Hongaarse literatuur

Hongarije was voor mij lange tijd slechts een achternaam, een opgetrokken wenkbrauw

Auteur Sándor Márai

De opa van schrijfster Lieke Kézér belandde na de Eerste Wereldoorlog in Brabant. Via de romans van Sándor Márai komt ze dichter bij zijn verleden.

Bij aankomst kregen ze witbrood met hagelslag, de Hongaarse kinderen die in 1921 na een meerdaagse treinreis in Utrecht arriveerden. Ze waren geselecteerd voor een vakantie van enkele maanden bij Nederlandse pleeggezinnen. Hier zouden ze kunnen aansterken, ze zouden naar huis terugkeren met vlees op de botten en een blos op het gelaat.

Hongarije was een van de grote verliezers van de Eerste Wereldoorlog. Na een militaire nederlaag aan het Italiaanse front kwam er in de zomer van 1918 een einde aan de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Hongarije raakte krachtens het verdrag van Trianon tweederde van zijn grondgebied kwijt aan nieuwe staten als Tsjechoslowakije en Roemenië. Families raakten hierdoor gescheiden, van de tien miljoen Hongaren kwamen er drie miljoen buiten de eenzijdig bepaalde grenzen terecht. Een aantal grote steden ging verloren, net als de meeste mijnen, bossen en industriegebieden. Het spoorwegennet werd lamgelegd en Hongarije raakte de enige zeehaven kwijt. De economie stortte in één klap in elkaar, wat een schrijnende armoede en bestaansonzekerheid tot gevolg had. Toen mijn overgrootouders hoorden van het Centraal Comité voor Hongaarsche Vacantiekinderen, besloten zij hun jongste zoon aan te melden. Karoly was elf toen hij in Hatvan op de trein werd gezet, hij zou zijn familie nooit meer zien.

Mijn opa bracht zijn jeugd door bij een pleeggezin in het Brabantse Vorstenbosch, doorliep de Landbouwschool, werd boer (maar wel een die nooit vieze handen had, volgens mijn vader), trouwde en kreeg veertien kinderen. Hij ontving een onderscheiding – De Rechtvaardigen onder de Volkeren – van Yad Vashem, de officiële staatsinstelling van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers van de Holocaust en de redders van de Joden, omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog Joodse vluchtelingen liet onderduiken op zijn boerderij.

Hij heeft de Hollandse polders nooit verlaten, contact met zijn familie had hij niet. Zijn Hongaarse verleden zweeg hij dood. Karoly Kézér overleed negen dagen voor mijn geboorte en elke herinnering aan zijn vaderland nam hij mee in zijn graf. Een zoektocht van zijn kinderen naar Hongaarse familieleden in de jaren erna leverde niets op.

Kan ik wel om mijn familieverhaal heen?

Hongarije was voor mij lange tijd slechts een achternaam, een opgetrokken wenkbrauw als ik bij de douane op Schiphol mijn paspoort liet controleren, de vraag van iedere leraar op school hoe ze Kézér uit moesten spreken. Op vragen over mijn afkomst haalde mijn vader zijn schouders op, antwoorden heeft hij niet. Maar steeds vaker dringt de geschiedenis van mijn opa zich aan me op. Kan ik, als schrijver, wel om mijn eigen familieverhaal heen? En wil ik dat wel?

De afgelopen jaren verdiepte ik me in het werk van Hongaarse schrijvers, dat verweven is met de bloedige geschiedenis van Centraal-Europa in de twintigste eeuw. Imre Kertész, Albert Wass, György Konrád… Sándor Márai spreekt me het meest aan. Net als mijn grootvader verliet hij op jonge leeftijd zijn ouderlijk huis. In zijn autobiografie ‘Bekentenissen van een burger’ vertelt hij over het besef van isolement, hoe hij louter op zichzelf terug kon vallen. Later, in 1948, ontvluchtte hij zijn land vanwege het communisme, een ballingschap dat de rest van zijn leven zou duren. Márai leidde een leven tussen twee historische tijdperken in, zwervend over de wereld zonder ooit nog huiswaarts te keren. Zijn boeken schreef hij in zijn moedertaal, zijn taal was immers het enige wat men hem niet af kon nemen, maar ze bereikten slechts een klein publiek omdat ze in het communistische Hongarije werden geweerd. Hij woonde afwisselend in Italië en de VS en pleegde in 1989 op 88-jarige leeftijd zelfmoord nadat de eenzaamheid hem na het verlies van zowel zijn vrouw als zijn zoon te veel was geworden. Tien jaar na zijn dood beleefde zijn werk een spectaculaire wedergeboorte toen zijn kleine roman ‘Gloed’ in het Duits verscheen en een bestseller werd.

Márai is een geweldig schrijver, ik kan zijn boeken van harte aanbevelen. Mij brengen ze iets dichter bij mijn opa. Want dat raadselachtige verhaal van Karoly Kézér, dat brandt inmiddels in mijn schrijvershart. Maar zou deze man, die zelfs met zijn kinderen geen woord sprak over zijn Hongaarse verleden, wel willen dat ik zijn geschiedenis ontrafel en op papier zet?

Lees ook:

Waarom krijgt Balkan-literatuur amper voet aan grond in Nederland?

Waarom breken schrijvers uit de Balkan bij ons amper door? Een gesprek met Guido Snel, docent Europese literatuur aan de UvA.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden