Review

HUBERT LAMPOHoe meer zij lawaai maakten, des te meer heb ik geschreven

Vijftig jaar magisch-realisme in de Nederlandse letteren heeft niet meer dan twee echte representanten opgeleverd. Johan Daisne, de Vlaming die het fenomeen in 1942 introduceerde, sloeg minder dan een decennium later andere wegen in. Zijn landgenoot Hubert Lampo week echter nimmer meer van het rechte pad van het magischrealisme af sinds zijn succesvolle roman 'De komst van Joachim Stiller' in 1960. Zijn lezers dragen hem nog steeds op handen; zijn critici laten geen spaan heel van zijn werk, of zwijgen hem dood. Hubert Lampo over dertig jaar magisch-realisme en de kritiek. "Het literaire leven bestaat voor een groot deel uit ongeciviliseerde, onbetrouwbare, en corrupte figuren."

RUUT VERHOEVEN

"Mijne man is best bereid een interview te geven" , legt mevrouw Lampo telefonisch uit. "Op een voorwaarde: het moet een proper interview zijn. Hij is het kotsbeu om telkens maar weer aangepakt te worden. Als u stekelige vragen stelt, zal hij geen antwoord geven. Dan kunt u zich een reis naar Antwerpen beter besparen. Ik zeg u: deze waarschuwing is niet voor niets. Mijn man wil zich niet voor de zoveelste keer op zijn kont laten slaan."

De ontvangst in het appartement van de Lampo's aan de Plantinkaai valt - gezien het voorafgaande alleszins mee. Hubert Lampo, zelf niet groter dan 1.65 meter, is aangenaam verrast door de lengte van zijn gesprekspartner. "U bent groot. Da's een voordeel. Kleine mannekes zijn vaak gefrustreerd, moet u weten." Mevrouw Lampo mengt zich aanvankelijk niet in het gesprek. Dat verandert op slag, wanneer later de literatuurkritiek ter sprake komt. "Het gaat moeilijk worden" , voorspelt de schrijver. "Mijn vrouw gaat zich ermee bemoeien."

Zelf ziet Hubert Lampo 'De komst van Joachim Stiller' als het keerpunt in zijn schrijversloopbaan, die dan al zeventien jaar beslaat. Het boek ( "mijn eerste uitgesproken magisch-realistische roman" ) over een messias-achtig figuur bleek een echte bestseller, werd acht keer vertaald, en beleeft momenteel alweer zijn 38ste druk. Toen de roman in 1963 ook nog eens bekroond werd met de Staatsprijs voor Vlaams verhalend proza, kon dat niet ieders goedkeuring wegdragen. Met name de modernistisch gezinde auteurs hadden erop gerekend, dat Hugo Claus' 'De verwondering' in de prijzen zou vallen. "Zij zijn vervolgens in gesloten geledingen tegen mij tekeergegaan, in de hoop mij het zwijgen op te leggen. Maar hoe meer zij met hun grote smoelen lawaai maakten, des te meer ik heb geschreven. En het publiek is mij gevolgd."

Van die tijd dateert de animositeit in het Vlaams literaire wereldje, met Lampo in de rol van 'alleenloper'. Telkens wanneer er weer een boek van hem op de markt verschijnt, oordeelt de Vlaamse en Nederlandse kritiek vernietigend. Een selecte greep uit het arsenaal: Lampo is een clichemannetje, hangt de pseudointellectueel uit, is genadeloos breedvoerig, schrijft kartonnen dialogen, is stillistisch onhandig, zit in het keurslijf van het magisch-realisme waardoor hij zich niet meer vernieuwt, heeft een gebrekkige verbeelding, en raakt regelmatig verstrikt in zijn pogingen bepaalde constructies zo deftig mogelijk op te schrijven. Sommigen volharden in hun kritiek; anderen nemen niet eens meer de moeite het werk van de Vlaming te recenseren.

Lampo gelooft heilig in zijn complottheorie. "Ik ben ervan overtuigd dat er een mafia aan het werk is, die louter op vulgaire, geldelijke gronden, probeert zoveel mogelijk naar zich toe te halen en anderen uit te schakelen. Wat er allemaal gebeurt, berust niet op toeval. De meesten die hun stem verheffen, zijn georganiseerde, literair incompetenten die mijn fouten willen blootleggen."

De 'mafia' gaat volgens Lampo voor een groot deel schuil achter concurrerende uitgeverijen. "Niemand bij Meulenhoff, mijn uitgever, heeft ook maar de intentie om ervoor te zorgen dat een concurrent de vernieling in geschreven wordt. Van het omgekeerde ben ik allerminst zeker. Er zijn onrechtstreekse bewijzen, maar het is moeilijk dat hard te maken. Ik zal u een voorbeeld geven. Op een gegeven moment belde wijlen Jacques Kersten, een brave jongen met een goed karakter, mij op, met de mededeling, dat hij 'De elfenkoningin' niet kon bespreken, omdat hij er ideologisch niet achter stond. Ik begreep er niets van. Maar ik voelde dat die man onder zware druk stond. Later bleek dat hij voor een zich zeer agressief, concurrerend opstellende firma boeken van andere Vlaamse auteurs moest verNederlandsen."

"Ik weet dat ik het voorwerp ben van heel wat dwaze praatjes in de media. Als je voor de voeten van de literaire gemeenschap loopt, en je boeken gaan vlotter dan die van heel wat anderen, dan begrijp je, dat je in Nederland als buitenlander, voorwerp van racisme wordt. Maar laten we vooral niet denken, dat het publiek al die vuilspuiterij leuk vindt. Voor mij is een abject, stinkend, fascistisch, onwaardig stuk nog altijd schitterende publiciteit. Want dan weten de mensen tenminste dat er weer een boek van Lampo uit is, waar het verschenen is, en wat het kost. Ofwel het publiek dat mijn boeken koopt, is volslagen idioot, ofwel de mensen die mij aanvallen zijn idioten."

Lampo beweert niet wakker te liggen van de oorverdovende en oogverblindende kritiek die op hem neerdaalt. "Johan Daisne is er misschien aan kapot gegaan; Piet van Aken, een zeer groot auteur, ook. Maar ik niet. U systematisch verzetten tegen dat rapalje gaat niet. Men kan zich ook niet tegen voetbalhooligans verzetten." Toch voelt Lampo zich van tijd tot tijd geroepen de tegenaanval in te zetten. Via zijn boeken. "Ik heb geen ander podium om mij te verdedigen tegen die vuilspuiterij. Daarom geef ik de critici af en toe een klap om hun oren in mijn boeken."

Ook in zijn meest recente werk, de verhalenbundel 'Schemertijdmuziek', viert hij zijn frustraties en agressie bot op allen die hem attaqueren. In 'Een verjaardag als een ander' schrijft hij onder meer:

'Geloof me maar. Dit, mijn landje van bietenboeren, industriebarons, wielervedetten, frieteneters, gelicentieerden wijsbegeerte letteren, oud-maosten, hooligans, potentiele racisten, omhooggevallen professoren die in het middelbaar ternauwernood voor een klasje van vijftienjarigen functioneerden, Chinareizigers, baldakijndragers, intertexualisten (a chaque fou sa marotte, zeggen de Fransen), semiotiekers, structuralisten, corruptelingen en... Genoeg! Eens te meer dreigt deze volzin te lang te worden voor het bevattingsvermogen van de criticus van dienst in Het belang van Klotekapelle die Marcel Proust, Joyce en Kafka voor winnaars van de Tour de France, tenzij voor popvedetten blijft houden.'

Lampo vindt zijn tirades mager afsteken bij die van de 'vijand'.

"Wat ik schrijf, is veel minder erg dan hun gemeenheid. Als ik echt van me af zou willen schoppen, zou ik een roman over het literaire leven moeten schrijven. Maar dat zijn die jongens mij niet waard. Het literaire wereldje is een vies wereldje, waar ik het liefst niets mee te maken wil hebben. Ik heb geen zin om mijn tijd nog langer, om het op zijn Antwerps te zeggen, te verschijten, aan discussies met mensen die ik mij onwaardig vind. Ik heb weinig contacten met andere auteurs. Maar is dat zo vreemd? Slagers en bakkers ontmoeten elkaar toch ook niet? Het literaire leven bestaat voor een groot deel uit ongeciviliseerde, onbetrouwbare en corrupte figuren."

Daartoe behoort ongetwijfeld Hugo Claus. Diens naam werkt op het echtpaar Lampo als een rode lap op een stier. Telkens wanneer zijn vrouw het over Claus heeft, doet de schrijver vergeefse moeite van onderwerp te veranderen, om het vervolgens van harte met haar eens te zijn. "Claus is een zeer geniale publiciteitsman" , weet zij. "Op het moment dat hij het Boekenweekgeschenk voor Nederland mocht schrijven, stond er in de Vlaamse pers dat hij de eerste Vlaming was die het zover geschopt had. Het feit dat mijn man en Marnix Gijsen hem voor waren gegaan, werd domweg verzwegen. Zulke leugens worden er verspreid." Haar man meent, dat al te veel publiciteit op den duur contraproduktief werkt. "Ik denk dat de naam Hugo Claus bij veel Nederlanders zo langzamerhand de strot uitkomt. Zij zien ook wel in, dat zijn werk niet zo denderend is. Maar kom, da's een andere zaak. Ik doe aan geen kritiek meer."

Met zijn eigen werk is Lampo - alle kritiek ten spijt - nog altijd zeer ingenomen. "Ik ben ervan overtuigd dat mijn werk waardevol is. Anders zou ik niet zoveel lezers, vooral in Nederland, achter me hebben. Een fantastisch publiek trouwens. Het beste van de wereld. Het staat open voor wat ik maak. Mijn relatie met het publiek is totaal in tegenspraak met wat men uit de media zou kunnen concluderen."

Omdat anderen het niet doen, steekt de auteur zelf maar een pluim op zijn hoed.

"Ik kan een zin neerschrijven, die de lezer doet opveren, opdat hij zich afvraagt: 'He, wat gebeurt er?' Dat is het moeilijkste van al. Dat moet je kunnen. Je moet overkomen. Je moet op het niveau van het onbewuste van mensen kunnen schrijven."

Daarmee raakt Lampo de kern van zijn schrijverschap: het magisch-realisme en de verklarende archetypen-theorie van de Zwitserse psycholoog Carl Gustav Jung. Volgens die theorie beschikt ieder mens naast instincten over bepaalde collectieve, onbewuste, oeroude beelden, die van generatie op generatie worden doorgegeven. Ze openbaren zich volgens Lampo "op momenten dat het gepast is, als de mens in nood is, bij voorbeeld." Tot de archetypen rekent hij onder meer: goden, engelen, heksen, tovenaars, reuzen, dwergen, geesten, spoken, de vader, de moeder, de anima (het ideaalbeeld van de vrouw), water, vuur, aarde en lucht, maar ook dieren als de vos, de leeuw en de slang.

De verbeelding speelt in het magischrealisme een essentiele rol. "Al begin ik altijd realistisch" , legt Lampo uit. "De magische, archetypische elementen komen los uit gedachtenassociaties. Een magisch-realistisch boek verzinnen, compleet met structuren, kan ik niet. Ik weet voordat ik aan een boek begin geen bal van structuur af. Dat klinkt ongelooflijk, en zelfs slordig en onprofessioneel. Maar meestal heb ik in eerste instantie alleen een vaag idee. Zo schrijf ik, al associerend, naar het einde toe. Men zal in mijn nalatenschap vergeefs zoeken naar schetsen van mijn boeken. Die zijn er eenvoudig niet. Ik schrijf van de eerste naar de laatste letter. Kladversies ken ik niet. Transformaties en doorhalingen komen in mijn werk nauwelijks voor."

Lampo heeft niet echt een verklaring voor het feit dat hij als magisch-realistisch auteur niet of nauwelijks navolging gekregen heeft. "Misschien is het een intellectualistische richting die de Nederlandstalige auteurs niet ligt. Nederlanders zijn wellicht te nuchter om op deze manier te schrijven. U moet er ook voor in de wieg gelegd zijn en er plezier in hebben. Misschien heeft mijn Brabantse, Franse, Spaanse afkomst er iets mee te maken."

Mevrouw Lampo schudt misprijzend het hoofd: "Mijn man is veel te bescheiden. Ik zeg het. Russische literatuurprofessoren, die het werk van Hubert hebben gelezen, schreven ons brieven, waarin ze hem complimenteerden met zijn 'onovertrefbare verbeelding'. Dat is het. Waarom schrijft verder niemand magisch-realistisch? Omdat niet iedereen dat kan."

Lampo gaat er in elk geval mee door tot zijn laatste dag. "Wie weet, laat ik wel mijn memoires na. Waardoor ik mijn critici nog eens vanuit mijn graf een koude hand aan hun gat kan leggen, zoals wij dat in het Vlaams zeggen."

Na het interview vergezelt het echtpaar Lampo zijn gesprekspartner naar de binnenstad van Antwerpen. In de Hoogstraat wijst mevrouw Lampo plotseling op een poster achter een winkelruit, waarop Hugo Claus en Harry Mulisch zijn afgebeeld in hun zwembroek op het strand. De foto dateert van meer dan dertig jaar geleden en dient als aankondiging van een dubbelinterview met beide schrijvers in het Belgische weekblad Humo. "Dat heeft mijne man niet nodig" , roept mevrouw Lampo, "om zijn boeken te verkopen: in zijn onderbroek op een poster gaan staan." Haar echtgenoot spreekt haar niet tegen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden