Beeld Trouw

Poëzie Janita Monna

Hoe kun je deze gedichten lezen?

Jaren geleden ontving Guus Middag een Gouden Griffel voor zijn boek ‘Ik maak nooit iets mee’, een boek dat behalve voor kinderen, zeker zo leuk was voor volwassenen. De korte stukjes in die bundel begonnen steevast met de zin ‘Ik maak nooit iets mee’, om vervolgens via een klein of iets groter avontuur uit te komen bij een gedicht. In een van die verhaaltjes vertelde Middag over de Dikke Van Dale die hij kocht toen hij Nederlands ging studeren: ‘een rode in twee delen. En ik nam me voor ze zo snel mogelijk uit te lezen.’

In ‘De wereld is weer plat, ja’ pakt hij het woordenboek er regelmatig bij. Die bundel bevat twintig stukken, sommige korter andere langer, over twintig moderne Nederlandstalige gedichten. En ‘gedichten’ kun je bij Middag ruim opvatten, want hij leest met evenveel genoegen Marieke Lucas Rijneveld of Ilja Leonard Pfeijffer als Daniël Lohues of De Jeugd van Tegenwoordig – aan hun lied ‘Sterrenstof’ is de titel van de bundel ontleend, aan de bandnaam de ondertitel.

Gemeenschappelijk hebben de teksten dat ze Middag raakten, ‘ergens’. Hij wil weten waarom en dus onderwerpt hij ze aan een grondige lezing. Dat betekent: veel vragen stellen, associaties toelaten, het effect van rijm en ritme, ofwel vorm, onderzoeken.

Lezen zonder dicht te timmeren

Middag peutert het weefsel waaruit de gedichten zijn opgebouwd voorzichtig open. Op kalme toon, waarin altijd iets van lichte verwondering doorklinkt, laat hij zien dat in een goed gedicht nooit zomaar iets gebeurt. Dat ook dichters nogal eens voortbouwen op Bijbelse verhalen, dat ze liedjes, nieuwsberichten, hun eigen leven, in hun teksten verwerken, dat witregels een functie hebben.

Een helder en tegelijk scenisch vers als ‘summum bonum’ van Mustafa Stitou bijvoorbeeld, leest hij regel voor regel. Hij toont de tergende spanningsopbouw van het gedicht: het nieuws over de ‘balpenmoord’, de goedlachse moeder, de ontdooide huistiran.

Middag laat zien hoe hij leest, zonder het gedicht dicht te timmeren, zonder een andere lezing uit te sluiten. Hij duikt, zou je kunnen zeggen, achter de woorden. Haalt dieper verstopte lagen boven, zoals in het essay over ‘Excorcisme’ van Radna Fabias.

Op een onbewaakt moment

Soms komt hij daarbij wat traag op gang. Schrijvend over Peter Ghyssaerts ‘De zuigeling van Sint-Petersburg’ staat hij lang stil bij de eerste regels. Waar precies bevindt zich die zuigeling in dit gedicht, vraagt Middag zich af. Maar is hier met woorden als ‘glas’, ‘cilinder’, ‘wetenschap’, ‘[a]demt/ héél voorzichtig vloeistof in en uit’, niet meteen een baby op sterk water in te lezen?

Het zijn prettig onmodieuze stukken, maar uiteindelijk had Middag mij misschien net iets meer mogen laten zien waar die gedichten hém nu raakten. Of wanneer. Waarschijnlijk was dat op een onbewaakt moment, hij schreef er eerder al eens over. Als je er niet op uit bent, dan word je het meest geraakt door poëzie.

summum bonum

Dronken pubers leggen ’s nachts
in een uithoek van het universum
een nagebootst prehistorisch dorpje in de as.

Tropische temperaturen. De meubelboulevard,
uitgestorven. Wie naar de kust is gevlucht
noch naar een themapark, legt overdag
in zijn achtertuin zijn wapens af
en gaat liggen, languit en onbevreesd.

De kille huistiran in zwembroek ontdooit,
slaat de tweeling gade, niet langer geërgerd,
verbijsterd door hun gelijkenis, ontspant
diepzuchtend zijn droomspier, sluit verstrooid
zijn ogen. De linkertweeling, de rechtertweeling,
naakt naar insecten in struiken op jacht, verbeten
kreetjes van verbazing, onverstoorbaar.

Andere tuinen brengen een soevereine schaterlach,
kleuterpop, hondengeblaf, een radiostem die zegt
‘dat de verdachte heeft gezegd
dat hij zijn vader met een kruisboog een ballpoint
in het oog heeft geschoten’. Goedlachs komt moeder
in bikini uit de keuken, haar zenuwen zonder hulp
de baas vandaag, een roerloos dienblad met twee glazen ijsthee
en twee groene limonade op één vlakke hand. Zich verheugend
op de herinneringen alvast, schrikt ze haar wederhelft
met de zachtste mondkus wakker – en vader vuilbekt niet
ditmaal maar richt zich glunderend uit zijn ligstoel op,
fluistert ‘moet je eens horen’ in moeders oor,
verdwijnt de wijd openstaande vesting in.

Laat het lot maar jojoën, wisselvalligheden komen en gaan,
vandaag zijn zij nergens bang voor, de thuisblijvers,
vredestichters, blijmoedige karikaturen – hoor,
uit de hobbykamer van de huistiran klinkt het geluid op van een kabbelend beekje

Mustafa Stitou

Guus Middag
De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig
Van Oorschot; 298 blz., € 22,50

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden