Review

Hulp voor de poëzie-lezer

Vroeger was het heel eenvoudig. In krant en weekblad waren de journalistieke recensenten, ook wel de literaire critici genoemd, de eerste lezers en beoordelaars van literatuur. De wat dieper gravende kritiek op boeken, in essayvorm, placht te verschijnen in literaire of culturele tijdschriften. De echte studie van de literatuur tenslotte werd verricht door de academische literatuurkritiek, minder kritiek trouwens dan analyse en bovendien meestal theoretisch gefundeerd, want men bedrijft wetenschap, nietwaar.

Al zeker een kwart eeuw is deze eenvoudige driedeling in journalistieke, essayistische en academische literatuurkritiek niet meer meer betrouwbaar. In de eerste categorie, die van de krant, is heel wat essayistiek geslopen: het langere stuk heeft zijn intrede gedaan, het essay is van het tijdschrift naar de krant verhuisd en een groot publiek kan nu in principe meedenken over literatuur. De reeks artikelen met betrekking tot Gerrit Achterberg in Letter & Geest zijn daarvan een voorbeeld. Ze sneden literairkritische kwesties aan die zowel de krant, het tijdschrift als het vakblad aangingen. In het tijdschrift Liter, nummer 26, heeft Hans Werkman op zijn beurt alle reacties, tot en met de ingezonden brieven, heel verstandig op een rijtje gezet en gewogen.

Ook zijn de scheidslijnen tussen het literaire essay en de academische studie vervaagd. In de tijdschrift-essayistiek, zeker als ze beoefend wordt door academici, sluipt steeds vaker het literatuurwetenschappelijke jargon, waar Kees Fens al zijn hele leven, terecht, allergisch voor is. En in wat de vakbladen publiceren sluipt meer en meer een essayistische toon, in de veronderstelling dat te studieus ook onleesbaar betekent. Het tijdschrift voor studenten en leraren Nederlands, Literatuur, is zelfs onlangs 'gerestyled' tot een vlot magazine over literatuur, waaruit alle studieusheid verdwenen lijkt. Het vakblad voor neerlandici, Nederlandse letterkunde, is blijkens themanummers over het essay en over nieuwe poëzie in concurrentie met het literaire tijdschrift, al zouden ze daar zoveel noten natuurlijk nooit toestaan.

Als stukken over literatuur in boekvorm gebundeld worden, heten ze meestal essays. Van Dale omschrijft het essay als een 'niet te korte, voor een ruim publiek bestemde, subjectief gekleurde verhandeling over een wetenschappelijk of letterkundig onderwerp, gekenmerkt door goede, persoonlijke stijl'. Het is opvallend dat de literaire essaybundels die de laatste tijd zijn verschenen, in de meeste gevallen poëzie tot onderwerp hebben. De indruk ontstaat dat het proza, na de ontvangst door de journalistieke kritiek, nauwelijks verdiepende aandacht krijgt in de essayistiek. Dat is betreurenswaardig, want het proces van de waardebepaling wordt erdoor vertraagd of zelfs lamgelegd, wat in de praktijk betekent dat het succes van een schrijver zijn waarde bepaalt.

De Amerikaanse poëziecriticus Stephen Burt heeft eens gezegd: ,,Poëziekritiek kun je omschrijven als al die teksten die mensen helpen gedichten beter te lezen, gedichten die, zoals Samuel Johnson zei, ons weer helpen om 'meer van het leven te genieten of, in het andere geval, het beter te kunnen verdragen'.' Er zijn zeker vier essaybundels verschenen die deze behulpzame functie willen vervullen. Guus Middag verzamelde in 'Vrolijk als een vergelijking' vijftig kleine essays over poëzie, die hij voor de krant schreef. Het zijn in laatste instantie leesverslagen, maar allerminst van de dorre, schoolse soort. Middag is een aanstekelijke lezer, die bovendien allerlei soorten poëzie in zijn betoog betrekt: liedjes van Abba, Corrie en de Rekels, of Groningse teksten van Ede Staal gaan bij hem hand in hand met gedichten van Jan Emmens, J.H. Leopold, Rutger Kopland of Jozef

Brodsky. Wie het plezier wil ondergaan dat gepaard kan gaan met het lezen van poëzie, moet bij Middag wezen.

De essays van Hans Groenewegen in 'Schuimen langs de vloedlijn' zijn niet bepaald licht of luchthartig, eerder wat zwaar op de hand en volumineus, maar daarin schuilt juist hun kwaliteit. Hier is iemand uiterst serieus en ongemakzuchtig met poëzie bezig, in de wetenschap dat het om iets belangrijks gaat. Hij probeert door heel precies te lezen motieven op het spoor te komen in het werk van zulke verschillende dichters als Eva Gerlach, Frank van Dixhoorn, Wilfred Smit, Gertrude Starink, Hans Tentije, Martin Reints en Nachoem Wijnberg. Zijn belangstelling is breed geörienteerd, niet enghartig, en wie hem bij zijn opsporingen volgt, komt veel over poëzie te weten, en dus ook over de taal en het leven.

Anneke Reitsma heeft in 'Het woord te vondeling' zeventien verspreid gepubliceerde opstellen gebundeld, die een eeuw Nederlandse poëzie bestrijken en terecht 'portretten' worden genoemd. Ze geven een introducerende karakteristiek van een dichterschap en een oeuvre, waarbij ook biografische feiten en literair-historische omstandigheden kunnen meespelen. Interessant is dat ze niet alleen oog heeft voor de bekende dichters (Guido Gezelle, M. Nijhoff, Ida Gerhardt, M. Vasalis), maar ook minder bekende aan bod laat komen, zoals Marcellus Emants, Gerard Reve en Harry Mulisch. Haar essay over het werk van C.O. Jellema behoort tot het kernachtigste dat erover geschreven is.

Tenslotte moet het postuum verschenen 'Dichters die nog maar namen lijken' van A.L. Sötemann met ere genoemd worden in deze opsomming van essayisten die de lezer warm willen maken voor poëzie. Sötemann heeft de taak op zich genomen, en volbracht, om een twaalftal dichters te bespreken die in hun tijd veel waardering ondervonden, maar nu niet of nauwelijks meer gelezen worden. Zijn inspanningen om voor deze dichters in het krijt te treden zullen misschien geen heropleving van de belangstelling teweegbrengen, maar op een bescheiden schaal kan dit boek bij poëzieliefhebbers tot herontdekkingen leiden. Ik kan mij voorstellen dat iemand na het gelezen te hebben, naar de bibliotheek rent om meer van Richard Minne, Jan van Nijlen, Albert Verwey, Pierre Kemp of A. Roland Holst te kunnen lezen.

De meeste essaybundels over poëzie verschijnen bij uitgeverij Vantilt, die dank verdient voor deze weinig lucratieve inspanning. Behalve van Groenewegen kwamen daar nog boeken uit van J.H. de Roder, Dirk van Bastelaere en Jos Joosten. De laatste is een goed voorbeeld van een essayist die zowel een academisch neerlandicus is als een literair criticus. Naar beide zijden toe vertoont hij een polemische instelling. Als criticus bestrijdt hij in de poëzie gevestigde namen zoals Gerrit Komrij, Jean Pierre Rawie en J.C. Bloem. Als wetenschapper probeert hij het aloude structuralisme te verbinden met het postmodernisme.

'Onttachtiging' heet Joostens boek en daarmee bedoelt hij dat de Nederlandse poëzie, ook die van na Vijftig, nog steeds niet bevrijd is van het juk van de negentiendeëeuwse Beweging van Tachtig. De esthetiserende poëziepraktijk en -kritiek van destijds, waarin de nadruk ligt op het gevoel, zou nog steeds haar uitwerking op de Nederlandse poëzie en poëziekritiek niet missen. Dichters als Anna Enquist, Leonard Nolens en Eddy van Vliet krijgen er van langs. De toon van deze stukken is polemisch en de inzet is: waardering vragen voor een nieuwere poëzie, die al wel onttachtigd is, zoals die van Dirk van Bastelaere, Peter Holvoet-Hanssen, Erik Spinoy.

In 1999 zorgde J.H. de Roder voor veel opschudding met zijn essay 'Het schandaal van de poëzie', waarin hij betoogde dat de betekenis van een gedicht veel minder belangrijk is voor de poëtische ervaring dan betekenisloze elementen zoals klank en ritme. In 'Het onbehagen in de literatuur' is dat essay in verkorte vorm herdrukt. Het loont nog altijd zeer de moeite en zal ook zeker verdere uitwerking krijgen. De Roder heeft een academische achtergrond, die hij niet verloochent in zijn essays, en hij houdt ervan over poëzie te spreken in een breder verband. Dat levert moeilijke maar ook spannende beschouwingen op, waarin recht wordt gedaan aan het gecompliceerde dat poëzie nu eenmaal is.

Tot slot de meest door filosofisch en wetenschappelijk jargon aangetaste Dirk van Bastelaere. Hij is zonder meer een gedreven pleitbezorger van poëzie die geen afgeleide wil zijn van de werkelijkheid, maar zelf een werkelijkheid (in taal) tot stand brengt. Hij trekt ten strijde tegen de vooraanstaande criticus Hugo Brems, die hij beschuldigt van 'een kleinburgerlijke ideologie'. Ook de dichter Herman Leenders moet een ideologische inspectie ondergaan, waarna zijn werk conformistisch blijkt, dus verwerpelijk. Welk onderwerp Van Bastelaere ook bij de kop pakt, het zijn altijd theoretische en ideologiekritische overwegingen die de boventoon voeren. Met die instelling gaat een huiveringwekkend taalgebruik gepaard, zoals in deze definitie van poëzie: ,,Het gedicht is een onafsluitbare zelfrealisatie van een linguïstisch proces.' Een goede essayist in de zin van Van Dale is deze Van Bastelaere dus niet. Hij zal het ruimere publiek nog meer van poëzie vervreemden dan het al is.

Vermoedelijk doen de onacademische en niet-polemische essayisten het beste werk voor de poëzie en de poëzielezer, al moet ook het andere debat over poëzie, zeker 'in de kring', niet onderschat worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden