Review

HOE HEILIG IS PLATO ?

“Hoofdzaak is dat Plato wordt vertaald zoals hij schreef en daar hebben de vertalers ijverig naar gestreefd. Vreemd overigens dat het woord 'ijverig' bijna vanzelf bij mij opkomt, als ik in deze vertaling lees. Ik zal proberen de keuze van dit woord toe te lichten, op het gevaar af, dat ik behalve argumenten ook vooroordelen uitspreek. Een daarvan zou kunnen zijn, dat ik ijver als hooguit op een na het beste beschouw van alles wat mensen kan sieren.” Cornelis Verhoeven vergelijkt de pas voltooide vertaling 'Platoon. Verzameld Werk' door een collectief van anonieme leerlingen en aanhangers van de School voor Filosofie, met de vertalingen van P. C. Boutens uit 1919 en Gerard Koolschijn uit 1987. Platoon. Verzameld Werk, Uitg. Ars Floreat, Postbus 74082, 1070 BB Amsterdam 1984-1993, 11 delen; elk deel is los verkrijgbaar, deel 1 t/m 9 f 32,50 per deel, 10 en 11 f 45,- per deel, hele serie f 225,-.

CORNELIS VERHOEVEN

Daarvan zijn er, lijkt me, twee soorten. De eerste soort wordt vertegenwoordigd door teksten en figuren waar je nauwelijks contact mee kunt krijgen. Ik kan mij voorstellen, dat voor veel mensen de verhalen over Pythagoras dat soort van dorheid vertegenwoordigen. Iets als respect weerhoudt je ervan het allemaal gewoon onzin te vinden, maar je moet toch wel erg je best doen om de betekenis ervan te zien. Als je wat kordaat en tevens weinig historisch bent ingesteld, kom je eventueel tot de conclusie, dat de geschiedenis van de filosofie ook een heleboel onzin heeft opgeleverd - en daar kan het dan bij blijven.

Een tweede soort van dorheid lijkt mij gevaarlijker en zij komt waarschijnlijk meer voor en waarschijnlijk in betere kringen. Maar zij is moeilijker te herkennen en toe te geven omdat zij zich soms aandient als ijver of zelfs als sappig enthousiasme. Dat is de deftige dorheid die het gevolg lijkt te zijn van een teveel aan eerbied. Sommige teksten zijn in de loop van de geschiedenis zo heilig geworden, dat zij juist daardoor verlammend zijn gaan werken. Je kunt ze alleen nog maar dogmatiserend en hieratiserend nazeggen, voorzichtig afstoffen als relikwieen in gouden kastjes, maar er zelf geen spoor van leven meer in ontdekken.

Soms heb ik de indruk, dat het werk van Plato door deze steriele vorm van verering wordt bedreigd. Hij lijkt zo definitief bijgezet in het museum van de klassieke pronkossen, dat zijn eigen teksten totaal verstommen. Er gebeurt mee wat Plato zelf van alle geschreven teksten vreesde: ze staan daar maar te zwijgen als verstarde plaatjes en hebben niets te zeggen. Ze moeten ooit hebben geleefd en als dialogen snel op en neer gegaan zijn tussen levendige en speelse mensen, maar nu lijken ze in hun verhevenheid bevroren.

Verhevenheid, dat is het precies waardoor Plato wordt bedreigd. Zijn eigen uitbundige verticale symboliek lijkt hem geveld te hebben. Altijd wijst hij maar naar boven of naar 'verder', naar de goddelijke dimensies van het bestaan en naar het eeuwige, ontstegen aan tijd en vergankelijkheid. Het gerucht heeft zich verspreid, dat de goddelijke Plato daar het wezen der dingen localiseert. Het is de vraag, of dat inderdaad zo is en of het, voorzover het zo is, dan juist en vruchtbaar is daarop hees van respect te reageren met een plichtmatige en amechtige bewondering.

Waarschijnlijk is zo'n fundamentalistische houding altijd onfilosofisch, maar in elk geval moeten we, om Plato goed te kunnen lezen, afzien van bewondering en hem, al is het maar bij wijze van methodische exercitie, van alle verhevenheid ontdoen. Pas dan kunnen we beoordelen, of de traditie met recht aan Plato die verhevenheid en verticaliteit heeft toegekend en of hij in zijn taal werkelijk zo goddelijk is.

Wat we in elk geval op het eerste oog kunnen zien is, dat Plato schrijft in het alledaagse Grieks van zijn tijd en dat hij alle registers daarvan geraffineerd bespeelt. Hij schrijft geen wijsgerig of mystiek jargon en hij heeft bepaald geen voorkeur voor dikke of verheven woorden; eerder zouden we kunnen opmerken dat hij een zekere mate van allergie aan de dag legt voor alles wat maar een beetje plechtig klinkt en dat hij eerder ironisch dan eerbiedig gaat schrijven zodra het over de grote verheven onderwerpen als de dichterlijke inspiratie of de onsterfelijkheid van de ziel gaat. Op dat punt is zijn stijl misleidend en is hij in het gemak waarmee hij naar boven en naar verder wijst, te veel aan de letter van zijn woorden gehouden.

De kunst, kortom, van het lezen van Plato, bestaat voor een groot deel hierin, dat je zelf Plato leest, niet Plato door de ogen van een platonistische traditie of door het vernis van een dogmatiserende uitleg, die van elk beeld platte letterlijkheid maakt en van zijn levenssappen poeder. En wat voor het lezen geldt, geldt in nog sterkere mate voor het vertalen. We hebben de laatste tijd overvloedig materiaal om dat voor de vertalingen in het Nederlands te bestuderen. Wanneer ik mij een oude vertaling als die van P. C. Boutens voor de geest haal, heb ik eerder de indruk uitingen te lezen van een sterk hieratiserende Plato-vereerder dan de levende Plato zelf te ontmoeten.

Het gaat er niet om, dat die vertalingen op dit moment verouderd zijn, want dat is uiteraard het geval, maar om het feit dat ze in de tijd waarin ze werden uitgegeven, al archaisch en verheven klonken. Het lijkt wel of de vertaler een waas van eerbied voor zijn ogen had. Bij wijze van voorbeeld citeer ik een passage uit de Phaedo, het verslag van een gesprek over de onsterfelijkheid van de ziel, dat Socrates en zijn vrienden hielden voordat hij de gifbeker moest drinken. Boutens vertaalde in 1919:

“Ziet, ik-voor-mij heb onder het bijwonen eene wonderlijke ervaring gehad. Want aan de eenen kant kwam geen gevoel van medelijden bij mij op als men verwachten zou bij den dood van een bevriend man. Want gelukzalig kwam mij de man voor, o Echekrates, zoowel van gedraging als van woorden: hoe onbevreesd en eelgemoed hij eindigde. Zoodat ik den indruk kreeg, dat hij ook nu hij naar het huis van Hades ging, niet ging buiten goddelijke beschikking, maar dat hij ook wanneer hij daar gekomen zou zijn, het goed zou hebben zoo nog ooit eenig ander”.

Het tegendeel hiervan wordt vertegenwoordigd door een vertaling van Gerard Koolschijn uit 1987. Misschien is Koolschijn wel een zo goede vertaler van Plato, omdat hij hem als filosoof helemaal niet bewondert en lijkt af te knappen op zijn verticalisme. Daarmee bedoel ik niet dat zijn vertaling geen respect voor Plato als schrijver vertegenwoordigt of dat het alleen maar haar verdienste zou zijn aan de mysterieuze eis van 'hedendaags Nederlands' te voldoen, maar dat zij in het Nederlands vergelijkbare registers gebruikt als Plato deed in het Grieks. Dat maakt op zich zelf al een wereld van verschil.

“Nu, wat mij betreft, ik voelde me heel vreemd, toen ik erbij was. Aan de ene kant had ik geen medelijden, hoewel ik toch een vriend zag sterven. De man maakte op mij de indruk gelukkig te zijn, Echecrates, zowel door zijn manier van doen als door zijn woorden, zo vrij van angst en groots was zijn einde. Het kwam mij voor dat zelfs nu hij naar de andere wereld ging, dat niet zonder goddelijke instemming gebeurde en dat als het iemand daar na zijn aankomst goed zou gaan, hj dat wel was.”

De verleiding is groot dezelfde, willekeurig gekozen, passage nog in andere vertalingen te citeren. De Phaedo is namelijk dikwijls in het Nederlands vertaald. Ik haal alleen nog die passage aan in de jongste complete vertaling.

“Ik onderging het als een wonderbaarlijk gebeuren, want hoewel ik aanwezig was bij de dood van een vriend, voelde ik helemaal geen medelijden. Hij maakte een gelukkige indruk, Echekrates; zo zag hij eruit en zo klonken zijn woorden. Hij ging zo onbevreesd en waardig de dood tegemoet, dat bij mij de gedachte opkwam dat hij zelfs op de drempel van de Hades de goden nabij bleef. En ik geloof dat het hem zelfs bij zijn komst daar nog wel goed zou gaan. En is het ooit iemand daar goed gegaan?”

Ik citeerde zojuist uit de pas voltooide vertaling 'Platoon. Verzameld Werk', in 11 delen uitgegeven door 'Ars Floreat' in samenwerking met de School voor Filosofie in Amsterdam. Bij de aankondiging van de verschillende delen is als doel telkens weer opgegeven 'een geniale oude tekst om te zetten in toegankelijk hedendaags Nederlands'. Daarbij wordt ook beweerd, dat het de enige verkrijgbare volledige vertaling in het Nederlands-Vlaams taalgebied is. Misschien geldt dat nu, maar toen het werk begon te verschijnen, was de vertaling van Xaveer de Win nog volop verkrijgbaar en leek de toevoeging over 'toegankelijk en hedendaags' enige kritiek in te houden op het nogal ZuidNederlandse karakter van die vertaling. Ik herinner mij, dat daarover destijds vaak nogal schamper werd gesproken.

Hoofdzaak is dat Plato wordt vertaald zoals hij schreef en daar hebben de vertalers ijverig naar gestreefd. Vreemd overigens dat het woord 'ijverig' bijna vanzelf bij mij opkomt, als ik in deze vertaling lees, terwijl het een van de laatste dingen is waar je aan denkt, als je Plato zelf leest of als je getuige bent van het genoegen waarmee Koolschijn met die teksten bezig lijkt te zijn. Ik zal dus tenslotte moeten proberen de keuze van dit woord toe te lichten, op het gevaar af, dat ik behalve argumenten ook vooroordelen uitspreek. Een daarvan zou kunnen zijn, dat ik ijver als hooguit op een na het beste beschouw van alles wat mensen kan sieren.

Een eerste punt is, dat in deze uitgave wel plichtmatig van 'een geniale tekst' wordt gesproken, maar dat in de inleidingen van elk deel, die dikwijls stomvervelend zijn, telkens weer de indruk wordt gewekt, dat de vertalers meer in dienst staan van een boodschap die zij of hun opdrachtgevers tussen de regels door menen te kunnen lezen, dan van de tekst en van Plato zelf. Al vanaf het eerste deel lijkt die boodschap iets esoterisch en oosters te hebben en wordt ze in mallotige termen omschreven. Ik moet nu letterlijk citeren, om rechtvaardig te blijven. Het gaat, wordt gezegd, bij die boodschap om een “bevrijding uit de empirische werkelijkheid van het persoonlijke, afgescheiden gevoel van het 'ik' om vervolgens te duiken in de peilloze diepte van de transcendente werkelijkheid van het inwezenlijk Zelf. Doel van Platoons werken en van zijn Akademie is om de weg naar deze andere wereld aan te geven en mensen op te wekken die weg te gaan.”

Mogelijk wordt hier het doel van de School voor Filosofie omschreven, waar ik dan geen cent voor geef, en wordt daarmee ook de zelotische ijver van de vertalers verklaard. Zij werken op terrein A om op terrein B iets te bereiken. Zolang ik Plato als een geniale schrijver en een levendige denker beschouw, ga ik ervan uit, dat hij niet iets totaal anders bedoelde dan hij opschreef, vooral wanneer dat iets zo simpels zou zijn als het 'inwezenlijk Zelf'.

Is deze ijver nu respect of bazigheid? Dat is een tweede kwestie die hij bij mij oproept. De vertalers vormen een collectief van anonieme leerlingen en aanhangers van de school. Ik kan hen dus niet bij naam en toenaam prijzen of bekritiseren, zoals ik dat kan bij Plato zelf en zijn al genoemde vertalers. Al eerder werd er door de leiding van de school op gewezen, dat het anoniem werken in een team in de Middeleeuwen heel gewoon was. Heel sterk vind ik dat argument niet. Het riekt een beetje naar een machtsstructuur waar ik Plato niet graag aan zou toevertrouwen. Ik denk, dat alleen in de allerbelabberdste uitleg zijn werk daarin zou passen. Natuurlijk telt alleen het resultaat en dat is heel redelijk. Jammer dus dat we de verpakking niet zo maar kunnen weggooien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden