Gymnastiekles op de KMA anno 1900.

BoekrecensieGeschiedenis

Hoe Nederland in beweging kwam

Gymnastiekles op de KMA anno 1900.

Historicus Jelle Zondag beschrijft hoe Nederland aan het sporten en bewegen sloeg, maar stopt helaas al in 1940.

Lichamelijke opvoeding had zo’n eeuw geleden de nodige militaire trekjes. Op het programma stonden onder meer marcheer- en exerceeroefeningen, oefeningen met stokken en staven en allerlei op commando uit te voeren krachtinspanningen. De mannen die de leerlingen bevelen toeschreeuwden, waren in veel gevallen afkomstig uit de rangen van het leger.

Dat militaristische karakter was geen toeval. De propagandisten en promotors van dit schoolvak en van sport in het algemeen hamerden op de noodzaak van kranige kerels die het vaderland konden verdedigen. Ze betoogden dat dit soort types schaars werden. Weerbaarheid kon een probaat middel zijn tegen de verweking van de mens als gevolg van de verstedelijking. En ze had ook nut buiten het slagveld, bij het behoud van de koloniën of bij internationale economische concurrentie. Het denken van Darwin dat alleen de sterksten overleven, had school gemaakt.

Autoriteiten waren aanvankelijk afhoudend of aarzelend, laat historicus Jelle Zondag zien in Volkskracht. Sport, lichamelijke opvoeding en de versterking van Nederland 1880-1940. Bovendien waren de mannetjes van de pro-beweegbeweging onderling vaak in heftige debatten verwikkeld. Bij gebrek aan veel traditie tekenden ze min of meer op leeg papier. Wat moest er gebeuren en hoe? En ook belangrijk: welke inspirerende voorbeelden verdienden navolging? In de oerjaren van de Nederlandse gymnastiek en sport ging het er soms hard aan toe tussen de aanhangers van de Duitse, Britse en Zweedse school.

Het Sportfondsenbad in Heerlen. Beeld
Het Sportfondsenbad in Heerlen.

De politieke interesse kende daarna pieken en dalen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog toonde de Nederlandse regering verhoogde interesse en toog ‘een denktank met enig prestige’ aan het werk. Het leidde tot een rapport ‘over de hoofdlijnen, waarlangs de overheidsbemoeienis met lichamelijke opvoeding zich zal hebben te bewegen’. Van uitvoering van de aanbevelingen kwam echter weinig, door noodzakelijke overheidsbezuinigingen.

Wat zou sport losmaken in vrouwenlijven en in mannenhoofden?

Laat overigens niet het misverstand ontstaan dat de vroege sportfanaten alleen maar met het verhogen van weerbaarheid bezig waren. Vooraankondigingen voor de traditionele ‘derde helft’, waarin de sporters ontspanden, waren eind negentiende, begin twintigste eeuw al zichtbaar. Amsterdamse wielrijders kwamen bijeen in een bondslokaal op de bovenverdieping van een kroeg op de Kalverstraat. Het was een ontmoetingsplek, een gelegenheid voor een hapje en een drankje en het lezen van de kranten en de bladen. Maar op sommige avonden waren er ook biljartwedstrijden, toneelopvoeringen en feesten.

Meisjes en vrouwen speelden aanvankelijk een ondergeschikte rol in de betogen van de sportpropagandisten. Wat zou al dat bewegen allemaal niet losmaken in de vrouwelijke lichamen en in de hoofden van mannelijke toeschouwers? En zou het activiteiten voor mannen niet in de weg gaan zitten?

Als meisjes en vrouwen dan toch aan het bewegen werden gezet, diende sierlijkheid en ‘bevalligheid in houding en beweging’ het doel te zijn. Kracht kon eventueel van pas komen bij wat gezien werd als zo ongeveer hun belangrijkste taak: kinderen baren.

Na de Eerste Wereldoorlog begon er voorzichtig wat te schuiven. “Wordt van het vrouwelijk physiek nog niet meer gevergd dan van het manlijk, waar het zich vaak een dubbele rol ziet toegewezen: beroeps-arbeid, gezins-arbeid en physiologische arbeid in verband met moederschap”, vroegen twee voorstanders van lichamelijke opvoeding voor meisjes zich af.

null Beeld

Sporten werden soms aangepast aan het geslacht: jongens speelden vuistbal, meisjes tamboerijnbal waarbij teams een balletje met tamboerijnen over een op een bepaalde hoogte gespannen net naar elkaar heen weer sloegen.

Nadruk op het lichamelijke stond vergeestelijking in de weg

Volkskracht is een bewerkte en ingekorte versie van Zondags proefschrift. Hij zocht zijn primaire bronnen vooral bij de mensen en organisaties die tussen 1880 en 1940 sport, lichamelijke oefening en padvinderij propageerden. Dat beperkt zijn blikveld. Weerstanden in de rest van de maatschappij blijven daardoor in Volkskracht grotendeels buiten beeld.

Scouting stuitte bijvoorbeeld op bezwaren van de rooms-katholieke clerus. Kamperen in de vrije natuur en omgang tussen jongens van verschillende leeftijd vormden een bedreiging voor de zedelijkheid. Al die nadruk op het lichamelijke stond bovendien de broodnodige vergeestelijking in de weg.

Pas na enkele decennia gaven de bisschoppen groen licht. Ze zagen ook de voordelen van de padvinderij. Belgische geloofsgenoten hadden bewezen dat het buitenleven niet hoefde te leiden tot grootschalige ontsporingen en dat het geloof zijn plekje kon krijgen in het spel (tot aan verering van Jezus Christus als ‘de Grote Hopman’ toe).

Ook binnen andere zuilen werd de tegenstand tegen sport, lichamelijke opvoeding en verkennerij op den duur overwonnen. Het leidde onder meer tot de oprichting van verenigingen gelieerd aan diverse geloofsrichtingen en politieke gezindten. Zondag had dit soort ontwikkelingen mooi kunnen vermengen met het interne debat in kringen van vroege propagandisten en promotors. Dat doet hij nu te weinig.

De geest van destijds brengt Zondag te weinig tot leven

Een andere gemiste kans is de geringe ruimte voor beschrijvingen van evenementen. Bij de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam en de Wereldjamboree van 1937 in Vogelenzang neemt de auteur nog wel enige ruimte voor kleur en anekdotiek. Elders laat hij het een beetje liggen. Terwijl het zo mooi de geest van destijds tot leven zou kunnen brengen en had kunnen zorgen voor wat afwisseling bij behoorlijk wat teruggrijpen op vergadernotulen en brochures. Vijf fotokaternen met prachtig beeldmateriaal maken overigens wel veel goed.

Een sportfeest van de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding. Beeld
Een sportfeest van de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding.

Bij alle kritiek die mogelijk is op Volkskracht moet worden gezegd dat het boek wel een belangrijk stuk geschiedenis in kaart brengt. In zestig jaar tijd kreeg een relatief kleine groep aanjagers een redelijk deel van de Nederlanders aan het bewegen en naar buiten.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog telden de gezamenlijke sportbonden bijna 500.000 leden. Tegenwoordig doen zo’n tien miljoen Nederlanders met behoorlijke regelmaat aan sport. Daar zijn tal van mogelijke redenen voor aan te voeren: een nog flink te verbeteren, maar toch grotere rol voor lichamelijke opvoeding in het onderwijs, betere en meer accommodaties en de inspirerende voorbeeldwerking van sport op tv.

Het is ook voorstelbaar dat de nadruk op andere voordelen dan voor de oorlog een rol speelde bij de verdere verbreiding: minder nationalisme, minder militarisme en minder imperialisme en meer focus op plezier, samenspel en fitheid als bron van individueel welzijn. Maar dat is voer voor een nieuwe studie.

null Beeld

Jelle Zondag
Volkskracht. Sport, lichamelijke opvoeding en de versterking van Nederland 1880-1940.
Boom; 256 blz. € 22,50

Lees ook:
‘Mien was wereldkampioen, maar voor onze sportpers bestond ze niet’

“We hijsen in Nederland al niet gauw sporters op het schild, maar wat er met Mien van Bree is gebeurd is wel het andere uiterste. In 1938 werd ze de eerste Nederlandse wereldkampioen wielrennen. Er is alleen amper iemand die het weet.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden