Boekrecensie

Hoe de tuin een vriend kan zijn

Beeld Colourbox

Twee prachtboeken, van Penelope Lively en van Pia Pera, over de tuin als vriend.

Leven in de tuin, van Penelope Lively

Even voor de volledigheid: ik schrijf dit artikel uitkijkend op mijn valeriaan, die sinds enkele dagen in bloei staat, en de net opgekomen lelies, die door omgekeerde whiskyglazen worden beschermd tegen slakken. Ik zit met mijn laptop op de tuin - ja, ‘op’, dat voorzetsel gebruik je als het gaat om een volkstuin. Thuis heb ik nog een lap groen, die door fanatiek betegelende buurtgenoten ‘die jungle’ genoemd wordt. Het barst daar momenteel van de rozen, maar mijn kamperfoelie heeft last van een hardnekkige luis.

Kortom: ik ben wellicht bevooroordeeld als het gaat om Penelope Lively’s ‘Leven in de tuin’. De veelgeprezen roman- en kinderboe-kenauteur beschrijft hierin de rol die groen in haar tot nu toe 85 jaren speelt. Van een toverachtige groene oase in Cairo, waar ze opgroeide, tot de postzegel die ze nu achter haar Londense huis heeft. Van het daadwerkelijk met je handen in de aarde wroeten tot het eindeloos lezen over andermans geploeter.

Voor Lively lopen tuinen in het echt en als metafoor altijd door elkaar. Allereerst omdat ze vaak met een verhalend doel voor ogen zijn aangelegd: een klein stukje Japan, een eigen versie van Versailles. Of een speel- en ontdekparadijs voor kinderen, zoals Kate Middleton recent bij de Chelsea Flower Show liet zien. Andersom maken tuinen verhalen los bij degenen die zich erin bevinden. Al was het maar omdat je nooit precies weet wat er achter de struiken gebeurt, en ’s nachts in het donker. Sinds de Hof van Eden is de tuin de plaats waar beslissende momenten plaatsvinden. In kinderboeken weten de hoofdpersonen, juist door te verdwalen of onder een boom in slaap te vallen, zichzelf te ontdekken, groter te groeien.

Afgeknipte nagels

In de beeldende kunst en de literatuur hebben planten en bloemen van klimop tot krokus allerhande bijbetekenissen gekregen. Lively leidt de lezer associatief langs allerlei voorbeelden uit haar boekenkast. Van hartstochtelijk schoffelende auteurs als Virginia Woolf tot professionele tuinschrijvers, die elk op hun eigen manier precies weten hoe het allemaal moet. Tijdens het lezen van ‘Leven in de tuin’ pakte ik geregeld google erbij, aangemoedigd door Lively’s enthousiasme over een of ander boek. Vooral naar de Tsjechische auteur Karel Čapek werd ik onmiddellijk benieuwd. Niet alleen schrijft hij naar verluidt hilarisch - de tuin eerder als een tegenstander beschouwend dan als een partner in de strijd - ook is het fantastisch dat er naast mij nóg iemand blijkt te hebben bestaan die afgeknipte nagels in de aarde gooit bij wijze van kleinschalige bodemverbetering. Kom daar maar eens om, bij de tuinafdeling van de bouwmarkt, waar de meeste mensen toch vooral staan te dralen bij de flessen tegen groene aanslag.

Schrijfster Penelope Lively

De inhoud van de begrippen ‘tuin’ en ‘tuinieren’ is in de loop der tijd sterk veranderd. Dat beschrijft Lively heel helder, al heb ik wel een kanttekening: haar ‘tuingeschiedenis’ is vrijwel uitsluitend West-Europees georiënteerd. Onze groenvoorzieningen zijn tegenwoordig ogenschijnlijk kosmopolitisch, aangezien in ons gematigde en natte klimaat bijna alles van over de hele wereld het doet. De exotische planten passen zich aan, de tuinier niet, en die is bij Lively vooral erg Brits. Behalve dan de volkstuinier, want die komt de helft van de tijd uit een etnische minderheid.

Onze keus voor bepaalde planten en bloemen (of juist het ontbreken van levend groen) laat bovendien vrij precies zien waar we ons op de sociale ladder (willen) bevinden. Over ‘goede smaak’ in de tuin is al evenveel geschreven als over onkruidbestrijding. Je kunt je ongewild bij de lower class scharen door de verkeerde soort dahlia te planten. En een ‘wilde’ (maar in de praktijk minutieus bijgehouden) tuin duidt meestal op een hoogopgeleide bewoner.

Uit zichzelf wil groen trouwens altijd terug naar chaos, schrijft Lively. En inderdaad: als ik in pakweg mei een paar dagen niet op mijn volkstuin ben geweest, is het alsof iemand er pakken vol onkruidzaad heeft uitgestrooid. Hoe meer je schoffelt, hoe duidelijker wordt hoe kunstmatig de orde is die je aanbrengt.

“Bij het tuinieren vallen verleden, heden en toekomst samen; de tijd wordt getrotseerd”, is Lively’s interpretatie. Inmiddels doet ze zelf aan ‘tuinieren voor oudjes’: een beetje plukken, maar niet meer bukken, want dat gaat niet meer.

Nog altijd is de tuin de plek waar ze tot rust komt en tot nadenken. Dat gun je iedereen. Misschien moet ik het boek eens uitlenen aan mijn buurtgenoten.

Penelope Lively
Leven in de tuin
Vert. Nadia Ramer De Geus; 224 blz. € 20

Ik heb het de tuin nog niet verteld, van Pia Pera

I Haven’t Told My Garden Yet, luidt de opening van een gedicht van Emily Dickinson over de naderende dood. Het werd de titel van het laatste boek van Pia Pera, de Italiaanse schrijver en vertaler (uit het Russisch). Op een dag zal de tuinman er niet meer zijn. “Opeens zal hij iedere zorg staken. De natuur wordt weer de enige kracht, beëindigt de dialoog tussen mens en landschap zoals vervat in de tuin, de meest vluchtige der kunsten.” En die arme tuin weet van niets, want ‘ik heb het de tuin nog niet verteld’.

De nog geen zestigjarige Pera lijdt aan ALS en moet afscheid nemen van het leven, van haar hond Vlekkie, van de tuin, van de beweeglijke persoon die ze ooit was. Het ene moment bereidt ze zich voor op de dood (een zelfgekozen dood in een levenseindekliniek in Zürich?), het volgende vertrouwt ze op haar genezing, want waar een oorzaak is (disharmonie door elektromagnetische velden, verkeerd voedsel, of een fout ingeslagen weg?), is een oplossing.

Ze wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en wanhoop, aanvaarding en verzet. Ze zoekt haar heil bij stamceltherapie, maar ook, vaak tegen beter weten in, bij iedere alternatieve genezer die haar maar wordt aangeraden door vrienden of lotgenoten. De kwakzalvers worden met even veel hartstocht opgehemeld als verketterd. Pera beseft hoeveel kostbare tijd ermee zoet gaat. Maar ja, ze doet alles om haar ‘vermogen tot genezing te verbeteren’.

Dat klinkt zweverig. Maar is het niet. Daarvoor is Pera te concreet, kent ze zichzelf te goed, is haar geest te kritisch en haar taal te precies. In helder, mooi door dichter Jan van der Haar vertaald proza neemt ze ons mee in haar twijfel, haar analyse, haar blik op haar tuin, haar relatie tot vrienden, ouders, en haar tuinman Giulio. Vroeger stond ze er uit moralisme op alles zelf te doen. “Nu, als patiënt, kan ik stiekem genieten van een ethisch verdacht privilege.” Onverdeeld gelukkig is ze daar overigens niet mee, want ‘een van de onaangenaamste aspecten van de ziekte is dat je je eenzaamheid kwijt bent’. Ze gaat in dialoog met andere schrijvers en denkers onder wie Socrates, de Russische theoloog en wiskundige Pavel Florenskij, en filmer en schrijver Derek Jarman, ontwerper van Prospect Cottage, de tuin waar hij zich, voor zijn dood (hij had aids) in terugtrok. Hij ging haar, zou je kunnen zeggen, voor. Ook Pera komt nauwelijks de deur meer uit. “Ik werk en schrijf en leef tussen de bedrijven door, alles daaromheen is onderhoud.”

Schrijfster Pia PeraBeeld Getty Images

Als een rivier meandert het boek, een dagboek zonder tijdsaanduiding - we maken aan de hand van de tuin op welk seizoen het is - langs alles wat Pera bezighoudt, en dat is veel. De ene keer word je getroffen door een beeldschone omschrijving van een winterheliotroop die je niet hoeft te kennen om hem zó voor je te zien ‘met die eigenaardige bloeiwijzen die lijken op bossen varkensharen kwastjes’, de andere keer door een observatie over de alledaagse routine in de tuin: “een klusje hier, eentje daar, terwijl je al wandelend aan iets anders denkt, ronddoolt op zoek naar verrassingen die elke dag in petto heeft.” Ja, zo gaat dat. Voor Pera niet meer.

Bitter is ze niet. “Als ik langzaam loop, zie ik ook meer.” Ondertussen wordt er aan het huis gebouwd, want Giulio gaat er zijn intrek nemen om haar, net als de tuin, met hand- en spandiensten bij te staan. Er moet voor Pera gezorgd worden, als voor de tuin die, omdat zij er niet voor zorgt, steeds minder van haar is. Allengs lijkt de stroom tot rust te komen. Pera’s vermogens nemen af, de angst neemt toe. Ze is bang om afhankelijk te zijn, te stikken, om te sterven, maar ook om ‘dit boek af te maken’.

Wat begon als een boek over ‘de tuinman en de dood’ veranderde in een journal, en eindigt in contemplatie. Pera ontpopt zich tot een woestijnvader die haar eigen ziel probeert te vangen. Heeft ze het allemaal wel goed gedaan? Hoe zit het met haar obsessie voor een eenvoudig leven? Had ze niet vaker ja moeten zeggen op een buitenissig voorstel?

Er rest haar niets, dan “deze trillende ziel, die vreest dat ze alles verkeerd heeft gedaan, zo veel mogelijk omarmen.” De liefde voor haar tuin flakkert op, voor een roos, bloeiend gras, een solitaire blauwe regen die ze op stam heeft gezet. Het is voorjaar, het ‘leven dringt’ en zij moet het laten gaan. En dan schrijft ze: “hier stop ik. Wat ik voor me heb, gaat moment voor moment. Eindelijk uit de narratieve ontwikkeling stappen.” Mooi hoor. 

Pia Pera
Ik heb het de tuin nog niet verteld
Vert. Jan van der Haar Cossee; 256 blz. € 21,99

In ons dossier boekrecensies vindt u een overzicht van de besprekingen van pas verschenen fictie, non-fictie, jeugdliteratuur en thrillers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden