Hoe is het nu met u, Oldenbarnevelt, vier eeuwen na uw executie? Tijd voor eerherstel

Het besneeuwde standbeeld van Johan van Oldenbarnevelt in Den Haag. Beeld Hollandse Hoogte / Martijn Beekman

Laten we nu het Binnenhof wordt verbouwd, meteen het overschot van Oldenbarnevelt opsporen. Dat is 400 jaar na diens onthoofding hoog tijd.

Overmorgen wordt Oldenbarnevelt om zo te zeggen voor de vierhonderdste keer onthoofd. Het gebeurde op het Binnenhof, 13 mei 1619, direct vóór de ingang van wat destijds eenvoudigweg de Sael heette. Het gebouw, dat we nu de Ridderzaal noemen, is jaarlijks te zien op Prinsjesdag, bij de start van het parlementaire jaar, geheel gevuld met vorst, regering en volksvertegenwoordigers – dat welbekende historische tableau van ons republikeinse koninkrijk dan wel onze koninklijke republiek.

Op een geïmproviseerd, en destijds misschien door niemand echt voorzien, schavot maakte één zwaardslag een eind aan de Advocaat van Holland, de belangrijkste bestuurder van de nog niet zo heel erg Verenigde Nederlanden. Van de vroegmoderne staatsman Oldenbarnevelt is niets meer te bekennen op het Binnenhof. Nou ja, wie er speciaal naar speurt kan die ene steen zien, onder in de muur van voorheen de Hofkapel, met vermelding van voornoemde, wat onhandig gedateerde onthoofding – één dag te laat.

Hoe is het nu met u, Oldenbarnevelt, vier eeuwen later?

Dat zouden we best graag willen weten. Afgezien van die ene steen op het Binnenhof, afgezien ook van dat mooie zittende beeld van brons op de Lange Vijverberg – waar u toch wel heel erg van opzij aan het turen bent naar uw vroegere werkomgeving – is er niet veel dat van u resteert. Ja, daar zijn de maar liefst drie stokskes, die om de eer strijden u op uw laatste gang naar het schavot ondersteund te hebben. En die zo zijn gaan heten, u kunt dat niet weten, sinds de dichter Vondel het woordje muntte in zijn vlammend protesterende vers. Ja, daar zijn de twee al even museale concurrerende zwaarden. Met een waarvan de beul zijn werk gedaan zou hebben. En daar is – in één exemplaar, dus dat zou wel kunnen kloppen – uw bril plus brillehuisje. Seculiere relieken.

Onder de Hofkapel

Maar wat er daarna precies is gebeurd met uw hoofd en uw lijf, niemand die het weet. Het enige wat vaststaat is dat ze tezamen – wat heet – in een ruwe vurenhouten kist zijn gedaan en dat die kist, in elk geval om te beginnen, in de kelder onder de Hofkapel is beland. Of uw hoofd en uw lijf zich daar nog altijd bevinden is sindsdien een open vraag gebleven.

Niet minder dan drie kerken zijn er geweest – daar heb je weer zo’n drietal – die geclaimd hebben dat uw gebeente er begraven is. Kerken in respectievelijk Overschie, in Berkel, in Amersfoort. Allemaal plausibele plekken, op het eerste gezicht. Er is een heel mooi verhaal over hoe uw nazaten u uit die kelder van de Hofkapel weg gesmokkeld hebben – met behulp van een wagen getrokken door een paard, waarvan de hoeven omwikkeld zouden zijn geweest met lappen zodat het geklepper niet zou verraden dat daar een ontvoering aan de gang was. ’s Nachts, zoals u begrijpen zult. En die wagen zou dan koers hebben gezet naar zo’n kerk waarvan u de patronaatsrechten had.

De dominee was er dus een die door u was aangewezen, u was immers de bezitter van die landerijen. In het mooie verhaal moet hij het zijn geweest onder wiens hoede uw hoofd en uw lijf daar in Overschie dan netjes ter aarde zouden zijn besteld. In het geheim, maar wel in een familiaal graf.

Kelder

Van deze claim, maar ook van de beide andere, is eigenlijk niets overeind gebleven. Ik wil u verder niet vermoeien met de diverse opgravingen en naspeuringen en bevindingen (zoals die van 1882 en 1949, door de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek) en volsta ermee dat men nergens een van een lijf afgescheiden hoofd heeft aangetroffen, en evenmin uw door diezelfde ene zwaardhouw afgesneden twee vingertoppen.

Ik kan u dus niet met zekerheid zeggen waar u zich bevindt. Verreweg het meest aannemelijk, volgens uw biograaf mr. Jan den Tex, is en blijft de kelder van de Hofkapel uw waarschijnlijkste laatste verblijfplaats. Met die kelder is men, zo heb ik begrepen, vrij ruw omgesprongen, zowel tijdens de sloop van de kapel zelf als sindsdien. Toegegeven, ook daar is wel eens een onderzoekje gedaan. Ook daar weer geen spoor van een gescheiden hoofd en lijf. Maar het moet nogal een chaos zijn geweest, in die kelder.

Enfin, misschien vraagt u zich af: waarom dan nog weer eens aandringen op een nieuw onderzoek, als uw Binnenhof, of wat ervan over is, binnenkort een enorme restauratie en herfundering zal ondergaan? Ik denk niet dat u me nog horen kunt, maar ik zal het zometeen zo goed en zo kwaad als dat gaat uiteen proberen te zetten.

Voor nu even genoeg over die botten. Waar u ook bent, ik ga hier verder met uw Nachleben – als ik die schitterende term even mag lenen van onze oosterburen. Want voor uw nagedachtenis, politiek zowel als literair, is destijds en ook later nog heel goed gezorgd. In Engeland werden nog in het jaar van uw executie twee aan uw einde gewijde tragedies geschreven en opgevoerd in het Londen waar u zo vaak geweest bent, ter instandhouding van het door u zo buitengewoon bekwaam bewerkstelligde buitenlandse maar altijd wankele machtsevenwicht tegen de Spaanse Habsburgers.

 ‘John of Barnevelt’

Ook in de Verenigde Nederlanden heeft de beste toneelschrijver die hier te vinden was, een treurspel aan u gewijd. Men durfde het pas zes jaar na uw dood op de planken te brengen. Het stuk werd prompt verboden. De auteur kreeg een enorme boete aan zijn broek. Maar het werd binnen het jaar minstens zes keer herdrukt. In Vondels tragedie moet u het, doorzichtig vermomd als Palamedes, afleggen tegen Agamemnon, in wie iedere tijdgenoot met groot gemak Maurits kon herkennen.

We verlaten nu de eeuw van uw executie, om met zevenmijlslaarzen nog een paar landen te bezoeken. In Frankrijk, het zal u goed doen, werd een jaar of tien voor de Franse Revolutie een toneelstuk over u – of eigenlijk vooral over uw heldhaftige vrouw – verboden. Uit vrees voor rellen; zoveel lading hadden de gebeurtenissen anderhalve eeuw later nog steeds.

Heel veel verder weg. De Amerikaan Motley. Die heeft in de negentiende eeuw een tweedelig historisch epos geschreven, waarvoor hij zich jarenlang heeft verdiept in de Nederlandse archieven. ‘Life and Death of John of Barnevelt.’ Daarbij werd hij royaal geholpen geholpen door Groen van Prinsterer, die het Koninklijk Huisarchief onder zijn hoede had.

Kunt u mij nog volgen? Amerika, ook wel The United States. Zo is het land gaan heten waar de Verenigde Oostindische Compagnie in 1609 die Engelsman, Hudson, heeft laten zoeken naar een noordelijke doorvaart. U weet wel. De tweede poging, na Het Behouden Huys. Volgens mij klinkt er in de naamgeving van dat land een echo door van de Verenigde Nederlanden.

Achternaam

Terug naar uw afwezigheid op het Binnenhof. Ik blijf die beide dingen vreemd vinden. De rare plek van dat zitbeeld, van het Binnenhof gescheiden door de Hofvijver. Het is een mooi beeld hoor, van Wenckebach, daar niet van. Maar u bent ook letterlijk opzijgezet, toen, in 1957. Het beeld is daar beland vanwege ‘een foutieve delicatesse ten opzichte van het Oranjehuis’. Ik citeer uw biograaf. Koningin Wilhelmina – die zich blijkens een schoolopstel nou juist geschaamd heeft voor Maurits’ rol bij de terdoodbrenging – zou men niet hebben willen grieven. En haar opvolgster koningin Juliana wilde men ‘het niet aandoen’ om elk jaar uitgerekend tegenover dat beeld op het Binnenhof uit haar gouden koets te moeten stappen.

Ik onderschrijf de hoop van Den Tex, in 1974, dat het nog eens tot een verplaatsing zal komen. Die hoop werd hem misschien ook ingegeven doordat de troonsbestijging van Juliana’s opvolgster koningin Beatrix eraan zat te komen. We zijn inmiddels alweer één nog jonge vorst later. Komaan, zou ik zeggen, als dat Binnenhof van ons dan toch helemaal in de steigers komt te staan, binnenkort. Het Binnenhof herfunderen? Maar dan toch zeker ook het beeld verplaatsen.

Tot zover de zaak van het beeld. Resteert die van de botten. Ik waande het geslacht Oldenbarnevelt eerlijk gezegd uitgestorven. Maar tot mijn verrassing hebben twee dames, getooid met die achternaam, onlangs hun steun betuigd aan het door het Tweede Kamerlid Ronald van Raak (van de SP) opgeworpen plan. Een nieuw onderzoek naar het gebeente. Een plan waarvoor ook de minister-president Mark Rutte (VVD) zijn waardering uitsprak. Beide heren zijn, althans van opleiding, historici. Ik stem van harte in. Als we nu toch bezig zijn! Misschien kunnen die dames wat DNA afstaan?

Allerminst ordentelijk begraven

Ik kan me niet voorstellen dat er in wat ik nu maar zal noemen andere landen – landen met een groter historisch besef meer in het bijzonder – géén grondig onderzoek zou worden ingesteld, naar de botten van een man van de onomstreden allure van Oldenbarnevelt. Johan van Oldenbarnevelt heeft zijn lichaam niet nagelaten aan de wetenschap. Hij is ook niet gecremeerd. Zijn as is niet uitgestrooid over de Hofvijver. Om maar eens een paar absurde anachronistische constateringen ten beste te geven. Wat zegt het over een land als er zo omgesprongen wordt met een grootheid van vroeger?

Hij is voor zover bekend allerminst ordentelijk begraven. Natuurlijk zou hier zo’n rijkelijk late postume archeologie op haar plaats zijn. Zelfs als het na zoveel verstreken tijd misschien wel moet blijven bij een niet veel meer dan symbolische handeling. Maar dan nog. Zo’n onderzoek zou in alle concreetheid een daad zijn van rechtvaardigheid en nagekomen menselijkheid. 

Nicolaas Matsier (1945) is romancier en dichter. Dit essay is het vijfde deel en slot van een serie. Op 13 mei 1619 werd Johan van Oldenbar­nevelt onthoofd, maandag 400 jaar geleden. Matsier publiceerde over hem de roman ‘De Advocaat van Holland’.

Lees ook :

De verdwijning van Van Oldenbarnevelt

Hij hoorde bij het in onbruik geraakte vak vaderlandse geschiedenis. Zo verdween Johan van Oldenbarnevelt uit het zicht, enkele exposities ten spijt. Waar is hij gebleven?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden