Review

Hoe slecht schreef Dostojevski?

Produceerde Dostojevski ’veredelde keukenmeidenromans’, zoals de slavist Karel van het Reve beweerde? Onzin, meent zijn vakgenoot Hans Boland. Wel heeft Reve’s oppervlakkige kritiek, afgekeken van Nabokov, veel invloed gehad. Tijd om iets recht te zetten: Dostojevski was een groot schrijver. Door zijn diepzinnige, christelijke visie. En door zijn stijl, al spot die met alle regels van de schrijversvakschool. Wie niet van Dostojevski houdt, heeft noch van het leven, noch van de woordkunst veel begrepen.

Hans Boland

Te oordelen naar de kortelings verschenen en nog op stapel staande nieuwe vertalingen van belangrijk werk van Fjodor Dostojevski (1821-81), tekent zich een kentering af in de waardering van deze schrijver, die met recht geldt als de meest controversiële ’klassieke’ Rus.

De beeldvorming over hem leek lange tijd te worden bepaald door onze nationale slavist, wijlen Karel van het Reve. Deze gaf regelmatig met de nodige humor lucht aan zijn grondige aversie jegens de auteur van een aantal van de beroemdste romans uit de 19de eeuw (’Misdaad en straf’, ’De idioot’, ’Boze geesten’, ’De broers Karamazov’).

Maar humor wijst niet per se op diepgang. In zijn roemruchte Huizingalezing van 1978 stak Van het Reve op geestige wijze de draak met de literatuurwetenschap, waarvan hij echter niet de minste weet had (noch ook wenste te hebben). Zijn veelgeroemde ’Geschiedenis van de Russische literatuur’ (1985) heeft misschien nog het meest weg van een karikatuur op de wetenschap, waarin privéstandpunten en open deuren elkaar afwisselen; onderbouwing met argumenten ontbreekt doorgaans. ,,Nooit is het mij gelukt door ’De Idioot’ heen te komen. Maar boeken als () ’Misdaad en straf’ houd ik voor meesterwerken.’’ Waarom de Geleerde Broer van Gerard die mening is toegedaan komt de lezer niet te weten. Door Dostojevski weg te zetten als ’een schrijver van veredelde keukenmeidenromans’ krijg je natuurlijk wel de mensen die van cabaret houden op je hand.

Van het Reves standpunten over Dostojevski lijken rechtstreeks overgenomen van Vladimir Nabokov, die de zijne ooit samenvatte in een essay dat vorig jaar in een Nederlandse vertaling verscheen onder de titel ’De kunst van het lezen’. Net als bij Van het Reve reiken Nabokovs wetenschappelijke pretenties weinig verder dan het navertellen van literaire teksten en het opleuken daarvan met grotendeels uit de duim gezogen ’anekdotes’.

Ook Nabokov heeft ogenschijnlijk de bedoeling humoristisch over te komen, maar in tegenstelling tot Van het Reve slaagt hij daar niet erg in. (Gelukkig wordt dit mankement in genoemde publicatie gecompenseerd door de relativerende dronkemansdialoog tussen de twee vertalers, die als nawoord fungeert.)

Nabokov hekelt enerzijds de inconsequenties binnen Dostojevski’s ideeënwereld en anderzijds de vulgaire, sentimentele en hysterische personages die zijn verhalen bevolken. Vooral ’Aantekeningen uit het ondergrondse’, dat onlangs in een uitstekende nieuwe Nederlandse vertaling verscheen, moet het ontgelden. Het is haast pijnlijk om gade te slaan hoe Nabokov als een blinde stier afstormt op een rode lap die hij voor de torero aanziet: hoe hij, met andere woorden, de ik-persoon van de roman verwart met de auteur. De ’ik’ mag dan vulgair enzovoorts zijn, maar de auteur sluit zijn werk af met superieure, dodelijke humor: ,,Hiermee eindigen de aantekeningen van deze liefhebber van paradoxen [dat wil zeggen de ’ik’] overigens nog niet. Hij kon het niet laten en ging maar door. Maar wij vinden dat we hier wel kunnen ophouden.’’

In werkelijkheid nemen de ’Aantekeningen’ een sleutelpositie in binnen Dostojevski’s oeuvre. Voor een enigszins adequate analyse ontbreekt mij op deze plaats de ruimte, maar de ’boodschap’ ervan die mij het meest aanspreekt is een zeer christelijke: zelfs een weerzinwekkend type als de ’ik’ van dit verhaal heeft recht op vergeving. Dostojevski zou dit thema in al zijn verdere werk ontwikkelen, waarbij hij het steeds in een ander licht plaatste.

Michaïl Bachtin, een briljant literatuurwetenschapper van het soort dat Van het Reve noch Nabokov zich verwaardigt te lezen, introduceerde het begrip ’polyfonie’ (veelstemmigheid) in relatie tot Dostojevski. De term verwijst naar het autonome functioneren van Dostojevski’s romanfiguren: zij volgen zozeer hun eigen gedachten en geven zozeer gehoor aan hun eigen verlangens dat de auteur stom en machteloos schijnt.

Dostojevski lezen is geen pretje. De grote meerderheid van zijn personages is vulgair enzovoorts, maar het wrange is dat je jezelf in elk van die nare en/of domme wezens herkent. Dostojevski’s literaire helden zijn stuk voor stuk een troosteloos spiegelbeeld van zijn lezer. ,,Wie Dostojevski geen groot schrijver vindt, heeft niet veel van het leven begrepen’’, schreef Bas Heijne in zijn voortreffelijke essay naar aanleiding van de recente nieuwe vertaling van ’De broers Karamazov’, waarvoor de vertaler de Martinus Nijhoffprijs ontving. Je zou aan Heijnes stelling kunnen toevoegen: ’() en van zichzelf misschien nog minder.’

Traditiegetrouw wordt Dostojevski ingedeeld bij de literaire stroming van het realisme. Men kan zich daarover verwonderen, want zijn romans puilen uit van situaties waarmee men in de werkelijkheid van alledag nooit zal worden geconfronteerd. Maar de kracht van Dostojevski’s werk komt voort uit een diepere laag van de werkelijkheid: het tegenstrijdige en irrationele. Daarom markeert ’Aantekeningen uit het ondergrondse’ een fundamentele fase in de ontwikkeling van zijn schrijverschap. Hij noemt de hoofdpersoon immers ’een liefhebber van paradoxen’; deze spreekt zichzelf voortdurend tegen, of liever: hij probeert zijn eigen inzichten telkens weer te ondermijnen met tegengestelde inzichten. Het is alsof in deze ene personage allerlei verschillende mensen elkaar bestrijden met hun eigen opinies en begeertes. Zelfs een- en dezelfde romanfiguur kan ’polyfoon’ zijn.

Tegenstrijdigheid is het cement van Dostojevski’s scheppingen. Elke waarheid blijkt binnen de kortste keren een leugen, en omgekeerd. Katerina houdt de ene seconde hartstochtelijk van Dmitri Karamazov, om hem een ogenblik later te haten met alles wat zij in zich heeft. In ’Boze geesten’ – dat te zijner tijd als ’Duivels’ zal verschijnen in de vertaling van ondergetekende – wordt de vrouwelijke hoofdpersoon Liza geïntroduceerd als een onbetwistbare schoonheid, maar nog geen twintig regels later is zij veranderd in een pure lelijkerd. Een typische Dostojevski-zin luidt: ,,Zo gaat dat met flegmatieke lieden, hoewel hij op dat moment verre van flegmatiek was.’’

Natuurlijk weten ook de leden van de ’anti-Dostojevski-club’, waar Van het Reve behalve zichzelf en Nabokov schrijvers als Gontsjarov en Toergenjev toe rekent, dat het paradoxale en onlogische welhaast conditiones sine qua non zijn voor de schone letteren. In arren moede bijten zij zich dan vast in de ’slechte stilist’ die Dostojevski zou zijn. ,,Het probleem ligt in de vorm, niet in de inhoud’’, beweert Nabokov, en even verder moppert hij: ,,De herhaling van woorden en zinsdelen, de obsessieve toonzetting, de honderd procent banaliteit van elk woord, de ordinaire welsprekendheid van de straatredenaar zijn de kenmerkende elementen van Dostojevski’s stijl.’’ Van het Reve noemt zijn schrijfstijl ’slordig’, en de kersverse Nijhoffprijswinnaar Langeveld vindt hem ’geen auteur die zich vlot laat lezen’ – al kun je dat niet zeggen van de vertaling.

De schrijver zelf was zich maar al te bewust van zijn eigen ’breedsprakigheid’ ,,Hoe kun je na Poesjkin die wartaal vertalen?’’, schreef een Petersburgse dichtervriend mij toen hij vernam dat ik mij gezet had aan het vertalen van ’Duivels’.

En het is waar, Dostojevski permitteerde zich als schrijver alles wat de schrijversvakschool verbiedt. Zinsneden als: ’Maar ik loop op de gebeurtenissen vooruit’ of ’Zoals ik eerder al vermeldde’ kúnnen natuurlijk niet – zelfs niet in 1875. En wat dacht u van breedsprakigheid als: ,,Het meest opvallend aan hem waren zijn onnatuurlijk grote, lange, wijde, dikke, ver van zijn schedel staande flaporen’’ (uit ’Duivels’)? Om maar helemaal te zwijgen van: ,,’Mevrouw!’ sprong hij op,’’ of drie maal het woordje ’al’ binnen één zin, of twee opeenvolgende zinnen die beginnen met ’Hoewel’ of met ’Maar nog voordat’. Is het geen grandioze paradox dat een dergelijk taalgebruik grootse literatuur kan opleveren?

Overigens vergeet men bij die laatste voorbeelden helaas dat Russisch een geheel andere taal is dan Engels of Nederlands, en dat de normen voor een goede of neutrale stijl vaak geheel anders liggen voor de verschillende talen. Ook Poesjkin, die algemeen wordt gezien als de beste stilist in de Russische letteren, kan twee zinnen achter elkaar met hetzelfde voegwoord beginnen, veel te veel – naar ónze smaak! – ’alletjes en maartjes’ gebruiken, enzovoorts.

Het is de taak van de vertaler om Nederlands van een Russische tekst te maken, niet om de Nederlandse lezer een pseudo-Russische stijl voor te schotelen. ’Maar hij meende echter’ is in het Russisch heel gewoon, in het Nederlands evenwel onacceptabel. Een vertaler dient daar iets op te verzinnen, en zich niet te verschuilen achter de eis van ’letterlijkheid’. Hij moet laten zien hoe prachtig – meeslepend en opwindend – Dostojevski schrijft.

Er is geen ’Russischer’ proza te vinden dan dat van Dostojevski, net zoals er geen ’Russischer’ ziel te vinden is dan die van de Karamazovs. Dostojevski’s unieke stijl is volledig in overeenstemming met zijn unieke verhalen. In de hele Europese literatuur is geen duidelijker voorbeeld te vinden van een ’inhoud’ die gelijk is aan de ’vorm’. Wie dat niet onderkent, heeft niet veel van de woordkunst begrepen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden