column

Hoe zien we het kwaad onder ogen zonder er zelf aan onderdoor te gaan?

Beeld Maartje Geels

Het klonk, op de lentedag dat we de genocide in Rwanda herdachten, als een kleiner maar niet minder gruwelijk verhaal uit donker Afrika: de stroper die door de ­olifant werd gedood en wiens lijk door leeuwen werd opgevreten, zodat parkwachters de volgende dag slechts zijn schedel en een broek vonden. 

Ik ben ook in het Krugerpark, waar het gebeurde, geweest. Keurig safaripark, ­geasfalteerde wegen, prima lodges, we hebben er nog een gewond schildpadje in de berm ­gelegd al mocht dat niet (‘Het is verboden de dieren te verplaatsen’).

Maar ook in het paradijs heerst nog de ­gruwel. De ene dag een column over de lente, de volgende dag eentje over roofzucht. Hoe moeten we ermee omgaan? Het is een van de grote opdrachten van het menszijn, we moeten het kwaad onder ogen zien, maar hoe doen we dat zonder er zelf aan onderdoor te gaan? 

Ik moet ook denken aan Theo Hiddema die vond dat het debat met minister Dekker over de moord op Anne Faber in de Tweede Kamer niet scherp genoeg gehouden kon worden, ­omdat Kamerleden zich inhielden vanwege de aanwezige familie. Moeten we ons inhouden of er vol ingaan, met gruwelijke details en al?

De rede stokt

De vraag spookt al zolang ik bij bewustzijn ben door mijn hoofd. Eerst de verhalen in de Bijbel over satan, daarna die over de Holocaust, later die over alledaagse verkrachtingen en moordpartijen. Ik kan er nauwelijks tegen, maar om een of andere reden hoor ik ze toch aan. De Franse filosoof Bataille heeft er veel en indringend over geschreven. Zijn biografen veronderstellen dat hijzelf, een vriendelijk en hoffelijk conservator, aan doodsangsten leed en om de ontluistering van de dood voor te blijven gruwelen opriep en in beeld bracht, als een soort offerande haast, denk ik er zelf bij.

In zijn boek ‘De tranen van Eros’ staat een foto van een Chinees die in stukken wordt gehakt en intens lijdend, maar tegelijkertijd met een haast extatische blik (van verlossing?) ten hemel kijkt. Niet om aan te zien. De rede stokt.

Schlegel probeerde er toch iets op te vinden: ‘Slechts in de geestdrift om te vernietigen openbaart zich de betekenis van de goddelijke schepping. Slechts te midden van de dood flitst de bliksem van het eeuwige leven’. Ook een manier om leven en dood, goed en kwaad met elkaar te verzoenen. Maar hoeveel filosofen ik er ook over lees, hoeveel foto’s en films ze me er ook over voorschotelen, het blijft een onverdraaglijk opvoedingskamp. In de dystopische film ‘A clockwork orange’ wordt veelpleger Alex gedwongen, terwijl hij misselijk gemaakt is, naar extreme geweldfilms te kijken, opdat hij telkens als hij zelf geweld wil toepassen misselijk wordt. De vraag luidt: is een gedwongen bekering wel een echte bekering? Aan het eind begaat Alex toch opnieuw weer misdaden, maar hij beleeft er geen plezier meer aan. 

Misschien gloort daar het begin van een utopie, waarin dr. Freud werkeloos is geworden: een tuin waarin geen lusten, wat voor lusten ook meer zijn, een plek voor robots zonder zin in iets.

Moet ik ook niet aan denken, maar misschien is het denken daar dan ook wel voorbij.

Rob Schouten 

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden