InterviewMira Feticu

Hoe een nep-Picasso het leven van Mira Feticu voorgoed veranderde

De geroofde Picasso die Mira Feticu terugvond in een Roemeens bos bleek nep.Beeld Inge van Mill

Schrijfster Mira Feticu dacht dat ze een geroofde Picasso had teruggevonden in een Roemeens bos. Maar het bleek een neptekening, een stunt van een theatergezelschap. Die stunt veranderde haar leven. ‘Je voelt je belachelijk.’

Het was een keerpunt in haar leven, zegt schrijfster Mira Feticu. Toen ze neerknielde op de besneeuwde grond, midden in het bos, een steen weghaalde, groef met haar handen. En toen ze daar het plastic mapje zag liggen met ‘Tête d’Arlequin’: een tekening van Pablo Picasso. Een wereldberoemd kunstwerk, zes jaar eerder geroofd uit de Kunsthal in Rotterdam. En nu teruggevonden in een uithoek van Roemenië, uitgerekend door haar!

Hoe voel je je op zo’n moment? Hoe voel je je als je na een anonieme tip het vliegtuig hebt gepakt, daarna de boot en de taxi, als je in de snijdende kou gaat graven onder de aangewezen boom? En als daar dan inderdaad een verloren gewaand kunstwerk ligt?

Uitgelaten blij, zo is te zien op een filmpje op de NOS-site van 17 november vorig jaar. Feticu schreeuwt het uit: “We hebben hem gevonden!”

Een jaar geleden was Feticu even wereldnieuws, samen met schrijver Frank Westerman, want hij vergezelde haar op haar tocht. Tientallen journalisten rapporteerden over hun spectaculaire vondst in het Roemeense bos. Maar binnen een dag kwam de grote deceptie: de Picasso was nep, net als de anonieme brief die Feticu had ontvangen. Het bleek een stunt van twee Belgische theatermakers, Yves Degryse en Bart Baele, en meestervervalser Geert Jan Jansen (zie kader).

Mira Feticu toont de gevonden (nep-)Picasso aan een tv-ploeg.Beeld NOS

Hoe voel je je als blijkt dat je slachtoffer bent van een ‘grap’ van theatermakers die je helemaal niet kent? En als je daarmee ook nog eens te kijk staat voor de wereldpers? ‘A stolen Picasso in the Woods? Not so fast’ kopte The New York Times. Een gestolen Picasso in het bos, wie trapt dáár nou in?

Nou, Mira Feticu dus. En ze schreef er een boek over: ‘Picasso’s keerzijde. De zoektocht naar een verloren kunstwerk’. “Je schaamt je voor jezelf, je voelt je belachelijk, je vraagt je af: wie ben ik, waarom doe ik dat soort dingen?”, vertelt de van oorsprong Roemeense schrijfster in haar met boeken volgestouwde woonkamer in Rijswijk. “Ik was enthousiast en naïef. Ik heb me geen seconde afgevraagd: zou dit geen stunt zijn?

“Het was fantastisch om het schilderij uit de grond te halen, om te denken dat het een van de zeven gestolen werken uit de Kunsthal was. Een glorieus moment. Een dag later bleek dat ik genaaid was door mensen die zó cynisch zijn dat ze een Picasso laten naschilderen en in Roemenië gaan begraven. Dat heeft alles belachelijk gemaakt.

“Mijn dochter noemde me gênant. Ze doelde op het moment waarop ik in het NOS Journaal zat met het schilderij in mijn handen. Ik liet het bijna vallen en zei: ‘Oeps’. Dat vond ze verschrikkelijk. Ik heb een kritische dochter.”

Wat gebeurde er in Roemenië, na de vondst van de Picasso?

“Frank en ik namen het schilderij mee naar de ambassade en zijn daarna urenlang door de anti-terreurbrigade van de Roemeense politie verhoord. Die vertrouwde het niet, ze dachten dat wij een stunt uithaalden. De volgende dag moesten we met de politie terug naar het bos voor een reconstructie. Het was ontzettend koud, we hadden geen wc, geen eten, we moesten wachten en wachten. Frank wilde niks meer, ik moest hem ervan overtuigen dat de Roemeense politie echt nog veel erger kan zijn, dat we ons beter een beetje zen konden gedragen.

“Toen we eindelijk terugreden naar Boekarest, kreeg Frank een e-mail van de theatermakers. We zaten in het donker naast elkaar, doodmoe, en ineens zegt Frank: ‘Mira, je gelooft dit niet, die Picasso is een grap.’ Ik zei: ‘Dit is toch niet waar?’ Zo ging het. Je valt van boven naar beneden en begrijpt er niks meer van.”

Toen waren jullie weer wereldnieuws: ‘Gevonden Picasso blijkt nep’. Waarom hadden jullie überhaupt al zo vroeg de publiciteit gezocht?

“Ik weet precies hoe die dingen lopen in Roemenië, de Roemeense politie is bepaald niet je vriendje. We wisten: we moeten de pers aan onze kant hebben. We hielden constant contact met de NOS, maar ook met journalisten uit Vietnam, uit Amerika. Als de politie ons drie dagen had opgesloten, dan zouden die journalisten zijn gaan bellen, navragen. De pers was onze reddingsboei.”

De stunt van de theatermakers pakte voor u en Frank Westerman ongelukkig uit. Maar die vervalste Picasso paste wel mooi bij hun voorstelling ‘True Copy’. Die gaat over de hypocrisie van de kunstwereld, over echt en nep en de waarde van een kunstwerk.

“Maar wij zijn twee onbekende mensen voor hen. We hadden elkaar nog nooit ontmoet. Je kan zoiets niet doen. Je mag andere mensen niet gebruiken, dat moet je leren als kind. Ook al ben je kunstenaar, je staat niet boven de moraal. Kunst maak je niet over de ruggen van anderen. Kunst is naar mijn gevoel wat serieuzer.

“Wat deze mensen doen is zo ver van mijn bed. Ik ben heel anders opgevoed: de sterrenhemel is boven je en de morele wet in je.

“Ik ben net weer terug uit Roemenië, waar ik interviews heb gemaakt met slachtoffers van het regime. Mensen die werden gemarteld dertig jaar geleden, mensen die hun ouders kwijtraakten, broers, kinderen die werden doodgeschoten. Ik ben in 2005 naar ­Nederland geëmigreerd, maar als ik in Boekarest ben, heb ik nog altijd de angst: stel dat ze me hier vasthouden. Dan vraag ik mijn man die in Nederland is gebleven: wil je elke twee uur checken of ik nog bereikbaar ben?

“Uit zo’n werkelijkheid kom ik. En dan maken twee Belgen een grap en sturen ze mij naar Roemenië.”

U zou de hele kwestie ook wat luchtiger kunnen opvatten.

“Ja dat kan. Het publiek heeft het ook als een grap gezien. Maar het publiek zat niet in het verhoor, niet in een bevroren bos voor de reconstructie. Een Nederlander weet niet wat het betekent om te vluchten uit een geschiedenis en daar dan weer drie dagen in opgesloten te zijn. Het Westen is een moreel grijze wereld, ik ben opgegroeid met een scherper onderscheid tussen goed en kwaad. Ik heb een ander soort humor misschien.”

Wat verwijt u deze drie mannen vooral?

“Dat ze niet hebben nagedacht over de gevolgen van hun daden. ‘Het is nooit onze bedoeling geweest dat u zelf naar Roemenië zou reizen’, schreven Degryse en Baele in hun e-mail. Die was trouwens gericht aan Mira Fetuci, in plaats van Feticu, ze hadden mijn naam niet eens correct geschreven, dat laat al zien hoe onverschillig ze zijn. Maar hoe had ik moeten begrijpen dat ik géén gehoor aan hun brief had moeten geven? Waar in die brief stond dat dan?

“Ik ben voor hen een vreemde, iemand zonder gezicht, ze hebben nooit een seconde gedacht: wie is die vrouw, wat is haar geschiedenis, misschien kan ze niet goed slapen als ze deze brief niet gaat checken, terwijl ze ook journalist is.”

Hebben ze ooit sorry gezegd?

“Ze hebben hun spijt betuigd in die allereerste e-mail, die we kregen op de terugweg uit het bos. Maar daarna niet meer, ik heb ook nooit meer een uitnodiging gehad voor een gesprek. Wel zijn Frank en ik naar hun voorstelling geweest.

“Na afloop kwam Degryse naar ons toe, hij gaf Frank een hand en wilde mij ook een hand geven. Maar dat kon ik niet. Een hand geven betekent: ik wil vrede. En ik heb geen vrede met alles wat er is gebeurd. Degryse heeft, zonder mij te kennen, mijn wereld geschud. Hij is een mens zoals ik, zonder recht op mijn leven. Hij speelde god.”

U noemt hem een kleine miezerige god in uw boek.

“Precies. Ik wilde best met hem praten, maar ik zat ook met mijn gevoelens. Toen ik zijn hand weigerde, zei hij: ‘Je gaat wel ver’. Mijn redactrice zat erbij en begon te lachen: ‘Jij gaat ver?!’”

Met uw boek rakelt u de hele kwestie weer op. Waarom doet u dat?

“Die vier dagen in Roemenië hebben mijn leven veranderd. Ik was heel ongelukkig in de samenwerking met een externe partij op mijn werk, er waren ook grote spanningen met mijn leidinggevende. Maar zij kon nooit een reden vinden om me te ontslaan, iedereen wist dat ik goed was in mijn werk.

“Toen ik in het nieuws kwam met de nep-Picasso, begon ze me met berichtjes te bombarderen. Je maakt je belachelijk, zei ze, je mag niet meer terugkomen op je werk. Ze heeft deze kwestie gebruikt als stok om me te slaan, ja. Na terugkomst heb ik een advocaat genomen en zijn we overeengekomen dat ik nog vier maanden salaris kreeg.

“Ik belandde in een soort existentiële crisis: ik had geen vaste baan meer, daardoor kunnen we dit huis niet meer betalen. Je hebt de te koop-borden aan de gevel wel gezien. Ik voelde me schuldig tegenover mijn man en mijn dochter.

“Hoe verwerk je zoiets? Ik ben een schrijver, ik had geen alternatief, ik schrijf altijd alles op, zo ga ik door het leven.”

Bent u nog boos?

“Nee. Al begrijp ik nog steeds niet wat deze drie mensen bezielt. Dit avontuur heeft voor mij ook positieve gevolgen gehad, het heeft me bijvoorbeeld dichter bij mijn man gebracht. Hij zei: ‘Vier dagen lang ben je jezelf geweest. Blijf vooral jezelf.’

“Ik krijg ook ontzettend aardige reacties. Vijf weken geleden zei een jongeman in de trein: ‘Ik ken u van tv, ik vond het zo bijzonder wat u heeft meegemaakt.’ Veel mensen schreven me dat ze mijn zoektocht naar de Picasso ­zagen als een poging om iets goeds te doen. En ik heb mijn echte natuur laten zien: zo ben ik, een beetje belachelijk, een beetje naïef, ik geloof alles. En dat blijf ik doen, geloven, al is dat helemaal niet makkelijk.”

‘Picasso’s keerzijde. De zoektocht naar een verloren kunstwerk’ van Mira Feticu is verschenen bij uitgeverij Querido Fosfor en kost 18,99 euro.

Picassogate

‘Ik ben het zat om voor Tête d’Arlequin te zorgen. Het verhaal moet stoppen.’ Zo begon de anonieme brief die Mira Feticu in november 2018 ontving. De brief was geschreven in het Roemeens en bevatte aanwijzingen over de plek waar het kunstwerk begraven zou zijn: in een bos in de buurt van het Roemeense Carcaliu. Laat dat nu het dorp zijn waar de hoofdverdachte van de Kunsthalroof vandaan kwam. Bij die roof in 2012 werden zeven kunstwerken gestolen, waaronder de Tête d’Arlequin. Waarschijnlijk zijn al deze kunstwerken in Roemenië verbrand, al is dat niet voor alle zeven bewezen.

Voor haar roman ‘Tascha. De roof uit de Kunsthal’ (2015) had Feticu zich grondig in deze zaak verdiept. Vandaar dat haar hart sneller begon te kloppen toen ze de anonieme brief ontving: zou één van de kunstwerken dan toch bewaard zijn gebleven?

Later bleek dat de brief afkomstig was van Yves Degryse en Bart Baele, die samen het Vlaamse theatergezelschap Berlin vormen. Zij hadden dezelfde brief ook naar twee andere Nederlandse adressen gestuurd en eerder al naar drie Roemeense adressen. Hun verwachting was dat een van de Roemeense contacten op onderzoek zou uitgaan. Ze beschouwden de brief aan de drie Nederlandse contacten, onder wie Mira Feticu, als ‘back-upplan’.

Zelf zien de theatermakers hun actie niet als een stunt maar als een ‘interventie’ die hoort bij hun voorstelling True Copy. Die gaat over schilder Geert Jan Jansen (76), die in 1994 tegen de lamp liep als vervalser en een half jaar in de cel zat. Jansen schildert nog steeds ‘in de stijl van’ beroemde kunstenaars. Speciaal voor de stunt tekende hij de Tête d’Arlequin na.

‘True Copy’ ging op 28 november 2018 in Antwerpen in première ging en was afgelopen zomer ook in Nederland te zien. Beelden van Feticu en Frank Westerman, die haar vergezelde, zijn in de voorstelling gemonteerd: je ziet de twee (overigens onherkenbaar) door het Roemeense bos lopen en de Picasso opgraven.

Trouw-recensent Hanny Alkema gaf de voorstelling vijf sterren. “True Copy zet theater simpel en vooral grandioos in als middel tussen verbeelding en goedgelovigheid. Wat is wel, wat is niet waar? Is cult kunst of namaak?”

Lees ook:

De meestervervalser onthult zijn trucs: ‘Soms een beetje schoenpoets bij de vernis’

Als meestervervalser schokte Geert Jan Jansen de kunstwereld. Nu onthult hij in een theatervoorstelling zijn tactieken. Hoe maak je een nieuwe Rembrandt authentiek oud? ‘Een beetje schoenpoets door de vernis.’

De recensie van theatervoorstelling True Copy leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden