Review

Hoe de West tobberig werd geloosd

In de reeks naoorlogse regeringsopdrachten mag De Jongs grote geschiedeniswerk over Nederland in de Tweede Wereldoorlog gelden als voorbeeld van een uit de hand gelopen opzet. De deze week verschenen geschiedenis van het Nederlandse dekolonisatiebeleid in de Cariben, door Gert Oostindie en Inge Klinkers, kan zonder bezwaar als een goede tweede worden beschouwd.

Daar is niets kwaads mee gezegd. Het gaat om (voorlopig) onmisbare naslagwerken en liefhebbers van details zijn ook nu weer een poosje van de straat. Maar anders dan De Jong richten Oostindie en Klinkers zich op een heel kleine groep (zij die geïnteresseerd zijn in het Statuut voor het Koninkrijk, dat in 1954 tot stand kwam om de verhouding tussen Nederland, Suriname en de Antillen te regelen). Omdat zij De Jongs ambitie missen om als een ouderwetse schoolmeester in de eerste plaats verteller te zijn, moet gevreesd worden dat die kleine groep belangstellenden na het verschijnen van dit werk nauwelijks groter zal worden.

En als het werk een discussie zal losmaken, zal die waarschijnlijk beperkt blijven tot het harde oordeel dat beide schrijvers in het tweede deel vellen over het beleid van het kabinet-Den Uyl bij het totstandkomen van de Surinaamse soevereiniteit in 1975 - een beleid, dat juist bedoeld was om te ontkomen aan de fouten en trauma's van de afwikkeling van de Indonesische kwestie tussen 1945 en 1949.

Oostindie en Klinkers hebben hun boek 'Knellende Koninkrijksbanden' genoemd en dat 'knellend' blijkt in de geschiedenis na 1954 niet alleen van toepassing te zijn op de gevoelens in Paramaribo, Willemstad of Oranjestad. Ook in Den Haag is menigmaal met geprangd gemoed het Statuut voor het Koninkrijk uit de kast gehaald. Vooral de opstand in Willemstad in 1969, toen Nederlandse mariniers de orde op Curaçao moesten herstellen, mag als een keerpunt in het denken van heel wat Nederlanders worden gezien. Op de lange weg naar het totstandkomen van het kabinet-Den Uyl vond dat zijn weerslag in het uitspreken van de wens de banden met de West te slaken.

Het mag dan waar zijn dat Den Uyl c.s. in februari 1974 min of meer verrast waren door de aankondiging van de nieuwe Surinaamse premier Arron dat zijn land zelf het initiatief nam en ultimo 1975 onafhankelijk wilde zijn, maar Den Haag is opvallend gretig op die wens ingegaan - óók om voor het oog van de wereld niet als ouderwetse kolonialist te kijk te staan.

Aarzelingen in het kabinet (mede ingegeven door de voor zo'n gecompliceerde zaak toch wel erg krap bemeten tijd) kwamen in de praktijk nauwelijks tot gelding. ,,Als smeerolie in het hectische proces van de onderhandelingen werkte de tegemoetkomende houding van Nederland aan de onderhandelingstafel'', schrijven Oostindie en Klinkers. Zij zien daar de leidraad van het Nederlandse eigenbelang in, het verlangen een probleem buiten de landsgrenzen te brengen.

Oostindie en Klinkers gaan zelfs zo ver vast te stellen dat het kabinet daarbij het uitgangspunt van het Statuut 'heeft omzeild, zo niet overtreden', onder andere door zich met het bewerken en masseren van de oppositie in Suriname te mengen in de interne aangelegenheden van Suriname en te zwijgen over 'de allerminst onberispelijk verlopende bestuurlijke gang van zaken' in het laatste halfjaar voor de soevereiniteitsoverdracht. Een pikant detail is, dat in het derde deel van dit boek wordt onthuld hoe in het begin van de jaren negentig ook in het derde kabinet-Lubbers alsnog de twijfel over de gang van zaken binnensloop en hoe op instigatie van minister Hirsch Ballin de vraag onder ogen werd gezien of Suriname niet een opening moest worden geboden tot 'een reïntegratie, dan wel zeer nauwe verbintenis met het Koninkrijk, namelijk in een Gemenebestconstructie'. Wat die 'gemenebestconstructie' inhield, wordt niet onthuld; wel de namen van Hirsch Ballins medestanders: Lubbers, Van den Broek en (warempel!) Pronk - de man, die toch in 1975 mede zo zwaar zijn stempel gezet heeft op de onderhandelingen met Suriname.

Jammer dat Jagernath Lachmon, de gisteren overleden Surinaamse oppositieleider van die jaren, niet meer echt heeft kunnen genieten van het gelijk van 25 jaar geleden, dat hem nu in een Nederlandse wetenschappelijke studie wordt toegekend, al zou hij betreurd hebben dat het werk voornamelijk op Nederlandse bronnen steunt. Op grond daarvan komen Oostindie en Klinkers ook tot de uitpraak over die jaren 1974-1975; een regelrechte weigering zou het kabinet-Den Uyl in een onmogelijke positie hebben gebracht. Ze zijn dus wel zo streng om in historisch perspectief een ambtsmisdrijf van een Nederlands kabinet -omzeiling, zo niet overtreding van het Statuut- in kaart te brengen, maar tegelijk tonen zij zich onmiddellijk bereid de verdediging op zich te nemen.

Trouwens, enige scepsis is aan het Statuut wel besteed. Het klinkt mooi dat de rijksdelen van het Koninkrijk autonoom zijn als het om interne aangelegenheden gaat, maar tegelijk over en weer verantwoordelijk voor het handhaven van de rechtsorde en het behoorlijk bestuur. Dierbare woorden, maar de praktische moeilijkheid was (en is nog steeds) dat binnen de Koninkrijksverhoudingen het Europese rijksdeel een nadrukkelijk overwicht heeft, zodat in de praktijk steeds van een éénrichtingsverkeer sprake is.

Hoe zou het geweest zijn als in 1945 Indonesië niet de weg van de revolutie had gekozen, maar ook met Nederland, Suriname en de Antillen aan de tafel was gaan zitten om te onderhandelen over een koninkrijk-nieuwe-stijl, zoals het Londense kabinet dat koningin Wilhelmina op 7 december 1942 (in de meest vage termen) in de mond had gelegd?

Een onzinnige vraag, want de geschiedschrijving is er niet om hypotheses onder ogen te zien. Toch is duidelijk dat Suriname en de Antillen in hoge mate geprofiteerd hebben van het gewelddadig slaken van de band met Indonesië. Ze zouden politiek doodgedrukt zijn als er van meet af aan sprake was geweest van een vierhoeksverhouding.

Overigens zijn de hoofdstukken die Oostindie en Klinkers wijden aan de besprekingen in de Londense kabinetten door hun beschrijving van een onrealistische kijk op de werkelijkheid, van het voortdurend aftasten van een onzekere toekomst en van de bijna onoverbrugbare politieke tegenstellingen, even wrang als vermakelijk. Het is mooi dat de schrijvers ons dit als opmaat tot de naoorlogse geschiedenis niet hebben willen onthouden.

Vermakelijk is ook (al wordt het allemaal uiterst onaandoenlijk opgeschreven) hoe de Nederlandse Antillen en Aruba hun voordeel hebben weten te doen met de situatie na het afscheid van Suriname. Aanvankelijk was het ook de bedoeling van Nederland dat de Caribische eilanden de weg van Suriname zouden volgen, maar door een slim gespeelde politiek in Willemstad en Oranjestad (voortdurend blijven praten en uitstellen) zijn de rijksdelen dichter bij elkaar gekropen dan aanvankelijk de bedoeling was. De kans dat Nederland nog eens tot een boedelscheiding komt, is kleiner dan ooit.

Het naoorlogse proces van de dekolonisatie in het gebied van de Kraalzee (zoals marinemensen de Caribische Zee nog graag aanduiden) stagneert, is misschien zelfs tot stilstand gebracht. Dat heeft veel te maken met de geringe omvang van de gebieden en het feit dat het om eilanden gaat - Britse pogingen om voor hun versnipperde gebieden een federatie op te zetten, mislukten - maar evenzeer met een gewijzigde visie van de grote mogendheid, die hier steeds aanwezig is: de Verenigde Staten. Eens was Washington de strenge toezichthouder bij het proces van de dekolonisatie in de wereld. Maar nu vlak voor de eigen deur een oorlog tegen de drugs in eigen land en Latijns-Amerika moet worden gevoerd, denkt het opeens heel anders over de aanwezigheid van een paar betrouwbare Europeanen in de buurt. Porto Rico en de Maagdeneilanden ondervinden nu dezelfde koestering van Washington als de Antillen en Aruba van Den Haag. In Willemstad en Oranjestad weten ze dat en ze houden zich muisstil.

Als de Koninkrijkbanden nog knellen, dan wordt dat vooral híer ervaren. Maar we moeten wel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden