Review

Hoe André Malraux zichzelf verzon

,,Zou Tsjen proberen het muskietennet op te lichten? Zou hij erdoorheen stoten?'' De openingszinnen van 'La condition humaine' (door Eddy du Perron vertaald in het spreekwoordelijke 'Het menselijk tekort') kúnnen niet beter. Het zijn de overwegingen van een terrorist die op een hotelkamer over zijn slapende slachtoffer staat gebogen. Die binnenkomer tekent de fascinatie met moord en doodslag in de roman, en in al het werk van Malraux.

'La condition humaine' zit vol B-film-geweld en speelt zich grotendeels af aan de zelfkant van Shanghai, in tingeltangels en havenloodsen. Het bevat rake schetsen van verlopen aristocraten en communistische asceten, die samen tegen een fascistische overmacht strijden. Beroemd is het einde van de roman, als de verslagen opstandelingen door de troepen van Tsjang Kai-sjek één voor één in de vurige oven van een locomotief worden gesmeten, een wreedheid die aan Malrauxs verhitte verbeelding ontsproot.

Dat is niet het geval met de oorlog tussen de seksen die óók in het boek wordt gevoerd. Malraux heeft heel wat te zeggen over het machtsspel dat mannen met vrouwen bedrijven, en over de zoete wraak van een vrouw als een man zijn hand overspeelt. In de sombere schaduw van de echte oorlog vormen die valsigheden een geestig contrast.

Dat schermutselingen met vrouwen tot het dagelijks tijdverdrijf van Malraux behoorden, wist het Nederlands publiek al uit de autobiografische roman van E. du Perron, 'Land van herkomst' (1935), die hem daarin opvoert als de Parijse salonfiguur Héverlé die graag over de kloof tussen mannen en vrouwen orakelt.

In zijn biografie heeft Olivier Todd geprobeerd onderscheid te maken tussen de ware Malraux en de legende. Dat is geen sinecure met een schrijver die het motto huldigde dat 'een man is wat hij verbergt'. Malrauxs vader diende in de Eerste Wereldoorlog, en zou zijn leven lang het Franse officiertje spelen. Dat vaderlijk voorbeeld en het Gilles de la Tourette-syndroom waaraan Malraux leed -een nerveuze aandoening die hem tal van tics bezorgde- zouden hem gesterkt hebben in zijn behoefte aan martiale poses.

Maar André Malraux betrad het wereldtoneel in een andere hoedanigheid. Tijdens een verblijf in Indo-China deed hij zo'n grondige afkeer van het koloniale systeem op, dat hij in Saigon een krant oprichtte waarin hij de Franse elite kritiseerde. Maar journalistiek handwerk lag hem niet, en hij zocht naar grotere weerklank. Op het onmetelijke China, dat in een burgeroorlog met vele fronten verkeerde, kon hij de conflicten loslaten die in de westerse intelligentsia woedden.

In twee romans schilderde hij de strijd tussen de revolutionairen en de reactie als een strijd tussen licht en duisternis. Tegen een oriëntaals decor doen of verzaken zijn romanfiguren hun heilige plicht, eerst in 'Les Conquérants' (1928), De veroveraars, en later in 'La condition humaine'.

Binnen de politieke gelederen strijden hartstocht en rede, eigenbelang en opoffering om de voorrang. Zijn meeslepende politieke fictie -'La condition humaine' won in 1933 de Prix Goncourt- deed het publiek geloven dat hij niet slechts chroniqueur, maar déélnemer aan de strijd was. Malraux sprak het niet tegen.

Met zulke dadendrang wisten de communisten wel raad. In de jaren dertig werd Malraux een gevierde gast op culturele congressen in Rusland en een spreekbuis voor het sovjetstandpunt in eigen land. In 1934 bestempelde hij de door Stalin vervolgde 'koelakken' (alle niet-doodarme boeren in de Sovjet-Unie) verachtelijk als 'Amerikaanse boeren in wording'. Malrauxs zwak voor de reactionair Dostojevski en zijn dweepzucht vergaf de communistische internationale hem, zolang hij onder het publiek behalve zijn eigen avonturen ook het grote sovjet-experiment aan de man bracht.

Toen in 1936 de Spaanse Burgeroorlog uitbrak, koos Malraux de zijde van de Republiek, tegen de conservatieve generaals en de fascisten. Het ontbrak de Republiek aan vliegtuigen, en Malraux ging op pad om her en der toestellen te organiseren. In één moeite door richtte hij een squadron op dat een paar maanden lang voor de Republiek verkenningen uitvoerde. Zelf vloog hij niet, en evenmin liep hij verwondingen op. Later hield hij vol van wél. Deze deels niet-beleefde belevenissen resulteerden in een boek, 'L'espoir' (De hoop) in 1937, en in een speelfilm.

De Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting lieten hem tot 1944 onverschillig. Pas toen zijn broers gevangen waren genomen, sloot André Malraux zich bij het verzet aan. 'Veel schijn, weinig wezen', oordeelt Todd over zijn aandeel.

Onder invloed van generaal de Gaulle verkeerde zijn communisme in nationalisme, en na de bevrijding van Parijs sloot hij zich aan bij de troepen van de Vrije Fransen. Aan het hoofd van de brigade 'Elzas-Lotharingen' deed hij mee aan de herovering van Straatsburg op de Duitsers. Hij kende zichzelf de rang van kolonel toe, en na de oorlog liet De Gaulle hem die als dank voor zijn diensten.

Daar bleef het niet bij. Dat deze 'man van actie', begiftigd met grote oratorische en schrijverstalenten, zich aansloot, was een godsgeschenk voor de gaullisten. Tot het einde in 1969 maakte hij deel uit van De Gaulle's regeringen. 'Aan mijn rechterzijde zal ik altijd mijn geniale vriend André Malraux hebben', schreef De Gaulle in zijn memoires.

Als minister van voorlichting belastte hij zich met de politieke gelijkschakeling van de Franse televisie. Hij had een hekel aan de 'zogenaamde objectiviteit' van journalisten. Zijn linkse sympathieën maakten plaats voor een virulent anticommunisme, dat hij in verkiezingstijden met verve uitdroeg. Ook als minister van cultuur vereenzelvigde hij beschaving graag met Frankrijk, en Frankrijk met gaullisme.

De hoofdstukken van Todd over zijn ontmoetingen met Mao Tse Toeng en met Jackie Kennedy tekenen vermakelijke plaatjes van een pronkende Gallische haan. Minder amusant zijn de uitvluchten en ontkenningen waarop hij de wereld vergastte, toen bekend werd dat het Franse leger in Algerije op grote schaal martelde. De jaren na 1969 tot zijn dood in 1976 wijdde hij aan het schrijven van kunstgeschiedenissen die al even grillig en stellig van toon waren als zijn politieke opvattingen.

Tot op vandaag is Malraux een ideaal van de Franse intellectueel: vechtlustig en fotogeniek, welsprekend en mysterieus. In zijn eerdere biografie van Sartre ('De mandarijn van Parijs', 1981) heeft Todd de keerzijde van die ijdelheid beschreven: ,,De Fransen, van Malraux tot Sartre, van Barthes tot Foucault, zijn verzot op welluidende zinnen met onbegrijpelijke betekenissen.'' 'Woordziek' noemt Todd zijn landgenoten. Zijn vadercomplex en Tourette-syndroom lijken in dit opzicht niet meer dan randvoorwaarden bij Malraux.

Malrauxs politieke zwenking van uiterst links naar uitgesproken rechts mag bizar lijken, maar heeft ook een sociale achtergrond. In de knik van de vorige eeuw, rond de oorlog, manifesteerde zich bij de intelligentsia een Sturm und Drang die naar links of rechts kon uitvallen. De zwaartekracht werd niet uitgeoefend door een helder oordeel, maar door dadendrang. Een glijdende schaal maakte het prominenten in verschillende kampen mogelijk begrip voor elkaar op brengen, of zelfs over te lopen. François Mitterrand sympathiseerde als jongeman met het katholieke fascisme, en behield in dat milieu ook vrienden toen hij socialist werd.

Sartre, die in het existentialisme een filosofie van de daad ontwikkelde, zei eens vergoelijkend tegen een verontwaardigde Todd: 'Je draaft een beetje door. Malraux houdt van avonturen, maar hij is geen fascist'. Maar impulsiviteit is één ding, leugenachtigheid een ander. Todd weet geen precies antwoord op de vraag of Malraux in zijn eigen legende geloofde. Altijd gaf hij de voorkeur aan mannen van de daad boven burgermannen. En wat gedacht en geschreven was, was ook geschied.

Fransen hebben niet het alleenrecht op een woordziekte die blind maakt voor de werkelijkheid. 'Bourgeois', burgerlijk, was bijvoorbeeld ook in links-katholieke kring in Nederland een lelijke kwalificatie voor rekkelijken en lauwen. Ook in Nederland bestaan intellectuele musketiers. Toch is in Frankrijk het geduld met de weerbarstige werkelijkheid kleiner. Politici zijn er driester. Hemelbestormers geven er emplooi aan woordkunstenaars die menigten kunnen aanvuren en bedwingen. Het gaullisme was Frankrijks laatste massamobilisatie, en Malraux was zijn heraut.

De biograaf vindt het moeilijk afscheid te nemen van de held Malraux, en ook in Nederland zullen oude bewonderaars moeten slikken. Wie ondanks alles in 'het scheppende woord' wil blijven geloven, bezoeke de tentoonstelling die het Maison Descartes in Amsterdam te zijner ere heeft ingericht. De expositie (tot 15 november) is bescheiden van omvang, maar alle panelen spreken zijn bezwerende taal. Want het woord als daad is nog niet verstomd in Frankrijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden