Pim van Boxsel, Kamporkest.

Nederlands-Indië

Hoe het was in het jappenkamp? Deze tekeningen laten de verborgen verhalen zien

Pim van Boxsel, Kamporkest. Beeld Museon

In het Haagse Museon vertellen tientallen tekeningen en voorwerpen het verhaal van de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. De tekeningen werden vaak verborgen voor de Japanners en pas na de oorlog tevoorschijn gehaald.

Het verhaal van de Japanse bezetting in Nederlands-Indië is onbekend bij het grote publiek”, zegt conservator Gert-Jan van Rijn. Zeker, in Nederland wonen twee miljoen mensen met een familiegeschiedenis in de voormalige kolonie. “Maar in het onderwijs en ook in de herinnering van Nederland staat de Duitse bezetting toch voorop.”

“Nederland wilde na de koloniale oorlog en de onafhankelijkheid van Indonesië zo snel mogelijk dat hele Indië vergeten. Repatrianten die terugkwamen werden ook vrij kil ontvangen, ze konden hun verhaal niet kwijt. Dan werd er gezegd: ‘Jullie waren koloniaal, jullie werden bediend, hoefden zelf niet te koken. Ja, jullie zaten een tijdje vast in kampen, maar wat zeuren jullie nou eigenlijk? Wij hadden hier de Hongerwinter’.”

De tentoonstelling ‘Getekend, persoonlijke verhalen over de Japanse bezetting’ in het Haagse Museon moet recht doen aan de traumatische ervaringen van de repatrianten. Tekeningen, voorwerpen, fragmenten uit dagboeken en brieven vertellen hoe naar schatting 142.000 burgers en militairen gevangen werden genomen, nadat Japan begin 1942 Nederlands-Indië binnenviel.

“Zoals Duitsland het Derde Rijk stichtte, wilden de Japanners de Grote Aziatische Welvaartsfeer creëren, onder Japanse leiding uiteraard. Azië moest weer van de Aziaten worden. Ze verwijderden alles wat maar Europees of Westers was uit het straatbeeld.” De Japanners richtten scholen, kazernes, gevangenissen en zelfs ziekenhuizen en kloosters in als concentratiekampen. Met een matras en een koffer werden Nederlanders en later ook Indische Nederlanders afgezonderd in kampen voor vrouwen, mannen, jongens en krijgsgevangenen. “Families raakten totaal opgesplitst.”

Johan Gabriëlse, Een begrafenis in Kamp 7 te Ambarawa, 1945.Beeld Museon

Illustrator Johan Gabriëlse (1881 – 1945) leerde Nederlands-Indië kennen toen hij in de jaren twintig van de firma Wolters opdracht kreeg schoolplaten en boekillustraties te maken over het leven in de kolonie. In 1938 reisde hij met zijn vrouw opnieuw naar de Oost, om een portret te maken van een Indische vorst. Ze werden overvallen door de oorlog.

In een kamp op Java bleef hij tekenen en gaf hij tekenles aan andere geïnterneerden. In juni 1945, overleed Gabriëlse, vlak voor het einde van de oorlog. Zijn kampgenoten gaven zijn werk aan zijn weduwe, die de jappenkampen wel overleefde.

Miljoenen Indonesiërs werden als dwangarbeiders (romoesja’s) tewerkgesteld. Ook stuurde Japan honderdduizenden Nederlanders en Indonesiërs overzee naar kolenmijnen, naar de Birmaspoorlijn of naar Japanse steden als Nagasaki. Op de ruim vijftig tekeningen van kunstenaars als Charles Burki, Frida Holleman en Johan Gabrielse is te zien hoe de gevangenen dicht op en boven elkaar sliepen, hoe Japanse kampbewakers hen mishandelden.

Humor bracht wat lichtheid in het bestaan. Zo hangt er een spotprent, waarop een kampbeul klaar staat om een gevangene met een zweep af te ranselen. Het slachtoffer heeft zijn broek al afgestroopt. Dan zegt de Japanse bewaker: “Nog iets te vragen?” Waarop de gevangene antwoordt: “Nou graag! Een portie oedang goreng met een koude Heineken.”

Verf uit planten en aarde

De geëxposeerde tekeningen zijn allemaal gemaakt in de jappenkampen, tijdens de oorlog. De omstandigheden in de verschillende kampen verschilden sterk, maar over het algemeen konden de Nederlanders wat spullen meenemen als ze geïnterneerd werden. Soms was er ook materiaal als potloden en papier aanwezig, maar er waren ook kunstenaars die zelf verf uit planten en aarde maakten. De tekeningen werden vaak verborgen voor de Japanners en pas na de oorlog tevoorschijn gehaald.

“De gevangenen zaten drieënhalf jaar hutjemutje op elkaar, ze zijn minstens wel één keer ziek geweest. Ze kregen te maken met ongedierte, cholera, malaria. Ze moesten zelf latrines scheppen, er was geen riool. En zeker aan het eind van de oorlog begonnen honger en verzwakking een rol te spelen. Een kleine infectie kon al fataal zijn. Qua medicijnen was er bij wijze van spreken nog net een aspirientje.

Frida Holleman Japanse wachtBeeld Museon

Een familiebezoek bracht Frida Holleman (1908 – 1999) in 1939 naar Nederlands Indië. De Leidse kunstenares had al schilderlessen gevolgd in Parijs en in het Engelse Cornwall. Op Bali leerde ze het kunstenaarsechtpaar Hofker kennen. Ze bleef er tot de Japanse inval. In de Jappenkampen bleef ze schilderen en tekenen, maar nu niet de kleurige landschappen en naakten die ze gewoon was te maken, maar de barse realiteit van het concentratiekamp. Holleman overleefde de oorlog, keerde terug naar Nederland en bleef haar leven lang schilderen.

“De drang om te overleven was natuurlijk erg sterk en ze moesten die eindeloze uren in het kamp door weten te komen. Ze maakten gebruiksvoorwerpen als schoenen en er werd ook veel gehaakt, geborduurd en gebreid. Ondanks alles probeerden ze zich te vermaken met kaartspellen, muziek, tekenen, toneel en cabaret.” 

Kees van Willigen, Krijgsgevangenen en bewakers in het Changi-kampBeeld Museon

Kees van Willigen (1915 – 1990) had in Duitsland een juweliersopleiding gevolgd en ging, na te hebben gewerkt in zijn geboortestad Den Haag, naar Batavia in Nederlands-Indië waar hij zich als juwelier vestigde. Hij kwam niet terecht in een Jappenkamp, maar werd als krijgsgevangene verscheept naar Burma. Deze tekening is gemaakt in Singapore, waar het grootste Japanse krijgsgevangenkamp gevestigd was op een voormalig Britse legerplaats. In dit kamp, Changi, waren op een bepaald moment wel 150.000 militairen opgesloten. Aan het einde van de oorlog werden er 10.000 bevrijd. Van Willigen overleefde de oorlog en vestigde zich als kunstschilder in Frankrijk.

Van Rijn vindt het ontroerend om te zien hoe het leven gewoon doorging in de kampen. Zo maakte Leo Reinders als krijgsgevangene in het Singaporese kamp Changi van alles wat hij maar kon vinden een viool: van een medicijnkist van het Rode Kruis, tafelpoot, stukjes triplex en lichtdraden. Zo was het kamporkest dat muziek van Beethoven en Bach ten gehore bracht een violist rijker.

Indonesiërs onthaalden de Japanners aanvankelijk met vlaggetjes en gejuich, vertelt Van Rijn. “Voor een deel was dat propaganda, maar er waren zeker veel Indonesiërs die hoopten dat door hun komst de onafhankelijkheid begon na bijna vierhonderd jaar Nederlandse overheersing. Japan heeft die gevoelens en sentimenten aangewakkerd en die kwamen na de Japanse capitulatie tot uitbarsting.”

Pim van Boxsel (1924 – 1995) was nog een, niet al te gemotiveerde, scholier toen hij werd geïnterneerd. In het kamp tekende hij honderden portretten en karikaturen in ruil voor voedsel. Onder deze barre omstandigheden ontdekte hij zijn talent, wat hij zou uitbouwen tot een succesvolle carrière.

Terug in Nederland deed hij een poging een opleiding te volgen, maar na een maand meldde hij zich aan om andere repatrianten op te gaan halen uit Indië. Op het schip tekende hij menukaarten. Daarna leerde hij in de praktijk verder, in Parijs en later weer in Nederland. Hij illustreerde een aantal boeken uit de populaire reeks over de piloot Biggles. Daarna bouwde hij een oeuvre op van kinderboekenillustraties, reclametekeningen, politieke prenten en vrij werk.

Veilig in de kampen

Soekarno en Mohammed Hatta verklaarden Indonesië op 17 augustus 1945 onafhankelijk. “Bendes van nationalistische jongeren trokken rond en moordden en plunderden, ze voelden zich vrij om duizenden Nederlanders, de kolonialen, te vermoorden. Je kreeg de gekke situatie dat mensen uit veiligheid in de kampen bleven en Japanners opeens bewakers waren tegen de buitenwereld. Op een van de tekeningen zie je dat er in december 1945 in kamp Lampersari nog Sinterklaas werd gevierd.”

Nederlandse militairen sloegen hard terug en maakten zich schuldig aan executies onder andere in het toenmalige Zuid-Celebes en het dorp Rawagedeh op Java. Het Museon sluit de ogen niet voor de koloniale oorlog. “We hebben best veel voorwerpen die te maken hebben met de dekolonisatie en de koloniale oorlog. Het zou interessant zijn om ooit een tentoonstelling te maken samen met Indonesië.”

De tentoonstelling ‘Getekend, persoonlijke verhalen over de Japanse bezetting’ is tot 1 november te zien in het Haagse Museon.

Lees ook:

We moeten leren van onze fouten in Nederlands-Indië en die een plek geven in de canon

Een volk leert het meest van zijn schaduwkanten, aldus bestuurskundige en publicist Eduard Steinmetz. Nederland kan daarom niet om 400 jaar geschiedenis met Indonesië heen.

Slechte kennis over strijd in Nederlands Oost-Indië is pijnlijk voor slachtoffers

Echt kennisnemen van hoe het ter plekke was in Nederlands Oost-Indië ten tijde van ‘Onze Jongens’ is er nog steeds niet bij, betreurt Hans Moll van de Federatie Indische Nederlanders.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden