed, de ziekte van Chagas of Amerikaanse trypanosomiasis.

Kort na zijn dertigste, nog geen jaar nadat hij van zijn ontdekkingsreis met de Beagle was teruggekeerd, werd Darwin ziek. De rest van zijn leven leed hij aan aanvallen van buikpijn, winden, misselijkheid, koorts, hartkloppingen, lusteloosheid, spierslapte, pijnen in de hartstreek, suizende oren, zichtproblemen, acute angst, depressie en slapeloosheid.

Op 26 maart 1835 noteerde Darwin dat hij door een groot bloedzuigend insect werd gebeten toen hij in Argentinië aan land was gegaan. Men denkt dat hij toen besmet is geraakt met de trypanosoma cruzi, die op mensen overgedragen wordt via de uitwerpselen van bloedzuigende insecten. In Darwins tijd was de verwekker van de ziekte van Chagas nog niet ontdekt.

Een andere mogelijkheid is dat Darwin een groot deel van zijn leven geïnvalideerd werd door een angststoornis met paniekaanvallen. Thans is zo'n stoornis behandelbaar. Niettemin blijven de klachten zelfs nu soms bestaan, ondanks de meest geavanceerde medicijnen. Met deze diagnose klopt dat Darwin het liefst conflicten vermeed. Hij moet een beminnelijk mens zijn geweest, maar verschrikkelijk verlegen.

Darwins ziekte was noch louter psychisch noch louter lichamelijk, betoogt Martin. Dat hij aan de ziekte van Chagas leed, “is aannemelijk, maar er zijn even goede gronden voor de opvatting dat Darwins psychische toestand een sterke invloed had op het verloop en de uitingswijze van zijn ziekte en dat deze werd gecompliceerd door zijn psychologische reactie erop”.

Zo vallen lichaam en ziel elkaar hartstochtelijk om de hals.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden