Review

Hoog 'Hollands' gehalteRotterdamse Kunsthal herziet rolbepaling van 'tweede garnituur'beeldende kunst

ROTTERDAM - Weidse perspectieven om bij weg te dromen, idylles van herkauwend vee die een vreedzame sfeer uitstralen, schone jonge dames in gedachten verzonken met gevoel voor melancholie neergezet: er zijn genoeg redenen om de populariteit van de Haagse School met zijn hoge Hollandse gehalte te verklaren. Hun schilderijen zijn de laatste decennia niet weg te denken uit de Nederlandse musea, goed als ze zijn voor lange rijen bezoekers.

De Kunsthal in Rotterdam, immer op zoek naar het grote publiek, gaf zich zelf dan ook een toepasselijk cadeautje ter gelegenheid van haar vijfjarig bestaan. Puttend uit de rijke collectie van het momenteel gesloten Haags Gemeentemuseum stelde ze een mooi overzicht samen, dat niet alleen met schilderijen maar ook met tekeningen bijzonder instructief uitpakt.

Waarbij tevens een beroep werd gedaan op particulieren die de Haagse School zo graag verzamelen, een weerzien met uit de handel bekende 'geliefden'. Veel meer is er niet voor nodig om een presentatie als deze tot een succes te maken.

Het Haagse museum wilde als mede-organisator geen doublures met de vele exposities die in de jaren '80 werden gehouden. Toen werd zelfs een overzicht vanuit Nederland naar het buitenland op reis gestuurd. In het Parijse Musée d'Orsay leidde de belangstelling voor de Nederlandse versie van het impressionisme zelfs tot een permanente presentatie van het eigen bezit. De internationale roem van de Haagse Scholers, die van meet af aan zo Frans geöriënteerd was, werd daarmee opnieuw bevestigd.

Nu te zien is een overzicht dat niet zo zeer in de breedte gaat, maar verdieping geeft aan de belangrijkste vertegenwoordigers. Daarbij worden enkele opvallende accenten gezet op het verschijnsel van de Haagse School. Die omvat nu niet meer dan zestien schilders: Johannes Bosboom, Willem Roelofs, Jozef Israëls, Jan Hendrik Weissenbruch, Paul Gabriël, Hendrik Mesdag, Jan de Haas, Alexander Mollinger, Philip Sadée, Jacob Maris, Gerard Bilders, Anton Mauve, Matthijs Maris, Willem Maris, Abert Neuhuys en Bernard Blommers.

Die opvattingen komen voort uit een nieuwe kijk op de schildersbeweging, die gezocht moet worden bij de samenstellers. Niet John Sillevis, de erkende negentiende eeuwse kunst-expert bij het Haagse museum, maar hoofdconservator schilderkunst Hans Janssen tekende samen met Kunsthalcurator Wim van Sinderen voor de selectie. En dat betekent toch net iets andere keuzes.

Veel spelingsruimte hadden ze natuurlijk niet. Doorwrochte studies over de Haagse School (de legendarische Mej. Marius aan het begin van de eeuw, later gevolgd door de al even vermaarde dr. Jos. de Gruyter) hebben het beeld van het Hollandse impressionisme voorgoed vastgelegd. Zij, en ook Janssen, grijpen terug op de 'grondlegger' van het Haagse fenomeen, de jonge kunstcriticus Jacob van Santen Kolff, die voor het eerst in 1875 gewag maakte van 'een nieuwe ultra-radicale beweging in de schilderkunst'. Deze schilders zochten naar stemming, naar verbeelding van de werkelijkheid, de waarheid. Daarmee zouden ze realisten (à la Courbet en Corot) zijn geweest, als ze niet de voorkeur gaven aan de toon boven de kleur. De Haagse Scholers zijn tonalisten, dat wil zeggen, ze gaan in hun voorstelling van één kleur uit. Omdat ze naar buiten trokken - in het derde en laatste kwart van de vorige eeuw raakte het 'plein air schilderen' in zwang - werden ze met typisch Nederlands (regen)weer geconfronteerd. Bij de vroegste Haagse Scholers als Anton Mauve en Willem Roelofsz, maar ook bij J.B. Jongkind, die als de geestelijke vader van de Haagse School wordt beschouwd, is het vaak mistig, waait je een sluier van regen tegemoet.

De Rotterdamse expositie zet echter wel een paar vraagtekens bij die ontstaansgeschiedenis. Is de Haagse School niet veel meer een product van de sociale omstandigheden en ligt ze niet veel meer in het verlengde van een geschiedenis die tot op de 17de eeuw teruggaat, zo stelt Janssen. Hij wijst op het wegvallen van het mecenaat in de 19de eeuw, zodat kunstenaars werden gedwongen veel meer hun eigen weg te gaan en meer openstonden voor vernieuwende tendensen. Om samen sterk te staan richtten ze kunstenaarsverenigingen, het Haagse Pulchri Studio was er één van. Daarnaast was er een heroriëntatie op de puur Hollandse schilderkunst, zoals die al sinds de 17de eeuw werd bedreven. In de romantiek heerste al zo'n identiteitscrisis: de kwaliteit werd ook toen al gezocht in het landschap. Voeg daar het traditionele veestuk bij (de Stier van Potter als metafoor voor Hollands welvaren) en je hebt de ingrediënten waarmee de Haagse Scholers aan de slag gingen. Hele schaapskudden daverden over de hei en daarmee ook door de musea, een thema waarmee zowel Mauve als Van Gogh nog wel raad wisten. Neem ook de herkauwende koe: van Potter, Hobbema en Van Ruysdael loopt er een regelrechte lijn via P.G. van Os en B.C. Koekkoek naar L. de Haas, A. Mollinger, Willem Roelofs en Willem Maris.

De Haas en Mollinger ? Zij werden tot voor kort beschouwd als twee mindere goden in het met zulke sterke namen bezette repertoire, maar op deze expositie worden ze prominent naar voren geschoven. Mollinger, bij De Gruyter een zijlijn ('Wat Mollinger aan de Haagse School bindt ligt meer nog in het persoonlijke dan in het schilderkunstige vlak'), wordt een hoofdrolspeler in Rotterdam. En inderdaad, een echte schilder van Hollandse polderlandschappen. Steeds zonnig, met een coloriet dat naar Corot verwijst en beslist niet grijzig van toon. De Haas is op zijn best een smeuiïg koeienschilder, maar zijn plaats ligt toch niet temidden van de Hagenaren. Daarvoor verkeerde hij geografisch gezien toch te zeer aan de periferie van de Haagse schilderswereld. Bovendien maakte hij zich in één bijzonder opzicht ondergeschikt aan de schilders Gabriël en Roelofs wiens landschappen hij met vee stoffeerde.

Afgezien van deze twee 'her-ontdekkingen' hebben de samenstellers zich in hoofdzaak gericht op wat zij als de kern zien van het Haagse fenomeen. Die keus gaat ten koste van alles wat maar in de verste verte als 'tweede generatie' of erger nog, als 'tweede garnituur' wordt beschouwd. Geen Gerrit van Houten derhalve, geen Geo Poggenbeek, J.H. Akkeringa, Théophile de Bock, Floris Arntzenius, Willem de Zwart, Pieter Ter Meulen of W. C. Rip. Om over D.A.C. Artz, Wouterus Verschuur en Louis Apol maar te zwijgen.

Zij worden nu onverbiddellijk naar de eerste divisie verwezen. Het uiteindelijke beeld dat zo van de Haagse School wordt gegeven, is daar niet geheel compleet mee. Maar dat hoef je na de vele presentaties in de voorgaande jaren ook niet echt te betreuren. Wel wordt het tijd voor een aantal monografische exposities: welk museum gaat Anton Mauve, Jozef Israëls, de Marissen, Johannes Bosboom of Bernard Blommers presenteren?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden