Hoe Remy Jungerman zich laat inspireren door Rietveld, Mondriaan én Winti en nu Nederland vertegenwoordigt

Remy Jungerman in zijn Amsterdamse atelier, waar hij werkt aan Mondriaanachtige ­installaties. Jungerman is een van de twee Nederlandse vertegenwoordigers op de Biënnale van Venetië. Beeld Arie Kievit

Voor het werk dat hij maakte voor de Biënnale van Venetië liet Remy Jungerman zich inspireren door de rituelen van zijn Afro-Surinaamse voorouders en de geometrische vormen van de kunstenaars van De Stijl. 

In zijn atelier in de Amsterdamse Bijlmer staat een bak met uitgedroogde klei met diepe scheuren erin. Zeshonderd kilo van die vette Hollandse  rivierklei wilde kunstenaar Remy Jungerman naar Venetië laten transporteren. Om die daar te laten drogen, zodat het eruit zou zien als een ‘droge rivierbedding’. “Maar voordat je dat doet, wil je wel eerst testen of het inderdaad zo uitpakt.” 

In het Nederlandse paviljoen in de Giardini in Venetië, waar komend weekeinde de Biënnale van Venetië opent, ligt nu de drooggevallen rivier, zoals Jungerman die voor ogen stond. Hij wijst naar de proefbak: “Zo ziet het eruit, maar dan veel groter.” Samen met Iris Kensmil (1970) vertegenwoordigt Remy Jungerman (1959) Nederland dit jaar op de 58ste editie van de Biënnale, de oudste en meest prestigieuze tweejaarlijkse kunstmanifestatie ter wereld. 

‘Dat u in interessante tijden moge leven’ is het thema dat hoofdcurator Ralph Rugoff heeft bedacht. Daar kunnen de vele tientallen deelnemende landen alle kanten mee op, in deze tijd van nepnieuws, terrorismedreiging en opkomend populisme. Nederland reflecteert met zijn inzending ‘The Measurement of Presence’ op de geglobaliseerde wereld met twee kunstenaars van Surinaamse komaf. Oorspronkelijk zouden het er drie zijn, maar de postume presentatie van Stanley Brouwn (1935-2017) werd na bezwaren van diens weduwe geschrapt. Wel hebben Kensmil en Jungerman zich door zijn nalatenschap laten inspireren.

Jungerman zit er ogenschijnlijk relaxed bij. Maar hij is hard toe aan ‘heel veel slaap’. Hij is net terug uit Venetië waar hij wekenlang heeft gewerkt aan twee grote installaties. Ook Iris Kensmil, die in deze krant al eerder vertelde over haar werk voor de Biënnale, was daar om een metersgrote muurschildering te maken. Nu zijn ze klaar en geeft Jungerman Trouw alvast een inkijkje in het paviljoen, aan de hand van tekeningen, afbeeldingen en de proeven die hij deed in zijn atelier. 

Een van de drie horizontale constructies die bij de Biënnale boven een enorme tafel zweven. Beeld Gerrit Schreurs

De blikvanger in het strakke, witte, Nederlandse paviljoen – een ontwerp van De Stijl-architect Gerrit Rietveld – is een enorme tafel van ongeveer 9 meter lang die op 58 poten in een droge rivierbedding staat. Daarboven zweven drie horizontale constructies met abstracte vormen, die associaties oproepen met de schilderijen van Mondriaan en de architectuur van Rietveld. Ook staat er een metershoge verticale sculptuur.

Delen van de installaties en het tafelblad zijn bespannen met textiel met een ruitenpatroon. Het zijn de geruite textielen die worden gebruikt bij de Winti-rituelen van de Surinaamse Marrons, vertelt Jungerman. Van moeders kant zijn dat zijn voorouders. Marrons zijn tot slaaf gemaakte West-Afrikanen, die zich hebben gevestigd in het Surinaamse regenwoud. Delen van het textiel heeft hij ook beschilderd met witte kaolien, een kleisoort die op het lichaam wordt gesmeerd als rituele zuivering. 

Voorouders

“Het is een Kabra-tafel”, licht hij toe. “In het Winti-ritueel wordt die ingericht voor onze voorouders. Ik nodig bij wijze van spreken al onze voorouders uit om aan te schuiven en met elkaar in gesprek te gaan over de gedeelde geschiedenis van Nederland en Suriname.” De tafel is niet bedoeld als een aanklacht tegen wie dan ook, benadrukt hij. “Met mijn gelaagde beeldtaal wil ik culturen verbinden en een open gesprek laten aangaan, ook over de pijnlijke gebeurtenissen uit het verleden.” Aanvankelijk had hij de tafel in het water willen zetten, als symbool voor de transatlantische slavenhandel, maar het werd een droge rivierbedding. “Dat vind ik poëtischer, maar iedereen mag daar zijn eigen invulling aan geven.” 

Door Winti te koppelen aan het 20ste-eeuwse modernisme, vooral Mondriaan en De Stijl, wil hij niet alleen de verschillende culturen verbinden, maar mensen een ingang bieden om met een ‘bredere’ blik te kijken naar het modernisme. “In Nederland is de moderne kunst onlosmakelijk verbonden met de namen van Piet Mondriaan, Gerrit Rietveld en Theo van Doesburg. In Suriname, waar ik ben opgegroeid en heb gestudeerd aan de Academie voor Hoger Kunst en Cultuur Onderwijs, heb je geen musea. Hun werk kende ik alleen uit kunstboeken. Toen ik voor het eerst plaatjes zag van schilderijen van Mondriaan en andere modernisten, associeerde ik de geometrische motieven meteen met het geruite textiel en geometrische patchwork van de schouderdoeken van de Marrons.” 

Elementen uit het werk van Stanley Brouwn (‘mijn grote inspirator’) heeft Jungerman op subtiele wijze verwerkt in zijn installaties. Het overbruggen en opmeten van afstanden speelde een centrale rol in het werk van Brouwn, die een eigen maatsysteem had ontwikkeld. Het duizelt de verslaggeefster als Jungerman een complexe combinatie van een reeks cijfers opsomt, om duidelijk te maken hoe hij de erfenis van Brouwn heeft toegepast. Lachend: “Ik heb niet voor niets werktuigbouwkunde gestudeerd”. 

Grillige vormen

Na zijn studie werktuigbouw in Paramaribo werkte hij bij een telecommunicatiebedrijf, maar hij voelde zich daar niet op zijn plek. Daarom ging hij in de avonduren een kunstopleiding erbij doen. Dat deed hij vier jaar, tot hij in 1989 de uitnodiging kreeg op de Rietveld Academie in Amsterdam te komen studeren. “Ik wilde toen zo graag de strenge lijnen en cirkels van de werktuigbouw afleren, dat ik beelden van klei ging maken in grillige vormen.”

Maar de rechte lijnen zijn toch teruggekomen, toen hij voor het eerst in zijn leven de schilderijen van de modernisten in het echt zag. “Ik was op zoek naar een eigen beeldtaal. Die heb ik gevonden toen ik de overeenkomst zag tussen de geometrie van deze Europese kunststroming en de Afro-Surinaamse geruite rituele textielpatronen. Van Rietveld en Mondriaan tot Winti, dat is de rijkdom waaruit ik put.”

Hij heeft ook wel iets gemeen met Piet Mondriaan, besluit hij. Vorig jaar woonde hij in New York, de stad waar Mondriaan in 1940 zijn toevlucht zocht. Tegelijk is New York ook de plek waar in 1674 New Amsterdam door de Nederlanders werd geruild voor Suriname, dat daarmee een Nederlandse kolonie werd.

“New York was voor mij de perfecte stad om me voor te bereiden op mijn werk voor de Biënnale. Het ritme en de beweging van die stad zie je terug in mijn installaties, onder meer in de 58 poten onder de tafel, net zoals je die ­dynamiek ook ervaart in de Victory Boogie Woogie van Mondriaan. De ­jazzmuziek gaf Mondriaan meer spirituele voldoening dan de psalmen. Ook daarin verschil ik niet van Mondriaan. Ik had er wel samen met hem op willen dansen.” 

Selectie kunstenaars is geen politieke keuze

‘Politieke correctheid’ is Benno Tempel wel verweten, omdat hij als curator van de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië drie kunstenaars van Surinaamse komaf koos. Maar zijn selectie gaat niet over Surinaamse kunstenaars en heeft ook niets met politiek te maken, zegt hij, omdat deze kunstenaars hun werk niet inzetten als een politiek middel. “Als directeur van het Gemeentemuseum Den Haag werkte ik al eerder met Remy Jungerman en Iris Kensmil. Ze maken heel gelaagd werk, waarin hun afkomst inderdaad doorklinkt, maar dat geldt voor zoveel kunstenaars.” Aanvankelijk wilde hij ook het werk van de in 2017 overleden Stanley Brouwn laten zien, maar diens weduwe maakte bezwaar, onder meer omdat hij bij leven nooit zou hebben meegedaan aan groepsexposities. Toch is hij als inspiratiebron zichtbaar aanwezig in het werk van Jungerman en Kensmil, zegt Tempel. 

Door de vele betekenissen die zitten besloten in hun kunst, lijkt de Nederlandse bijdrage niet gemakkelijk te doorgronden voor niet-kunstkenners. Ook de titel ‘The Measurement of Presence’ (het meten van aanwezigheid) helpt niet echt mee. Tempel: “Er zitten heel veel lagen in hun werk en dat maakt het juist zo interessant. Ik denk dat ook de doorsnee bezoeker meteen elementen zal herkennen, zoals de abstracte vormen in het werk van Jungerman of misschien sommige van de portretten die Kensmil heeft geschilderd van zwarte feministen. Dat maakt dan toch nieuwsgierig en de  teksten geven natuurlijk ook uitleg.” 

Wat misschien ook helpt is dat de poëtische presentatie in het Nederlandse paviljoen als een rustpunt kan worden ervaren in al het geweld van de Biënnale, veronderstelt Tempel.

De Biënnale van Venetië, te zien van 11 mei t/m 24 november in de Giardini, Arsenale en diverse locaties in de stad en lagune. Meer info: www.labiennale.org  

Lees ook:

De blik in de ogen is de essentie van een portret

Trouw onderzoekt in een korte serie hoe kunstenaars aan een nieuw werk beginnen. Aflevering 2: beeldend kunstenaar Iris Kensmil schildert altijd eerst de ogen. ‘Die zijn de essentie van een portret en moeten er goed op staan. Daarom schilder ik ze als ik nog fris ben.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden