Essay

Hoe meer Marx, hoe beter

Beeld AFP

Hij schreef bijna niets over kunst. Toch is Karl Marx’ invloed op de kunstkritiek groot geweest. Is dat erg? Welnee, de marxistische kijk - met dank aan Walter Benjamin - is juist een zegen.

Vanuit mijn boekenkast staren marxistische boektitels me aan. ‘Image of the People: Gustave Courbet and the 1848 Revolution’, ‘Industrial Madness’, ‘All That Is Solid Melts Into Air’, ‘Paris, Capital of Modernity’. Deze kunst- of architectuurhistorische literatuur gaat niet alleen over het negentiende-eeuwse Parijs - mijn onderzoeksgebied - maar draagt ook titels die verwijzen naar Karl Marx. Ik lijk wel gehersenspoeld. Revolutie, kapitaal, eentje adopteerde zelfs een hele zin uit het Communistisch Manifest: Alles Ständische und Stehende verdampft (alles van stand en al wat stilstaat verdampen).

Dat had ik niet verwacht toen ik kunstgeschiedenis ging studeren. Kunstgeschiedenis ging, dacht ik, vooral over meesterwerken en meesters. Over perfecte schoonheid, stijl, compositie waar je als toeschouwer in op kunt gaan en waardoor je het dagelijks leven kunt vergeten. Iets moois voor boven de bank. Of een meeslepend verhaal van een onbegrepen kunstenaar die zijn of haar tijd ver vooruit was, en de schilder- of beeldhouwtechniek zo voortreffelijk beheerste dat we er elke penseelstreek van zouden moeten analyseren. Een wereld op zichzelf, met veel spiegels. Heel goed dat mensen zich daarmee bezighouden, belangrijk werk, maar er is, zo ontdekte ik, meer. Mede dankzij Marx.

Onverwacht

Nietsvermoedend sloeg ik kort na verschijnen van het boek ‘Paris, Capital of Modernity’ uit 2003 open. Ik verwachtte, heel naïef, een boek over Parijs als hoofdstad, en zag hoofdstuktitels over Labor power en Community and Class, vrijwel ieder hoofdstuk begint met een citaat van Marx. Schrijver en hoogleraar David Harvey (1935) bleek niet alleen sociaal-geograaf, hij is ook Marxkenner. Hij heeft inmiddels een podcast van zijn hoorcolleges waarin hij, paragraaf voor paragraaf, ‘Das Kapital’ toelicht en begrijpelijk maakt. Ik was verbaasd: anders dan vorige generaties studenten werden wij in 2002 niet meer onderwezen over kunst in het laatkapitalisme of ‘Kunstgeschiedenis en klassenstrijd’. Waren de laatste marxisten niet verdwenen met de dictaturen in Zuid-Amerika en de afschaffing van de frivole spellingscapriolen van de jaren zeventig?

Dat betekende niet, ontdekte ik, dat de jongere kunst- en cultuurgeschiedenis het zonder Marx moest stellen. Integendeel: hoe meer Marx in de kunstkritiek, hoe beter. Je hoeft niet zo Kapital-vast te zijn als Harvey, maar aangezien onze samenleving nog steeds volgens dezelfde principes functioneert als aan het begin van de industriële revolutie, zijn Marx’ vragen en analyses, nog altijd toepasbaar.

Ja, onder de vlag van Marx is veel narigheid aangericht, maar vind maar eens een grote ideologie die geen doden op haar geweten heeft. En zoals een theoloog ook niet elke uitwas van exegese of godsdienstwaanzin hoeft mee te nemen in een bijbeluitleg, zo moeten ook bepaalde politieke interpretaties van Marx’ geschriften niet verward met diens eigen ideeën. Of Marx zijn goedkeuring zou hebben gegeven voor de door de staat geregisseerde kunstpraktijk in de DDR zullen we nooit weten. Ik betwijfel het. Net als het standbeeld dat Marx’ geboorteplaats Trier ontving van China weinig met diens ideeën te maken heeft, wel met geo-politieke verhoudingen. Harvey komt niet voor niets met een podcast waarin hij teruggaat naar de bron.

Kritisch perspectief

Uit de kunst-, cultuur- en fotokritiek valt de invloed van Marx inmiddels moeilijk weg te denken. En wat is die invloed een zegen. Wat mij betreft: hoe meer Marx (in de kunstkritiek), hoe beter! Want Marx toont dat ‘onze’ kunst ontstaat in een kapitalistische maatschappij, met een vrije markt, waarop bedrijven met winstbejag de economie beheersen. Hoe graag kunstenaars ook anders beweren, hun kunst gehoorzaamt aan dezelfde wetten van vraag en aanbod. Kunstenaars, galerieën, handelaars, musea: allemaal worden ze geacht winst te maken. Er spelen dus andere factoren dan alleen de vraag of iets een goed en belangrijk kunstwerk is, of het überhaupt kunst mag heten. Marx biedt een kritisch perspectief op het systeem waar wij middenin zitten.

Dit marxistische inzicht zou je bijna doen vergeten dat Marx zelf nauwelijks over beeldende kunst heeft geschreven. Alleen achterin ‘Grundrisse der Kritik der Politischen Ökonomie’ (1858), een onvoltooide opzet voor de zes fundamenten van zijn ideeënbouwwerk waarvan ‘Das Kapital’ er slechts één was, schrijft hij erover. Hij worstelt daar met het feit dat beeldende kunst tastbaar is, en dus inspeelt op het warenfetisjisme van de consument. Zo besluit Marx kunst in te delen in de ‘bovenbouw’, bij staat en politiek. Hij noemt de Griekse beeldhouwkunst die niet zonder de mythologie kan bestaan en dus ook niet in een andere tijd gemaakt kan worden. Kunstwerken zijn kinderen van hun tijd. De volwassene van nu mag er vertederd naar kijken, maar moet zelf niet die kindertijd nastreven.

Het Grundrisse-manuscript dook op in 1901 en verscheen pas tussen 1939 en 1941 in het Duits. Voor de invloedrijkste marxistische cultuurcriticus, Walter Benjamin (1892-1940), kwam deze uitgave te laat. Hij ontleende zijn ideeën aan eerder werk van Marx, wat uitmondde in een (ook door Hegel en Freud beïnvloede) maatschappijkritiek die bekend werd als de Kritische Theorie. Die droeg een analyse van culturele aspecten van de burgerlijk-kapitalistische maatschappij aan waardoor burgers mondig zouden worden.

Het is die drang naar verheffing en verandering in de maatschappij, die sommige politici en denkers nu zenuwachtig maakt. Ze gooien alle - al dan niet rechtmatige - erfgenamen van Marx op één hoop onder de noemer cultuurmarxisme, waarvan Benjamin de boosdoener is.

Diens teksten zijn inderdaad doorspekt met marxistische terminologie, maar hij schrijft een stuk praktischer dan Marx - over pasverschenen boeken, films en kunstwerken. Benjamin verbindt zijn analyses persoonlijk en beeldend met elkaar, poëtisch zelfs. Zozeer dat een student zich afvroeg of het wel academisch was, toen ik college gaf over fotogeschiedenis en Benjamins ‘Kleine Geschichte der Fotografie’. En of. Hij laat juist zien dat je voor kunst- en cultuurkritiek continu moet opletten, niet alleen tijdens het zien van een tentoonstelling of het lezen van een boek.

Aanbidden

Een van Benjamins belangrijkste teksten is ‘Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit’ (1939). Dit essay begint met Marx’ ideeën over kapitalistische productiemethodes en beschrijft vervolgens hoe we kunstwerken aanbidden en hoe het fascisme dankzij films (dat zijn ook kunstwerken) de oorlog weet te verheerlijken.

Dat geldt tachtig jaar later nog. Ook de meest recente Amerikaanse Hollywoodfilms en Netflixseries verdienen daarom de volle aandacht van de kunst- en cultuurcriticus: om bijvoorbeeld vast te stellen dat idealisering van oorlog nog steeds plaatsvindt met dezelfde technieken als in, laten we zeggen, triomfschilderijen na belangrijke veldslagen.

Ook fenomenen op kleinere schaal krijgen dankzij Benjamin een andere betekenis. Neem de Suit Supply-reclamerel: foto’s van zoenende mannen, waarmee een pakkenverkopend bedrijf duidelijk grenzen opzoekt en politieke onrust veroorzaakt. Een traditionele kunsthistoricus merkt het gedoe niet eens op, schrijft er niet over, want die ziet het simpelweg niet als onderzoeksterrein.

Reclameborden en modellen

Cultuurconservatieven Marc Fumaroli (Frankrijk) en Roger Scruton (Engeland) laten wel regelmatig van zich horen. In een debat in 2009 verdedigde Scruton de stelling dat Britten niet meer zouden weten wat schoonheid is, ze zouden niet meer naar oude kunst kijken, alleen nog maar naar fotomodellen. En reclameborden met die modellen waren volgens Scruton als graffiti: “Pogingen om alles onder te kliederen met een persoonlijke, egocentrische boodschap.”

Voor de Benjaminiaanse kunstbeschouwer is zo’n Suit-Supplyrel juist een mer à boire: denk aan een analyse van afbeeldingen van liefkozende mensen van hetzelfde geslacht in de kunst- of filmgeschiedenis, of een vergelijking met soortgelijke reclameschandalen die ons eraan herinneren dat dergelijke acties vooral bedacht worden om ons meer geld uit te laten geven bij die pakkenwinkel, en dat de liefde hiermee ook een kapitalistisch verkoopitem is. Het is weliswaar niet bedoeld als kunstwerk, maar het gebruikt dezelfde taal. Een taal die niet voor iedereen even helder is. En juist mensen die die taal wél spreken, de kunsthistorici, kunnen uitleg geven. Hogere kunst of niet, de in opspraak geraakte reclamecampagne of zo’n fantasieloos Marxstandbeeld zijn hedendaagse fenomenen die een analyse verdienen.

Hetzelfde geldt voor de verslaggeving van grote politieke en nationale gebeurtenissen, en bijvoorbeeld het gebruik van sociale media door politici. Donald Trump heeft een eendimensionale voorkeur in compositie en onderwerpkeuze: hijzelf in het midden. De foto’s die Emmanuel Macron laat maken zijn gevarieerder maar even geregisseerd, en dat maakt ze interessant. Wat willen de politieke machten het volk vertellen? Welke technieken gebruiken ze om zichzelf zo gewoon mogelijk voor te doen?

Ook de soms zo in zichzelf gekeerde kunstwereld ontkomt niet aan op Marx geïnspireerde analyses. Een van de meest verfrissende internationale podia voor kunstkritiek is het tijdschrift October. Vernoemd naar de (Russische) Oktoberrevolutie, opgericht in 1977 in New York als reactie op de commerciële kunstglossy’s die vaak meer reclame bevatten dan tekst. In October staan artikelen die verbanden leggen tussen film, beeldende kunst en populaire cultuur en bredere maatschappelijke verschijnselen. Teksten die inmiddels klassiekers zijn. Ze tonen hoe mensen met kunst, met beelden omgaan in het huidige (wereld-)politieke systeem. En dat de serieuze kunstkritiek niet zonder Marx had gekund. En niet zonder kan.

Natuurlijk zijn er na tweehonderd jaar andere denkers, andere invalshoeken en critici bijgekomen. Maar nog altijd leven we in een systeem gebaseerd op macht, kapitaal en (al dan niet hoop op) revolutie. Zo is beeldende kunst niet alleen maar iets leuks om naar te kijken voor een vrije middag, maar onderdeel van een veel groter systeem. Een systeem dat, als je even niet kijkt, niet kritisch blijft, zomaar bepaalde kunstuitingen kan wegstoppen als te modern, schokkend of revolutionair. En zo, zoals Marx al zei, zelf langzaam maar zeker vastroest en verdampt.

Kunsthistoricus Joke de Wolf (1978) schrijft over beeldende kunst, fotografie en hedendaagse cultuur in Trouw en andere media.

Lees ook: De bevroren personages van Giorgio Morandi

Zelden is een stad zo sterk verbonden met een kunstenaar als Bologna met Giorgio Morandi, die daar zijn leven lang stillevens van potjes en vaasjes schilderde. Is dat ook terug te zien in de stad? Joke de Wolf ging kijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden