Review

Hoe te schrijven over de hel

Luttele jaren na Nederland maakt nu Duitsland kennis met het proza van de Russische schrijver Varlam Sjalamov (1907-1982). „Er ging een golf van schrik en verbijstering door de boekenbijlagen”, schrijft Antoine Verbij. En velen erkennen dat Sjalamov nieuw licht werpt op de vraag hoe vernietigingsmachines als Auschwitz en de Goelag konden ontstaan.

Antoine Verbij

In Magadan wonen voornamelijk mensen die te arm zijn om er weg te trekken. De stad en het enorme achterland langs de rivier de Kolyma zijn een wereld in verval. Niemand die er nog geld in steekt. Fabrieken zijn vervallen, bibliotheken, musea en theaters sluiten, scholen storten in. Alleen aan de rand van de stad is iets nieuws gebouwd. Een katholiek kerkje.

Pastoor Michael Shields heeft de stem van God gevolgd, zegt hij tegen een verslaggever van de Duitse zender SWR. Toen hij er voor het eerst kwam, in 1989, wist hij niet hoe snel hij er weg moest komen. Hij was geschokt door de troosteloosheid van de stad waaruit het communisme wegtrok en waarvoor het kapitalisme geen belangstelling had. Terug in zijn vaderland, het welvarende Anchorage in Alaska, kwelde hem zijn geweten. Hij ging terug naar Magadan, stichtte er een parochie en bekommerde zich om de mensen.

Onder de huidige bewoners zijn veel voormalige gevangenen van Kolyma, een van de grootste afdelingen van de Goelagarchipel, het netwerk van Stalins strafkampen. Zij bleven, toen na de dood van Stalin in 1953 het ene kamp na het andere werd opgeheven. ’Vadertje Michael’ staat hen bij. Hij helpt hen wanneer ze de huur niet meer kunnen betalen. Hij schenkt hun een behoorlijke begrafenis. Hij verbouwt aardappelen voor hen. „Hier wonen mijn broeders en zusters”, zegt hij. „Hier wil ik blijven, hier wil ik sterven. Volgend jaar krijg ik het Russische staatsburgerschap.”

Magadan en de streek rond de Kolyma zijn, in de woorden van de Nederlandse kunstenaar en schrijver Armando, ’schuldig landschap’. Armando had het over de Holocaust. Maar als het om de grootste morele rampen van de twintigste eeuw gaat, strijden Holocaust en Goelag om de eerste plaats. En binnen de Goelag was Kolyma het meest gevreesde kampencomplex.

Magadan werd begin jaren dertig van de vorige eeuw gesticht nadat geologen rond de Kolyma gigantische bodemschatten hadden vastgesteld. In de grond zitten goud, platina, zilver, wolfraam, tin, koper, uranium, steenkool. Het klimaat is extreem. De zomers zijn kort en heet, de zon gaat nauwelijks onder. De winters zijn lang en ijzig koud, de zon komt nauwelijks op. Het kwik beweegt zich tussen plus dertig en min zestig graden Celsius.

In april 1932 arriveerde de eerste boot uit Vladivostok in Magadan. Aan boord ruim honderd gevangenen, begeleid door bewakers en vrijwillige arbeiders. De staatsonderneming Dalstroj, steevast geleid door generaals van de geheime dienst, begon met de ontginning van het gigantische gebied. Magadan werd het bestuurlijke centrum dat de aanleg van de honderden kilometers lange weg naar de bodemschatten rond de Kolyma organiseerde. Tot halverwege de jaren vijftig zouden er 870.000 gevangenen in Magadan arriveren om in het achterland in de mijnen te werken. 130.000 van hen stierven van uitputting, ziekte, honger en kou. Officieel zijn er 11.000 gevangenen om uiteenlopende redenen doodgeschoten.

Achter die cijfers gaat een gigantisch ’psychologisch experiment’ schuil, schrijft Varlam Sjalamov. De Dalstroj schiep een wereld waarin nieuwe, tot dan toe onbekende sociale verhoudingen, gebruiken en wetten heersten. De politieke gevangene Sjalamov arriveerde met de boot in Magadan op 14 augustus 1937. Hij behoorde tot de vroege slachtoffers van de grote zuivering die Stalin onder intellectuelen en andere potentiële dissidenten hield. In 1953, het jaar van Stalins dood en twee jaar na het einde van zijn straftijd, verliet Sjalamov het Kolyma-gebied.

„Is de vernietiging van de mens met behulp van de staat niet de kernvraag van onze tijd, onze moraal?” De schrijver Varlam Tichonovitsj Sjalamov, geboren in 1907, had veertien jaar hel overleefd. Terug in de gewone wereld wilde hij die doorgronden. Niet in poëzie, zoals hij tijdens zijn gevangenschap af en toe probeerde, maar in proza. Maar hoe schrijf je over de hel? Sjalamov wilde per se niet moraliserend schrijven. En ook niet literair. Voor zoiets uitzonderlijks als de Goelag moest hij, vond hij, een eigen procedé uitvinden.

Sjalamov knoopte aan bij procedés die hij van avant-gardistische schrijvers uit de jaren twintig kende. Een kale, objectiverende stijl, zonder metaforen, zonder psychologie, zonder oordelen, maar ook zonder distantie, reflectie of ironie. Zijn manier van schrijven is louter documenterend. Sjalamov concentreert zich volledig op de precieze beschrijving van dingen, gebeurtenissen, handelingen en toestanden. Zijn ’fysieke’ stijl is vaak vergeleken met die van Isaak Babel, voor wie schrijven vooral uit schrappen bestond. Zelf zegt hij over Babel dat hij eens al het overbodige uit een van diens verhalen had weggestreept. Er bleef nagenoeg niets over.

Zie hoe Sjalamov beschrijft hoe de ene gevangene de andere vermoordt. „Sasjka bukte snel en haalde iets uit de schacht van zijn viltlaars. Toen strekte hij zijn hand naar Garkoenov uit. Garkoenov steunde kort en zakte naar opzij in elkaar.” De afstand tussen het geschrevene en het beschrevene is minimaal. Er zit niets tussen van opsmuk, mededogen of moraal. ’Nieuw proza’ noemde Sjalamov dat kortaf. „In het nieuwe proza – na Hiroshima, na de vernietiging in Auschwitz en op het galgenveld van Kolyma, na de oorlogen en revoluties – is geen plaats meer voor didactiek. De kunst heeft het recht op preken verspeeld. Niemand heeft het recht iemand te beleren.”

In dezelfde passage spreekt hij ook over ’de dood van de roman’. Je gelooft Sjalamov eerder dan al die modieuze theoretici die hetzelfde hebben beweerd. Sjalamov laat de roman onder zijn handen sterven. Hij geeft de lezer geen ruimte voor overpeinzingen of verbeelding, hij ontneemt hem iedere kans op ontsnapping.

„Postnikov loste een schot uit zijn Mauser en doodde de vluchteling. Ze besloten hem niet naar het dorp te slepen, maar hem in de taiga te laten liggen. Postnikov pakte een bijl en hakte de beide handen van de vluchteling af zodat de registratieafdeling vingerafdrukken kon nemen. Hij stopte de dode handen in zijn tas en ging naar huis om een rapport te schrijven.”

„God is dood, waarom zou de kunst dan nog leven?”, schrijft Sjalamov. Ook dat klinkt overtuigender uit de pen van iemand die de dood van God zelf heeft beleefd dan uit die van studeerkamerfilosofen. In het kamp verandert een mens binnen drie weken in een beest, schreef Sjalamov herhaaldelijk. Daar tellen God noch gebod en zelfs van denken is geen sprake meer. „Ik heb niet één keer een gedachte van betekenis gehad”, schreef Sjalamov over zijn kamptijd. „Zelfs niet over de dood. Meer dan door gedachten over de dood werd ik in beslag genomen door gedachten over het middageten, de kou, het werk.”

Het beste bewijs dat de roman dood is, levert volgens Sjalamov Alexander Solzjenitsyn. Diens boeken over de Goelag vond hij belerend en moraliserend, net als de negentiende-eeuwse romans van Dostojevski en Tolstoj.

Er valt niets te leren van de Goelag, vindt Sjalamov. „Het kamp is een negatieve ervaring, een negatieve leerschool, het heeft op iedereen een vernietigende uitwerking.” En hij voegt eraan toe: „De mens zou het niet moeten kennen, zou er zelfs niet over moeten horen.”

Dat laatste kenmerkt Sjalamovs ambivalente houding tegenover zijn eigen proza. Steeds weer schreef hij over de zin van kampliteratuur. Heel vaak twijfelde hij aan het nut. Ooit schreef hij zelfs dat na de afrekening door Chroesjtsjov met Stalin in 1956 de kampen eigenlijk geen belangrijk onderwerp meer waren. Maar dat beweerde hij toen overal het debat over Solzjenitsyns kampverhalen woedde en hij zich van hem wilde distantiëren. Diens humanisme kon hem gestolen worden. „Ik heb er geen zin in, door de mensheid te worden omarmd.”

Ondertussen werkte hij voort aan zijn verhalencyclus over Kolyma. En terwijl Solzjenitsyn zich in het Westen als morele overwinnaar van het stalinisme liet vieren, maakte Sjalamov zich in Moskou kwaad over de illegale publicatie van zijn verhalen in Duitse ’anti-Sovjetblaadjes’. „Ik ben een eerzame burger van de Sovjet-Unie”, liet hij in een open brief weten. Het gevolg was dat zowel in de Sovjet-Unie als in het Westen zijn verhalen over Kolyma mondjesmaat verschenen, en niet in de strenge samenhang die hij zelf had bedacht.

Sjalamov stootte iedereen van zich af. Zijn dochter, zijn vrouw, zijn collega-schrijvers. Solzjenitsyn was diep geschokt toen hij in postuum verschenen dagboekfragmenten las hoezeer Sjalamov hem haatte. Sjalamov verbitterde, vereenzaamde, verarmde en verkommerde. In 1982 meenden artsen dat de inmiddels dove en blinde Sjalamov dement was. Ze sloten de 75-jarige op in een inrichting, waar hij enkele dagen later stierf aan een longontsteking die ze over het hoofd hadden gezien.

Sjalamov had het vaak over de eenheid van leven en literatuur. Die was bij hem bijna volmaakt. Zoals hijzelf zijn naasten afstootte, zo stoot zijn proza zijn lezers af. Het lezen van zijn ’Berichten uit Kolyma’ is een beproeving. In elk verhaal resoneert de volledige verschrikking van het kampleven. „Na elk verhaal wil je niet meer verder lezen”, zei een Duitse recensent onlangs. „Tegelijk weet je dat je móét.”

Omdat ze in Duitsland pas enkele maanden geleden zijn begonnen met de volledige publicatie van Sjalamovs verhalen, zijn de reacties daar vers en onbelast. Er ging een golf van schrik en verbijstering door de boekenbijlagen.

Aanleiding voor de uitgave was de honderdste geboortedag van Sjalamov. Een symposium en een boek met beschouwingen van en over Sjalamov – ’Das Lager schreiben’ – begeleidden de uitgave. Luttele jaren later na Nederland, waar ’Berichten uit Kolyma’ in twee delen verschenen in 2000 en 2006, ontdekt nu Duitsland het werk van Sjalamov.

Opmerkelijk effect van de uitgave is dat het Duitse taboe op het vergelijken van Hitlers en Stalins kampen doorbroken lijkt – een taboe dat sinds de geruchtmakende Historikerstreit van eind vorige eeuw het debat verlamde. Velen erkennen dat Sjalamov nieuw licht werpt op de vraag hoe vernietigingsmachines als Auschwitz en de Goelag (’Auschwitz zonder ovens’) konden ontstaan. En ze prijzen Sjalamov als een schrijver wiens werk duurzamer bijdraagt aan het doorgronden van de twintigste-eeuwse verschrikkingen dan de morele beleringen van Solzjenitsyn.

Solzjenitsyn mag dan in de jaren zeventig met zijn monumentale ’Goelagarchipel’ voor een schok hebben gezorgd en de westerse bewonderaars van de Sovjet-Unie ernstig in verlegenheid hebben gebracht, Sjalamov is de schrijver die het drama van de Goelag voor de toekomst heeft vastgelegd. En dat komt niet alleen doordat hij grotere ontberingen doorstond dan Solzjenitsyn. Juist zijn documentaire methode en zijn weigering om te beleren maken hem tijdlozer dan de prekerige Nobelprijswinnaar.

Er is nog een punt waarop Sjalamov grotere scherpte tentoonspreidt dan zijn collega-schrijver. Dat betreft het effect dat de kampen hadden op de Russische samenleving. Het stalinisme heeft volgens schattingen tussen de 9 en 21 miljoen slachtoffers geëist. In bijna elke Russische familie leven herinneringen aan Stalins kampen. Dat tekent een samenleving. Zolang die ervaringen niet zijn verwerkt, en dat zijn ze niet, leeft de Goelag voort in hoe mensen tegen elkaar en tegen de samenleving aankijken. Stalins dictatuur heeft meer gedaan dan individuen in kampen van hun menselijkheid beroven, ze heeft de moraal van een natie duurzaam ondermijnd.

Het scharnier tussen kamp en samenleving vormden de criminelen. Zij waren in de ogen van Sjalamov degenen die de moraal buiten werking stelden en in plaats daarvan een eigen code installeerden, een moraal aan gene zijde van de moraal.

In zijn ’Berichten uit Kolyma’ staat een verhaal dat eigenlijk geen verhaal is maar een lange verhandeling over de wetten van het criminele milieu. ’Oplichtersbloed’ heet die verhandeling. Daarin bespreekt Sjalamov nuchter en gedetailleerd de regels en riten van de criminele kaste, aanvankelijk zonder naar de kampen te verwijzen. Pas aan het eind blijkt dat het Sjalamov erom gaat te tonen hoe criminelen in de kampen iedereen de wet voorschreven, de bewakers en de kampleiding incluis.

Ze logen en bedrogen, stalen en persten af, mishandelden en moordden, verrieden en verlinkten, chanteerden de kampleiding, weigerden werk, eisten toezichtfuncties op, eigenden zich het beste eten toe, de beste plaatsen in de barakken, en dwongen andere gevangenen tot allerlei diensten, ook seksuele. Zij stichtten orde en hiërarchie. Iedereen die niet tot hun streng afgeschermde kring behoorde, was een ’kneus’, een ’sul’, een ’burger’. Helemaal onderaan in de hiërarchie stonden de politieke gevangenen, de intellectuelen, hun favoriete objecten van vernedering. Die waren hooguit voor één dienst goed: het vertellen van verhalen, vaak bekende romans, ter vermaak van de zuipende penoze.

Niet de bewakers maar de criminelen waren volgens Sjalamov de eerstverantwoordelijken voor het systeem van ontmenselijking. Het hele kampleven was doordrongen van hun morele perversie. De bewakers waren slechts hun willige medeplichtigen. ’De vernietiging van de mens met behulp van de staat’ liet de Sovjet-Unie over aan de kaste van beroepsmisdadigers.

Bijna in elk van Sjalamovs verhalen treedt die rol van de criminelen aan het licht. Waarom hij er dan ook nog een aparte verhandeling aan wijdt, is voor de lezer niet meteen duidelijk. In ’Das Lager schreiben’ blijkt waarom hij dat deed. Achter zijn verhandeling gaat een polemiek schuil over de rol van criminelen in de Russische samenleving. En in die polemiek is Solzjenitsyn voor Sjalamov de steen des aanstoots.

Solzjenitsyn heeft zich volgens Sjalamov de visie van de Sovjetautoriteiten op criminelen eigengemaakt. In die visie zijn criminelen, anders dan politieke gevangenen, heropvoedbaar. Misdadigers hebben in wezen een ’sociale natuur’ die valt ’om te smeden’ in een voor de ’Sovjet-mens’ bruikbare vorm. Sjalamov vindt dat die visie de absolute verdorvenheid van de misdaadwereld miskent. Tegen die miskenning voert Sjalamov een bijna hysterische strijd. Vooral in de literatuur, zowel bij Dostojevski en Tsjechov als bij Solzjenitsyn, ziet hij een hardnekkige neiging om misdadigers te romantiseren.

„De ontmaskering van die schier onuitroeibare legende”, noemt hij als een van de belangrijkste taken van zijn ’nieuwe proza’. Toen hij nog met Solzjenitsyn op goede voet stond, heeft hij hem er een- en andermaal op gewezen dat hij in zijn kampverhalen de rol van de ’criminele aristocratie’ schromelijk onderschat. De criminelen krijgen althans niet de rol die ze volgens Sjalamov hebben: die van onaantastbare usurpators, die iedereen die in hun machtsbereik komt van zijn menselijkheid beroven en hem tot een dier reduceren dat zich nog maar om één ding bekommert: het naakte overleven.

De grootste tragedie is dat de criminele kaste niet alleen in de kampen heerst maar ook in de samenleving. In de Sovjet-Unie, maar ook in het Rusland van daarvóór en daarna, hebben criminele milieus altijd gefloreerd. Dat komt, zo beweren sociologen, doordat de kampen, de tsaristische én de stalinistische, steeds uitstekende scholen bleken voor de socialisatie tot beroepsmisdadigers. Dat verschijnsel is door de Russische overheid, en vooral ook door het Sovjetregime veronachtzaamd. De klassevijand was altijd het grotere kwaad in vergelijking met de crimineel.

In de jaren vijftig, toen de kampen geleidelijk werden opgeheven, keerden criminelen massaal terug in de Russische samenleving. De criminele kaste nestelde zich in het hart van de Sovjetmaatschappij. Sjalamov zag met ontzetting hoe de kwelgeesten uit de kampen de moraal van ’eerzame Sovjetburgers’ ondergroeven. Het verontrustte hem dat in kranten en tijdschriften maar ook in de literatuur steeds weer criminelen werden opgevoerd die zich tot Sovjethelden lieten ’omsmeden’.

In Sjalamovs verhalen zijn criminelen onverbeterlijk. „Criminelen zijn geen mensen”, luidt zijn lapidaire stelling. Met hun moraal aan gene zijde van de moraal plaatsen ze zich buiten de mensheid. De enigen in de kampen die zich mensen mogen noemen, zijn degenen die alle vernederingen en verschrikkingen doorstaan door zich vast te klampen aan de simpele wil tot overleven. Gereduceerd tot dieren overstijgen ze op die manier het dierlijke, want geen dier overleeft wat zij doorstaan.

In zijn bijdrage aan ’Das Lager schreiben’ wijst de Russische filosoof Michail Ryklin op de kloof die Sjalamov van Solzjenitsyn op dit punt scheidt. Solzjenitsyn prijst in zijn kampverhalen de overlevingskunst van de criminelen. Hij toont waardering voor hun trots en voor hun handigheid anderen voor hun behoeften en geneugten te misbruiken. Laatdunkend spreekt hij over degenen die „hun hoofd laten hangen en als slaven sterven” – precies die kampbewoners die in Sjalamovs verhalen hun menselijkheid redden door te weigeren zich te corrumperen.

Sjalamovs helden zijn gevangenen zoals hijzelf die, beroofd van moraal en menselijkheid, het vege lijf probeerden te redden. Solzjenitsyns helden zijn gevangenen zoals hijzelf, religieus bevlogen dissidenten die zich opwierpen als martelaars voor moraal en menselijkheid.

De overlever Solzjenitsyn poseerde sindsdien als redder van Rusland en van de hele mensheid. Sjalamov trok zich terug in zijn grimmige wereldbeeld van een gecorrumpeerde samenleving. Dat visioen, zo blijkt inmiddels, bevat meer waarheid dan Solzjenitsyns Russische evangelie.

In Magadan is het werkelijkheid geworden. Na de val van het communisme heeft een maffia van speculanten en profiteurs de laatste resten winst uit de op dwangarbeid gebouwde Dalstroj-onderneming geperst. Inmiddels hebben ze het zinkende schip verlaten.

Tussen de morele puinhopen van de jonge maar ten dode opgeschreven stad waart Vadertje Michael rond, een miniatuuruitgave van Solzjenitsyn, die met heilige ijver de achtergebleven Russen voor zijn katholieke moraal probeert te winnen. Zijn belangrijkste project: een pro-lifegroep waarin hij vrouwen die zes, zeven, acht abortussen achter de rug hebben, met hun gestorven foetussen probeert te verzoenen. Het kwaad heeft in Magadan overzichtelijke vormen aangenomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden